|
Gedenkschriften
van den
Gallischen Oorlog
uit
het Latijn
door
Dr. J. J. Doesburg
Inleiding
----------------------
Gajus
Julius Caesar werd den 13en Juli van het jaar 100 v. Chr. geboren.
Zoon van een vader, die praetor was geweest, en van de voortreffelijke
Aurelia, genoot hij een uitmuntende opvoeding en wekte reeds in zijn
jeugd groote verwachtingen op, ofschoon nog langen tijd niemand dat
genie in hem vermoedde, waarvan hij later op staatkundig en militair
gebied de schitterendste bewijzen heeft geleverd.
Zijn verwantschap met Marius, den leider der volkspartij, en zijn
huwelijk met de dochter van Cinna, Marius' partijganger, brachten
hem in moeielijkheden met Sulla, het hoofd der senaatspartij, na diens
overwinning (82 v. Chr.), en het kenmerkt den jongen man, dat hij
weigerde aan Sulla's bevel te gehoorzamen, te scheiden namelijk van
zijn echtgenoote. Door een vrijwillige ballingschap den machtigen
dictator, die hem had begenadigd, ontwijkende, keerde hij, na krijgsdienst
in Azië gedaan te hebben, op het bericht van Sulla's dood in 78 naar
Rome terug, alwaar hij al dadelijk de opmerkzaamheid tot zich trok
door een aanklacht tegen Dolabella wegens afpersing in de door dezen
in het jaar 80 bestuurde provincie Macedonië. Voor de tweede maal
naar het Oosten gereisd (76), voltooide hij zijn vorming als redenaar
bij den rhetor Molo op Rhodus. Uit den derden Mithridatischen oorlog
te Rome teruggekeerd, werd hij de meest beteekenende man der demokratie
geacht en wierp hij zich van nu aan voorgoed op de staatkunde. In
hem had de demokratie een hoofd gevonden, dat, in alles haar vroegere
leiders overtreffende, tegen de partij der optimaten zonder de minste
verschooning optrad en haar op alle wijzen vervolgde. In 68 quaestor
werd hij in 65 aediel, in 63 pontifex maximus, in 62 praetor, om daarna
het bestuur der provincie Hispania ulterior op zich te nemen, waar
hij zich reeds door krijgsdaden onderscheidde. In 60 wederom te Rome
verschenen, ten einde naar het consulaat voor het volgende jaar te
dingen, rees bij hem de gedachte, door een verbond met den door den
senaat in zijn eischen gedwarsboomden, als overwinnaar van Mithridates
uit het Oosten teruggekeerden Pompejus, beider invloed tegen de aristokratie
te vereenigen. Het eerste driemanschap ontstond, dat de macht in handen
legde van Caesar, Pompejus en Crassus en een tegenwicht tegen den
senaat vormde. Gekozen consul voor het jaar 59, liet Caesar zich het
stadhouderschap van Gallië opdragen, en hier zag hij zich het tooneel
geopend, waarop hij schitterenden roem verwerven en te gelijk en vooral,
ten behoeve der demokratie, een uitmuntend leger kon vormen. Niet
lang bleef het driemanschap eendrachtig van zin. Al was het in 56
te Lucca onder den drang der omstandigheden vernieuwd en bevestigd,
op den duur bestond er geen overeenstemming. Sedert Pompejus, ijverzuchtig
op het klimmend aanzien en de stijgende macht van Caesar, bij wiens
krijgsdaden in Gallië zijn Aziatische overwinningen bijna in vergetelheid
geraakten, allengs meer met de nobiliteit, die den veroveraar van
Gallië doodelijk haatte, wijl zij in hem den gevaarlijksten vijand
der oude instellingen begon te zien, op goeden voet geraakte - sedert
Pompejus zich in de hoofdstad het consulaat zonder ambtgenoot had
weten te verwerven en hij daar een invloed bezat, welke dien van Caesar
verre overtrof, was de breuk onvermijdelijk. Zij leidde tot den burgeroorlog.
Verslagen bij Pharsalus (48), Thapsus (46), Munda (45) ging de republikeinsche
partij onder. Uit den burgeroorlog was de alleenheerschappij opgerezen.
Onbetwist nam Caesar de plaats in van een monarch, wiens reusachtige
taak het was, niet alleen het zoowel door het langjarige, ellendige
oligarchisch bestuur, als door den burgeroorlog zwaar geschokte rijk
tot rust te brengen en het nieuw leven in te blazen, maar ook om zijn
heerschappij op hechten grondslag te bevestigen. De samenzwering van
Brutus en Cassius maakte een einde aan 's mans werkzaamheid en aan
zijn leven. Op den 15en Maart 44 viel hij onder moordenaarshanden
in de zitting van den senaat. "Gajus Julius Caesar was in de
volle beteekenis des woords een groot man, groot in alles, wat hij
ondernam. Maar noch als redenaar, noch als schrijver, noch zelfs als
veldheer heeft hij dien graad van volkomenheid bereikt, waarop hij
stond als staatsman. Zijn onbevangenheid van oordeel, die hem nooit
eenige illusie over personen of zaken deed maken, zijn buitengewoon
scherp verstand, zijn ongehoorde wilskracht stelden hem in staat het
ideaal na te streven van de wedergeboorte van zijn diep gezonken volk.
Aan dien grootschen arbeid heeft hij tot zijn laatsten snik gearbeid."
[Noot: Zie mijn "Geschiedenis der Romeinen", Amsterdam,
1892.]
Caesar
schreef : "Gedenkschriften van den Gallischen oorlog" in
zeven boeken en "Gedenkschriften van den burgeroorlog" in
drie boeken. In 59 voor den tijd van vijf jaar (58 - 53) tot stadhouder
van Gallië benoemd, werd zijn mandaat in 55 met vijf jaar verlengd;
doch het uitbreken van den burgeroorlog veroorloofde hem niet, het
tiende jaar in de provincie te blijven. De gedenkschriften nu (commentarii)
van den Gallischen oorlog verhalen de geschiedenis der eerste zeven
jaren van zijn stadhouderschap en werden door den schrijver zelven
in 51 openbaar gemaakt, toen hem gelast werd zijn leger te ontbinden
en ter verantwoording naar Rome te komen. Die over den burgeroorlog
beginnen met den 1en Januari 49. In dit werk, geschreven na den burgeroorlog,
wijkt Caesar af van de in den "Gallischen oorlog" gevolgde
behandeling, om in ieder boek een jaar te beschrijven, want de eerste
twee boeken verhalen de gebeurtenissen van 49, het derde die van 48,
terwijl het sluit met het begin van den Alexandrijnschen oorlog.
Uit
beide werken van den grooten man straalt een helder, nuchter verstand
en een ijzeren wilskracht ons tegen. Klaar en eenvoudig is de voorstelling,
in een objectieven toon, waarin Caesar als een vreemd toeschouwer
van de gebeurtenissen spreekt. Eenvoudig de taal, vrij van alle ongewone,
zoowel ouderwetsche als vulgaire, uitdrukkingen. Maar zoo kunsteloos
en eenvoudig de vorm is, zoo rijp overwogen is de inhoud. "Zonder
ooit plomp de waarheid te verkorten, verstaat de vervaardiger meesterlijk
de kunst, de daadzaken tot een geheel te groepeeren en op de rechte
plaats te zwijgen; zonder ooit in pocherij te vervallen, of ook slechts
den schijn van objectiviteit op te geven, weet hij zijn persoon en
verdienste op 't voortreffelijkst in 't licht te plaatsen, zijn handelen
als gerechtvaardigd, zijn beweeggronden als zuiver voor te stellen".
[Citaat uit: Teuffel, Geschichte der Römischen Literatur.]
Het midden houdende tusschen een eigenlijke geschiedenis en een eenvoudig
dagboek beoogen de commentariën een staatkundig doel. Zij zijn een
gelegenheids- en partijgeschrift. Zouden de gedenkschriften van den
burgeroorlog het bewijs leveren, dat Caesar alles had gedaan, wat
in zijn vermogen stond om den burgerkrijg te vermijden, de mémoires
over den Gallischen oorlog moesten, kort vóór den burgeroorlog, het
volk toonen, wat hij voor de grootheid van het Romeinsche volk had
verricht, welk een zware taak hij had volbracht en waartoe hij verder
in staat zou blijken.
Uit
het oogpunt van objectiviteit staan zijn gedenkschriften van den burgeroorlog
lager dan die van den Gallischen krijg, waarin hij, niettegenstaande
het opgemerkte, een over 't geheel betrouwbaar beeld der gebeurtenissen
geeft.
Caesars
schriftelijke arbeid is door anderen voortgezet. De twee laatste jaren
van den Gallischen krijg zijn beschreven door den legaat Aulus Hirtius
en worden als achtste boek aan de gedenkschriften van dezen oorlog
toegevoegd. Van den Alexandrijnschen oorlog, bevattende de gebeurtenissen
van 47, den Afrikaanschen, behelzende die van 46, en den Spaanschen
oorlog van 45 zijn de auteurs onbekend, al meenen velen in eerstgenoemd
werk den schrijver van het toevoegsel tot den Gallischen oorlog te
herkennen. [Noot: Zie Schanz, Gesch. d. Röm. Literatur bij Müller,
Handbuch d. klassischen Altertums-Wissenschaft, 1890, VIII, 1er Teil.]
[Noot: Behoudens een enkele ter plaatse aangeduide afwijking hield
ik mij aan den tekst van Rudolf Menge (Gotha, Perthes). Verder raadpleegde
ik de vertalingen van Köchly en Rüstow (Berlin, Langenscheidt) en
van Oberbreijer (Leipzig, Reclam).]
|