catullus

carmen XXXI

Paene insularum, Sirmio, insularumque
ocelle, quascumque in liquentibus stagnis
marique vasto fert uterque Neptunus,
quam te libenter quamque laetus inviso,
vix mi ipse credens Thyniam atque Bithynos
liquisse campos et videre te in tuto.
o quid solutis est beatius curis,
cum mens onus reponit, ac peregrino
labore fessi venimus larem ad nostrum
desideratoque acquiescimus lecto?
hoc est, quod unumst pro laboribus tantis.
salve, o venusta Sirmio, atque ero gaude:
gaudete vosque, o Lydiae lacus undae:
ridete, quicquid est domi cachinnorum.

werkvertaling

Sirmio, jij dierbaarste van alle schier-eilanden
en eilanden, die in heldere meren
en de uitgestrekte zee beide Neptunussen dragen,
hoe graag en hoe blij begroet ik je weer,
terwijl ik nog maar nauwelijks kan geloven, dat ik Thynia en de velden
van Bithynia heb verlaten en jou veilig zie.
O wat is er heerlijker dan vrij van zorgen,
wanneer de geest zijn last aflegt, en door het ploeteren
in verre landen afgemat, aan te komen bij onze eigen huisgod
en rust te vinden in het bed, dat we zo gemist hebben?
Dit weegt in zijn eentje op tegen zo grote inspanningen.
Gegroet, lieflijk Sirmio, en wees blij om uw meester:
weest jullie ook blij, Lydische golven van het meer:
lacht, alle lachjes die er thuis zijn!
De resten van Catullus´ villa te Sirmio (© Marina)

vergelijk :

Van al wat eiland schijnt of eiland is
in blanke meren of in wijde zee,
gij, Sirmio, de parel, hoe verheugd
zie ik u weer, mij nauwlijks nog bewust,
dat heel Bithynië en al die boel
onschadelijk in verre verte ligt!
O wat is zaliger dan zorgenvrij,
van last verlost, reizen en trekken moe,
terug te komen in ons eigen huis
en rust te vinden op ons eigen bed?
Dat is voor al die drukte loon genoeg.
Gegroet, gij lieflijk Sirmio, wees blij,
omdat uw heer weer thuis is, en ook gij,
golfjes van 't Lydisch meer! Lacht altegaar,
gij schaterlachjes om mijn huisaltaar!

(C. Valerius Catullus, nagevolgd door A. Rutgers van der Loeff.
Boucher - Den Haag. MCMXXXVII.)

 

31

Van alle eilanden en schiereilanden die
Neptunus gelijkelijk draagt op de weidse
meren, de open zee - Sirmio, oogappel,
wat een geluk, wat een genot jou weer te zien;
ik geloof het nauwelijks: Thynia, Bithynisch
gebied ligt achter mij en heelhuids zie ik jou!
O, wat is heerlijker dan zorgenvrij te zijn,
wanneer de geest zich ontspant en wij, vermoeid van
verre avonturen, naar huis en haard toegaan
en rust vinden op het bed waarnaar wij snakten?
Dat alleen is loon voor zoveel moeizaam zwoegen.
Ik groet je, lieflijk Sirmio - verheug je met
je blijde heer, en jullie, lichtende golven
van het meer - lach vanuit je diepten, schaterlach!

(Catullus. Verzamelde verzen,
vertaald door Lucette M. Oostenbroek.
Dimensie, Leiden. 1986.)

 

© Marina