[vorige] [volgende]

Cassius Dio > XXXVII.2

 

 

 

 

XXXVII.2

Toen Pompeius op het punt stond ook de Cyrnus over te steken, stuurde Artoces een onderhandelaar naar hem toe. Hij vroeg om vrede, en beloofde te zullen zorgen voor een brug, proviand en voorzieningen.

Artoces deed wat hij had beloofd en leek tot een vergelijk te willen komen. Maar toen hij zag, dat Pompeius al was overgestoken, werd hij bang en ging er van door naar de Pelorus, ook een rivier die in zijn rijk stroomde. De man, die hij van de oversteek had kunnen afhouden, nodigde hij eerst uit naar zijn grondgebied, en daarna rende hij voor hem weg !

Pompeius wint een gevecht

Toen Pompeius dat zag, ging hij hem achterna, haalde hem in en versloeg hem. In een razendsnelle aanval: voordat de boogschutters hun specialisme konden laten zien, was hij al midden tussen hen in. In een oogwenk joeg hij hen op de vlucht.

Toen dat gebeurde, maakte Artoces zich uit de voeten, stak de Pelorus over en liet ook de brug over die rivier in brand steken. Van zijn mannen stierven sommigen bij gevechten, anderen terwijl zij probeerden naar de overkant van de rivier te waden.

Velen verspreidden zich in de bossen en wisten zich nog een aantal dagen in leven te houden. Zij schoten pijlen uit de bomen, die zeer hoog waren. De bomen werden omgehakt, en ook zij werden om het leven gebracht.

Onderhandelingen

Zo zat er voor Artoces niets anders op dan opnieuw onderhandelingen te beginnen met Pompeius; hij stuurde ook geschenken.

Pompeius nam die aan, omdat hij dacht, dat de koning niet verder weg zou trekken, als hij hoopte op een verdrag. Over vrede echter wilde hij niet praten, voor de koning hem zijn kinderen als gijzelaars had gestuurd.

Artoces geeft het op

Artoces rekte tijd, totdat in de loop van de zomer de Pelorus doorwaadbaar was. De Romeinen staken toen over, zonder moeite, vooral omdat niemand hen tegen hield. Uiteindelijk stuurde hij zijn kinderen dan maar naar Pompeius. Daarna kon hij een overeenkomst sluiten.

XXXVII.3

Toen Pompeius daarna vernam, dat de Phasis niet ver weg was, vatte hij het plan op langs die rivier naar Colchis af te dalen en vandaar tegen Mithridates naar de Bosporus op te trekken. Hij volgde de route die hij had bedacht en ging door het gebied van de ColchiŽrs en hun buren, waarbij hij nu eens overreding, dan weer de dreiging met geweld gebruikte.

Verandering van plan

Hij merkte wel, dat de tocht over land door vele onbekende en oorlogzuchtige volkeren voerde, en over zee gaan leek nog lastiger, doordat het land geen havens had en door de bewoners van het land.

Daarom gaf hij de vloot het bevel een blokkade tegen Mithridates uit te voeren, er op toe te zien, dat hij nergens kon uitvaren, en de aanvoer van zijn voorraden te verhinderen. Zelf ging hij op weg naar de Albanen. Hij koos niet de kortste route, maar ging eerst terug naar Armenia. Door deze omweg, in combinatie met de wapenstilstand, hoopte hij hen aan te kunnen pakken, zonder dat zij het verwachtten.

Over de Cyrnus

Hij stak de Cyrnus te voet over, op een plek waar de zomer er voor had gezorgd, dat dat mogelijk was. Hij liet de ruiters met de stroom mee oversteken, daarnaast de lastdieren, en dan het voetvolk. Hij ging er van uit, dat de paarden de kracht van de stroom met hun lijven zouden breken, en als er dan toch nog een van de lastdieren om zou vallen, zou het terechtkomen bij de mannen, die daarnaast meegingen, en niet verder met de stroom mee worden gesleurd.

Dorst

Daarvandaan marcheerde hij naar de Cambyses. Van vijanden ondervond hij weinig narigheid, maar hij had hevig te lijden van de hitte en daardoor ook de dorst, samen met het hele leger, ook al legde hij het merendeel van de weg 's nachts af. Want hun gidsen waren uit de krijgsgevangenen gekozen en wezen hen niet de meest geschikte weg.

Een rustige mars

Ook de rivier hielp hen niet uit de nood. Het water was ijskoud, en de grote hoeveelheid die zij dronken deed allen meer kwaad dan goed.
Toen zij ook daar geen enkele tegenstand ontmoetten, gingen zij naar de Abas, met alleen maar water mee. De rest verschafte de inheemse bevolking hen vrijwillig, en daardoor kwam het nergens tot geweld en plunderingen.

 

 

 

Cassius Dio > XXXVII.2

[vorige] [volgende]