catullus

carmen III

Lugete, o Veneres Cupidinesque,
et quantumst hominum venustiorum.
passer mortuus est meae puellae,
passer, deliciae meae puellae,
quem plus illa oculis suis amabat:
nam mellitus erat suamque norat
ipsam tam bene quam puella matrem;
nec sese a gremio illius movebat,
sed circumsiliens modo huc modo illuc
ad solam dominam usque pipiabat.
qui nunc it per iter tenebricosum
illuc, unde negant redire quemquam.
at vobis male sit, malae tenebrae
Orci, quae omnia bella devoratis:
tam bellum mihi passerem abstulistis.
o factum male! o miselle passer!
tua nunc opera meae puellae
flendo turgiduli rubent ocelli.

 

werkvertaling

Treurt, Liefdes en Verlangens,
en alle beminnelijker mensen.
Het musje van mijn meisje is dood,
het musje, het schatje van mijn meisje,
waarvan zij meer hield dan van haar eigen ogen:
want het was honingzoet en kende zijn vrouwtje
zo goed als een meisje haar moeder;
en het bewoog zich niet van haar schoot,
maar nu hierheen dan daarheen rondspringend
piepte het aldoor naar alleen zijn vrouwtje.
Nu gaat het over de weg vol duisternis
daarheen, vanwaar men zegt dat niemand terugkomt.
Maar wees jij verdoemd, verdoemde duisternis van
Orcus, die al het aardige verslindt:
een zo aardig musje heb je mij afgenomen.
Ach wat een ellende! Arm musje!
Door jouw toedoen zijn nu de oogjes van mijn meisje
rood en gezwollen van het huilen.

 

metrum:
hendecasyllabus

lúgete _ ó venerés cupídinésque
ét quantúmst hominúm venústiórum
etc

 

vergelijk :

Per iter tenebricosum

Genoeg! Waarom te klagen, dat
Het lot zijn eigen leven leidt?
En waarom is een mensch meer prat
Dan die 't braveerden in hun tijd?
Trof hij slechts zwaardvechter of held,
Berechtigd ware dood's geweld,
Maar jonge meisjes gingen heen
En Lesbia's muschje - heel alleen.

J.C.Bloem (1887 - 1966)

 

Rouwt Lieflijkheden, rouwt Begeerlijkheden,
rouwt menschen van beschaving en gevoel!
Het sijsje van mijn meisje is gestorven,
het sijsje waar mijn meisje meer van hield,
meer zelfs misschien dan van haar eigen oogen.
Zoo snoezig was het, en het kende haar,
de vrouw, zoo goed als ieder kind zijn moeder.
Het was niet weg te lokken van haar schoot;
daar hippelde het aldoor heen en weer
en tjilpte maar om haar, zijn lieve vrouw.
Nu gaat het zieltje langs de duistre baan,
vanwaar men zegt dat geen terugkeer is.
Vervloekt, gij duisternissen van de hel,
die alles opslokt wat bekoorlijk is!
Zoo'n aardig sijsje hebt gij mij ontrukt.
O wandaad! O arm sijsje! 't Is om jou,
dat nu de oogjes van mijn zoetelief
rood en gezwollen van de traantjes zijn.

(C. Valerius Catullus, nagevolgd door A. Rutgers van der Loeff.
Boucher - Den Haag. MCMXXXVII.)

 

3

Rouwt, gij machten van Liefde en Verlangen
en wie maar enigszins fijngevoelig is -
het vogeltje van mijn lieveling is dood!
Het vogeltje, speeltje van mijn lieveling:
meer dan haar ogenlicht beminde ze het,
want het was haar hartje en het kende zijn
meesteres zoals een dochter haar moeder;
ook week het niet van haar schoot, nee, nu eens hier
dan weer daar rondhippend, kwetterde het
onafgebroken voor zijn vrouwtje alleen.
Dat bewandelt nu de duistere paden,
naar die plaats vanwaar, zegt men, niemand weerkeert.
Maar U, vervloekte duisternis des Doods, U
vervloek ik, U die alle schoonheid verslindt:
zo'n schattig vogeltje hebt U mij ontrukt!
O wandaad! O klein ongeluksvogeltje!
Door jouw toedoen zijn de oogjes van mijn lief
nu rood en opgezwollen van het huilen.

(Catullus. Verzamelde verzen,
vertaald door Lucette M. Oostenbroek.
Dimensie, Leiden. 1986.)