Caesar

De Bello Gallico VII, 1- 5 en 63 - 90

De opstand der GalliŽrs onder Vercingetorix

(Uit: Latijnse geschiedschrijvers. Bloemlezing uit de werken van Sallustius, Caesar, Livius en Tacitus in nieuwe vertaling ... door Dr. Jan van Gelder.
Haarlem, 1952. N.V. Drukkerij De Spaarnestad. Klassieke Bibliotheek.)

 

1 Toen GalliŽ rustig was, vertrok Caesar, zoals hij besloten had, naar ItaliŽ, om de provinciale rechtsdagen voor te zitten. Daar werd hij in kennis gesteld van de moord op Publius Clodius en op de hoogte gebracht van het senaatsbesluit, krachtens hetwelk al de jongere mannen in ItaliŽ, in massa, de krijgseed moesten afleggen en hij maakte aanstalten om een lichting te houden in de ganse provincie.
Dat nieuws verspreidde zich dadelijk in Transalpijns GalliŽ. De GalliŽrs overdreven het en verzonnen in hun praatjes bijzonderheden die onvermijdelijk uit de toestand schenen te moeten voortvloeien, namelijk dat Caesar door troebelen te Rome werd weerhouden en dat hij zich, te midden van al die twisten, niet bij zijn leger kon vervoegen.
Verlokt door die gunstige gelegenheid, begonnen zij, die reeds vroeger hun onderwerping aan het gezag van de Romeinen betreurden, nogal vrijmoedig en zelfs brutaalweg oorlogsplannen te beramen.
De Gallische stamhoofden belegden onder elkander vergaderingen in de bossen en op andere afgelegen plaatsen en betreurden de dood van Acco. Zij wezen er op, dat het zelfde lot ook hun kon overkomen, beklaagden het gemeenschappelijk ongeluk van GalliŽ en vorderden, door allerhande beloften van voordelen, mannen op om de oorlog te beginnen en met eigen levensgevaar GalliŽ te bevrijden.
Zij beweerden dat men er in de eerste plaats aan moest denken Caesar van zijn leger af te snijden, vooraleer hun geheime plannen uitlekten.
Dat was gemakkelijk, daar de legioenen bij afwezigheid van hun opperbevelhebber hun winterkwartieren niet zouden durven verlaten en de opperbevelhebber zonder geleide het leger niet zou kunnen bereiken.
"Tenslotte was het beter op het slagveld te sterven dan de aloude krijgsroem en de vrijheid, die zij van hun voorvaderen hadden geŽrfd, niet te herwinnen."

2 Toen zij dat alles druk hadden besproken, verkondigde de Carnuten dat zij voor het gemeenschappelijk welzijn elk gevaar wilden trotseren en beloofden de eersten van allen de oorlog te beginnen.
Daar zij voor het ogenblik elkander geen waarborgen konden geven door het stellen van gijzelaars, uit schrik dat hun komplot zou uitlekken, vroegen zij dat men tenminste door een belofte onder ede zou bepalen, vůůr de verzamelde standaarden - in welk gebruik hun gewichtigste godsdienstige plechtigheid bestaat - dat, wanneer zij eenmaal de oorlog hadden begonnen, de anderen hen niet in de steek zouden laten.
De Carnuten werden hooggeprezen, al de aanwezigen zwoeren de eed en toen de tijd voor het openen der vijandelijkheden was bepaald, ging de vergadering uiteen.

3 Toen die dag was aangebroken, werd het teken gegeven en de Carnuten ijlden onder de leiding van twee dolkoppen, Gutruatus en Conconnetodumnus, naar Cenabum. Zij vermoordden de Romeinse burgers die zich daar metterwoon hadden gevestigd op bankierszaken te doen, onder anderen Gajus Fufius Cita, een achtbaar Romeins ridder, die zich, op bevel van Caesar, met de approviandering had belast, en zij plunderden hun bezittingen.
Dadelijk verspreidde zich het nieuws bij al de Gallische stammen, want, zodra daar immers een nogal gewichtige en merkwaardige gebeurtenis plaats grijpt, geven zij die te kennen door ze over velden en landstreken te schreeuwen: anderen vangen het nieuws onmiddellijk op en geven het door aan hun naaste geburen. Zo gebeurde het ook toen.
Want ofschoon die gebeurtenissen zich te Cenabum hadden afgespeeld bij zonsopgang, vernam men ze nog vůůr het einde van de eerste nachtwaak in het grondgebied der Arverners, wat een afstand betekent van nagenoeg honderdzestig mijl.

4 Om een gelijkaardige reden verzamelde daar de jonge, invloedrijke Arverner Vercingetorix, de zoon van Celtillus, zijn horigen en maakte hun zonder moeite het hoofd warm. Zijn vader had de hoogste waardigheid in GalliŽ bekleed, doch was vermoord door zijn medeburgers, omdat hij naar het koningschap stond.
Zodra zijn plan bekend was, liep men te wapen. Hij werd tegengewerkt door zijn moedersbroeder Gobannitio en de andere aanzienlijken die meenden dat men dat risico niet mocht lopen en hij werd uit Gergovia verbannen.
Toch gaf hij zijn plan niet op en trommelde op het platteland het gespuis bijeen. Toen hij die bende had verzameld, won hij al zijn medeburgers tot wie hij zich wendde, voor zijn plan.
Hij spoorde hen aan de wapens op te nemen voor de gemeenschappelijke vrijheid, bracht een sterke troepenmacht op de been, dreef zijn tegenstanders die hem kort tevoren hadden verbannen, uit de stad, en werd door zijn volk tot koning uitgeroepen.
Hij stuurde gezanten in alle richtingen en bezwoer eenieder trouw te blijven aan zijn gegeven woord. Hij deed de Senonen, ParisiŽrs, Pictonen, Cadurken, Turonen, Aulerken, Lemoviken, Anden en al de andere stammen, wier grondgebied aan de Oceaan grenst, dadelijk bij zich aansluiten. Volgens het eenparig gevoelen werd hem het opperbevel opgedragen.
Met die macht bekleed, vorderde hij gijzelaars van al de stammen, gaf hun het bevel hem vlug een bepaald getal soldaten te zenden en stelde de hoeveelheid wapens vast en de tijd vůůr dewelke iedere stam ze in zijn grondgebied moest bijeenbrengen. Hij schonk vooral aandacht aan de ruiterij, verbond met de uiterste nauwgezetheid de ongenadigste strengheid in het voeren van het commando en dwong de besluitelozen door de zwaarte van de straf. Wie zich schuldig maakte aan een vrij ernstig vergrijp deed hij de vuurdood sterven of door allerlei andere folteringen om het leven brengen; voor een lichter vergrijp deed hij de oren afsnijden of ťťn oog uitsteken en zond de man terug naar huis om de overigen tot waarschuwend voorbeeld te dienen en door de zwaarte van zijn straf de anderen schrik aan te jagen.

5 Ingevolge deze folteringen had hij vlug een leger bijeen. Hij zond de Cadurk Lucterius, een buitengewoon stoutmoedig man, met een deel der troepen naar de streek der Rutenen. Hijzelf vertrok naar het land der Biturigen. Bij zijn aankomst aldaar zonden de Biturigen gezanten naar de HaeduŽrs, onder wier bescherming zij stonden, om hulp te vragen, teneinde de vijandelijke troepen gemakkelijker te kunnen afslaan.
Op raad van de legaten die Caesar bij het leger had gelaten, zonden de HaeduŽrs aan de Biturigen troepen infanterie en ruiterij ter hulp. Toen deze de Loire hadden bereikt, die de grens vormt tussen de Biturigen en de HaeduŽrs, bleven zij daar enkele dagen, zonder evenwel de stroom te durven oversteken, keerden terug naar hun land en meldden onze legaten dat zij, uit vrees voor de trouweloosheid der Biturigen, rechtsomkeert hadden gemaakt. Zij wisten, zo zeiden zij, dat de Biturigen van plan waren hen, wanneer zij de stroom waren overgestoken, te overvleugelen, aan de ene kant met hun eigen troepen, aan de andere kant met die der Arverners.
Of zij alzo handelden om de reden die zij bij onze legaten aanvoerden ofwel uit kwade trouw, kan, bij volslagen gebrek aan bewijs, niet met zekerheid worden uitgemaakt.
Na hun vertrek sloten de Biturigen zich dadelijk bij de Arverners aan.

Caesar begeeft zich naar zijn leger. De opstand grijpt om zich heen en tenslotte vallen zelfs de HaeduŽrs, die Caesar's politiek in GalliŽ altijd gesteund hadden, Vercingetorix bij.

63 Bij het nieuws van de afscheuring der HaeduŽrs breidde de oorlog zich uit. In alle richtingen werden gezantschappen gezonden. Zij spanden zich in, zoveel ze door hun invloed, hun gezag en hun geld vermochten, om stammen op te ruien.
Toen zij in het bezit waren van de borgen die Caesar bij hen had gelaten, terroriseerden zij de weifelaars door hen met de dood te bedreigen. De HaeduŽrs vroegen Vercingetorix naar hen te komen en hun zijn oorlogsplannen mede te delen. Toen hij op hun verzoek was ingegaan, stelden zij alles in het werk opdat het opperbevel aan hen zou opgedragen worden. Het kwam tot een twist en een algemene Gallische landdag werd belegd te Bibracte.
Van alle kanten kwamen zij in groten getale daarheen. De zaak werd aan de menigte ter stemming voorgelegd. Allen zonder onderscheid verklaarden zich voor Vercingetorix als bevelhebber. Aan die landdag namen de Remers, de Treveren en de Lingonen niet deel: de eersten omdat zij hun vriendschap met de Romeinen trouw bleven, de Treveren omdat zij te ver afwoonden en last hadden vanwege de Germanen - dat was trouwens de reden waarom zij zich tijdens de ganse duur van de oorlog afzijdig hielden en aan geen van beiden hulptroepen stuurden.
De HaeduŽrs waren diep gegriefd omdat zij van de hegemonie waren verdrongen; zij klaagden over de ommekeer in de toestand en trachten vergiffenis van Caesar te verkrijgen, doch daar zij nu toch de oorlog hadden begonnen, durfden zij niet afzonderlijk een besluit treffen. Slechts tegen hun zin gehoorzaam den de veelbelovende jonge Eporedorix en Viridomarus aan Vercingetorix.

64 Vercingetorix eiste van de andere stammen borgen en stelde daartoe een datum vast. Daar deed hij haastig vijftienduizend ruiters verzamelen. Hij verklaarde dat hij zich zou tevredenstellen met het voetvolk waarover hij vroeger beschikte: hij zou immers de kans niet wagen door een geregelde slag te leveren; daar hij ten overvloede over ruiterij beschikte, zou het zeer gemakkelijk zijn de Romeinen te verhinderen levensmiddelen en voeder te halen.
Zij moesten zonder hartepijn zelf hun graan vernietigen en hun hoeven in brand steken. Zij moesten inzien dat zij, door aldus hun familiebezit op te offeren, voor altijd de hegemonie en de vrijheid zouden verkrijgen.
Toen dat geregeld was, vorderde hij van de HaeduŽrs en de Segusiaven, wier grondgebied aan de Provincie grenst, tienduizend voetknechten; hierbij voegde hij achthonderd ruiters.
Aan hun hoofd stelde hij de broeder van Eporedorix en beval hem de Allobrogen te beoorlogen.
Aan de andere kant zond hij de Gabalers en de naastbijliggende gouwen der Arverners tegen de HelviŽrs, evenzo deed hij de Ruteners en de Cadurken naar het grondgebied der Arecomische volkeren oprukken om het te verwoesten.
Niettemin ruide hij nog de Allobrogen op door geheime boodschappen en gezanten. Hij hoopte namelijk dat hun gemoederen sinds de laatste oorlog nog niet tot rust waren gekomen. Aan hun hoofden beloofde hij geld, aan de burgers de hegemonie over de ganse provincie.

65 Tegen al deze gevallen waren afdelingen bestemd bestaande uit tweeŽntwintig cohorten, die door de legaat L. Caesar in de provincie waren op de been gebracht en die naar alle zijden toe front maakten.
De HelviŽrs gingen op eigen krachten het gevecht aan met hun buren doch zij werden verslagen: de zoon van Caburius, Gajus Valerius Domnotaurus, de opperste magistraat van de stam, en verscheidene anderen sneuvelden en de HelviŽrs werden binnen hun vestingen teruggedreven.
De Allobrogen hadden talrijke afdelingen opgesteld op de RhŰne-oevers en beschermden zeer zorgvuldig en behoedzaam hun grondgebied. Caesar wist, dat de vijand hem de baas was in ruiterij en daar al de wegen waren afgesneden, kon hij noch uit de Provincie, nog uit ItaliŽ hulp krijgen. Daarom zond hij boden over de Rijn naar GermaniŽ, bij de stammen, die hij het vorige jaar had onderworpen: hij haalde daar ruiters en lichtgewapende voetknechten die gewoon waren tussen ruiters te strijden.
Daar de paarden die zij bereden minder geschikt waren, nam hij, bij hun aankomst, de paarden van de krijgstribunen, van de Romeinse ridders en van de evocati af en verdeelde ze onder de Germanen.

66 Ondertussen kwamen de vijandelijke troepen uit het land der Arverners en de ruiters die zij van heel GalliŽ hadden gevorderd, bijeen. Toen zij in groten getale waren verzameld en Caesar door het randgebied der Lingonen heen naar het land der Sequanen trok, om gemakkelijker de Provincie hulp te kunnen bieden, kwam Vercingetorix in drie kampen legeren op ongeveer tien mijl van de Romeinen af. Hij riep de ruiterijbevelhebbers in een vergadering bijeen en verklaarde hun dat het ogenblik der overwinning was aangebroken. "De Romeinen vluchtten naar de Provincie en ontruimden GalliŽ. Dat was hem voldoende voor het onmiddellijk verkrijgen der vrijheid, maar voor de bestendige vrede en de rust kwam men daarmede niet verder. Zij zouden immers een nog sterkere troepenmacht verzamelen, terugkomen en door oorlog voortzetten.
Daarom moesten zij hen aanvallen, terwijl zij nog zwaar bepakt in colonne marcheerden. Bood hun infanterie hun manschappen hulp en werd zij daardoor opgehouden, dan was het hun onmogelijk de tocht af te leggen. Lieten zij - wat hij voor het waarschijnlijkste hield - hun tros in de steek en waren zij allen op hun eigen redding bedacht, dan zouden zij beroofd worden van het gebruik van het allernoodzakelijkste en er hun prestige bij inboeten. Want dat geen vijandelijke ruiter zich ook maar even buiten de colonne zou durven wagen, moesten zij niet eens betwijfelen. Opdat zij daarbij des te groter dapperheid zouden aan de dag leggen, zou hij zijn ganse troepenmacht vůůr het kamp gereedhouden en de vijand en mede schrik aanjagen."
De ruiters riepen dat men door een plechtige eed moest bevestigen dat niemand onderdak zou krijgen of zijn kinderen, zijn ouders en zijn echtgenote onder de ogen zou mogen komen, indien hij niet tweemaal door de vijandelijke colonne was heengereden.

67 Men vond het goed: allen zwoeren een plechtige eed en de volgende dag, toen de ruiterij in drie afdelingen was gesplitst, vertoonden zich op de twee flanken twee slaglinies: ťťn er van begon de mars der voorhoede te verhinderen. Op dit bericht beval Caesar eveneens zijn ruiterij in drieŽn te splitsen en tegen de vijand op te rukken. Men streed overal tegelijk. De colonne hield halt, de tros werd opgesteld tussen de legioenen in. Telkens als Caesar zag dat onze manschappen hier en daar in nood verkeerden of hard werden bestookt, beval hij in die richting aan te vallen en deed de slaglinie rechtsomkeert maken.
Deze manoeuvre hinderde de vijand in zijn achtervolging en bemoedigde onze soldaten door de hoop op hulp.
Tenslotte hadden de Germanen op de rechterflank de hoogste top van de bergketen bereikt en verdreven de vijand uit zijn stelling. Zij achtervolgden de vluchtenden tot aan de rivier, waar Vercingetorix met de infanterie post had gevat, en doodden er verscheidenen.
Toen de overigen dat bemerkten, vreesden zij omsingeld te worden en sloegen op de vlucht. Te allen kante werden slachtingen aangericht. Drie vooraanstaande HaeduŽrs werden gevangengenomen: Cotus, de ruiterijbevelhebber, die bij de laatste verkiezingen een twist had gehad met Convictolitavis, Cavarillus, die, na de afval van Litaviccus, aan het hoofd der infanterie had gestaan, en Eporedorix, onder wiens leiding de HaeduŽrs, vůůr de komst van Caesar, oorlog hadden gevoerd tegen de SequaniŽrs.

68 Na de vlucht van zijn gehele ruiterij keerde Vercingetorix met zijn troepen, zoals hij ze vůůr het kamp had opgesteld, terug, begaf zich dadelijk op weg naar Alesia, een vesting der MandubiŽrs, en beval de tros haastig het kamp te verlaten en hem op de voet te volgen.
Caesar bracht zijn tros op een nabijliggende heuvel, liet er twee legioenen bij om hem te bewaken en trok toen, zolang het daglicht het hem toeliet, Vercingetorix achterna. Hij doodde drieduizend vijanden in de achterhoede en sloeg 's anderendaags zijn kamp op vůůr Alesia.
Toen de ligging van de stad was verkend en de vijanden bang waren, omdat hun ruiterij, het deel van hun leger, waarin zij het meest vertrouwden, de nederlaag had geleden, spoorde Caesar zijn soldaten aan tot de arbeid en begon Alesia te omschansen.

69 De vesting Alesia zelf lag op een heuveltop die aanzienlijk boven de vlakte uitstak, zodat zij oninneembaar scheen tenzij door blokkade.
De voet van die heuvel wordt aan twee zijden bespoeld door waterlopen. Vůůr de vesting strekte zich een ongeveer drie mijl brede vlakte uit; aan al de andere zijden omringden heuvels, op korte afstand van elkaar gelegen en met gelijke tophoogte, de vesting.
Aan de voet van de muur, op de oostelijke helling van de heuvel, hadden de Gallische troepen de ganse ruimte bezet en hadden er een gracht vůůr gegraven en een zes voet hoge muur vůůr opgetrokken.
De omtrek der door de Romeinen begonnen schanswerken bedroeg tien mijl. De kampen (er waren er acht, die onderling met schanswerken waren verbonden) lagen op geschikte terreinen en er waren drieŽntwintig blokhuizen gebouwd. Die blokhuizen werden betrokken door wachtposten om een plotse uitval te beletten, 's nachts werden zij bezet door schildwachten en sterke afdelingen.

70 Toen de schansarbeid begonnen was, greep een ruiterijgevecht plaats in de vlakte, die, zoals wij hierboven zegden, zich tussen de heuvels over een breedte van drie mijl uitstrekte. Aan weerszijden spande men al zijn krachten in. Toen onze soldaten het kwaad kregen, zond Caesar hun de Germanen ter hulp en schaarde zijn legioenen vůůr het kamp om een plotselinge aanval van het vijandelijke voetvolk te verhinderen.
Gesteund door de legioenen schepten onze manschappen wederom moed; de vijanden werden op de vlucht gejaagd en door hun groot aantal liepen zij elkaar in de weg en verdrongen elkaar voor de nogal enge opengelaten poorten. De Germanen vervolgden hen onstuimig tot aan de versterkingslijn en richtten een bloedige slachting aan. Sommigen lieten hun paarden in de steek en poogden over de gracht te komen en de muur te beklimmen. Caesar beval de legioenen die hij vůůr de wal had opgesteld, wat vooruit te rukken.
De GalliŽrs die zich binnen de schansgordel bevonden werden nu evenzeer verschrikt. In de waan, dat zij dadelijk op hen afkwamen, riepen de GalliŽrs "te wapen"; sommigen drongen doodsbenauwd de vesting binnen. Vercingetorix beval de poorten te sluiten om de kampen niet te ontbloten. De Germanen doodden er velen, maakten een aantal paarden buit en trokken zich terug.

71 Vercingetorix besloot 's nachts al zijn ruiters weg te zenden, alvorens de Romeinen nog de laatste hand konden leggen aan de schanswerken. Bij hun vertrek beval hij ieder van hen naar zijn stam terug te keren en al de weerbare mannen voor de oorlog aan te werven. Hij wees hen op de diensten die hij hun bewezen had en bezwoer hen aan zijn leven te denken en hem, die zoveel had gedaan voor hun aller vrijheid, niet aan de folteringen van de vijand prijs te geven. Indien zij onvoorzichtig waren, zo zei hij, zouden tachtigduizend uitgelezen manschappen samen met hem om het leven komen. Alles wel beschouwd had hij graan voor nauwelijks dertig dagen, maar men kon het door spaarzaamheid nog wat langer uithouden.
Toen hij hun dat op het hart had gedrukt, zond hij, tijdens de tweede nachtwaak, de ruiters in stilte door een opening in onze schanslinie heen. Hij beval hun al het graan af te leveren en stelde de doodstraf vast voor wie niet gehoorzaamde. Het vee, dat talrijk was, werd door de MandubiŽrs samengedreven en hoofdelijk verdeeld, hij besloot het graan zuinig en op korte termijn uit te delen. Hij trok al de troepen, die hij vůůr de vesting had gelegd, in de vesting terug. Dank zij deze maatregelen stelde hij zich in staat op Gallische hulptroepen te wachten en de oorlog voort te zetten.

72 Toen Caesar dit van overlopers en gevangenen vernomen had, liet hij versterkingen van deze soort bouwen: hij deed een twintig voet brede gracht met loodrechte wanden graven, zodat de bodem er van juist zo breed was als de afstand tussen de beide opperste randen. Al de andere versterkingswerken liet hij vierhonderd pas achter die gracht aanleggen. Daar hij wel verplicht was zulk een grote ruimte te omwallen en men bezwaarlijk de ganse schanslinie rondom met soldaten kon bezetten, had dit tot doel te beletten dat een overmacht van vijanden onverhoeds 's nachts naar de schanswerken zou stormen of overdag werptuigen kon slingeren naar onze voor de schansarbeid bestemde manschappen. Op die afstand liet hij twee vijftien voet brede en even diepe grachten graven. De binnenste, in een lage veldstreek, liet hij vollopen met water, dat afgeleid was van de rivier. Daarachter bouwde hij een twaalf voet hoge wal met paalwerk, dat hij versterkte met een gekanteelde borstwering en grote gaffels die uitstaken tussen de dekschermen en de wal, om de vijand, bij het beklimmen er van, te stuiten. Rondom het gehele verdedigingswerk richtte hij torens op die tachtig pas van elkaar af stonden.

73 Men moest terzelfder tijd timmerhout en graan halen en zulke geweldige versterkingswerken aanleggen, ofschoon onze troepen, die zich nogal ver van het kamp verwijderden, sterk gedund waren.
Meer dan eens poogden de GalliŽrs onze versterkingswerken aan te tasten en van uit de vesting, langs verscheidene poorten, met alle macht een uitval te doen. Derhalve meende Caesar er nog versterkingen aan toe te moeten voegen om de schansen met des te minder soldaten te kunnen verdedigen. Daarom werden boomstammen of zeer dikke takken afgehouwen, hun toppen werden afgeschild en aangepunt. Doorlopende vijf voet diepe grachten werden gegraven. Daarin werden die stammen geslagen en van onderen vastgemaakt opdat men ze er niet zou kunnen uitrukken; zij staken er met hun takken uit. Er waren er vijf rijen die onderling waren verbonden en ineengestrengeld. Men noemde ze "grafstenen". Daarvůůr werden in schuine rijen, als de vijf op een dobbelsteen, drie voet diepe kuilen gegraven die, naar beneden toe, trechtervormig uitliepen. Daarin werden van boven aangepunte en gebrande stammen ter dikte van een dijbeen geslagen, zodanig, dat ze niet meer dan vier vingers boven de grond uitstaken.
Om ze terzelfder tijd stevig vast te leggen, werd in iedere kuil ťťn voet hoog aarde geworpen en vastgestampt. De rest van de kuil werd met wissen en struikgewas bedekt om de val te verbergen.
Acht dergelijke rijen werden aangelegd; ieder van hen op drie voet van de andere af. Men noemde ze "lelies" wegens hun gelijkenis met die bloem.
Daarvůůr werden zowat overal en op korte afstand van elkaar houten pinnen met ijzeren haken in hun volle lengte in de grond geslagen. Men noemde ze voetangels.

74 Na al deze werken te hebben uitgevoerd, koos hij, zover de gesteldheid van de bodem het hem toeliet, het meest gunstige terrein uit en voltooide een gelijkaardige versterkingslijn met een omtrek van veertien mijl, doch in tegenovergestelde richting van de eerste, tegen de vijand van buiten. Dit om het zelfs aan een grote overmacht onmogelijk te maken, ingeval de ruiters heengingen, de bezettingstroepen der versterkingen te omsingelen. En om niet gedwongen te zijn gevaar te lopen bij het verlaten van het kamp, beval hij iedereen voor dertig dagen voeder en graan in voorraad te hebben.

75 In de loop van deze gebeurtenissen bij Alesia hadden de GalliŽrs een vergadering der aanzienlijken belegd. Zij besloten, naar de mening van Vercingetorix, dat niet alle weerbare mannen moesten opgeroepen, maar dat men er van iedere stam een bepaald getal moest vorderen om te voorkomen dat, indien zulk een menigte samenstroomde, zij haar niet in toom zouden kunnen houden, hun eigen manschappen niet zouden kunnen onderscheiden en neit in staat zouden zijn de approviandering te regelen.
Van de HaeduŽrs en hun kliŽntenvolkeren, de Segusiaven, Ambivareten, Aulerken, Brannoviken, BlannoviŽrs vorderden zij vijfendertigduizend manschappen. Een zelfde aantal van de Arverners, waarbij zich de Eleuten, Cadurken, Gabalers en VellaviŽrs hadden aangesloten, die onder het gezag der Arverners plachten te leven. Van de Sequanen, Senonen, Biturigen, Santonen, Rutenen, Carnuten: ieder twaalfduizend. Van de Bellovaken: tienduizend. Evenveel van de Lemoviken. Van de Pictonen, Turonen, ParisiŽrs en HelvetiŽrs: ieder achtduizend. Van de Suessionen, Ambianen, Mediomatrikers, PetrocoriŽrs, NerviŽrs, Moriners, Nitiobrogen: ieder vijfduizend. Evenveel van de Aulerken en Cenomanen. Van de Atrebaten: vierduizend. Van de VeliocassiŽrs, LexoviŽrs en Eburovikische Aulerken: ieder drieduizend. Van de Rauraken en de Bojers ... [ ... ] ... en dertigduizend van al de stammen samen wier grondgebied aan de zee grenst en die zij plegen "Aremorische" te heten: onder hen bevinden zich de Coriosoliten, de Redonen, de AmbibariŽrs, de Caleten, de Osismers, de Veneten, de LexoviŽrs en de Venellers. De Bellovaken waren de enigen onder hen die het hun opgelegde contingent niet op de been brachten, omdat zij beweerden op eigen hand en zelfstandig oorlog tegen de Romeinen te zullen voeren en aan niemands gezag te zullen gehoorzamen. Op verzoek echter van Commius zonden zij, wegens hun gastvriendschap met hem, tweeduizend man.

76 Commius had Caesar, zoals wij vroeger gezegd hebben, in de vorige jaren trouwe en nuttige diensten bewezen in BrittanniŽ. Caesar had, ter vergelding van zijn diensten, zijn stam vrijgesteld van schatting en hem zijn onafhankelijkheid teruggeschonken en hij had aan Commius zelfs de Moriners toegewezen. Doch zo vurig was het algemeen verlangen van heel GalliŽ om de vrijheid te heroveren en de aloude oorlogsroem te herwinnen, dat zij zich niet stoorden aan weldaden of aan de herinnering hunner vriendschap en dat allen zich met hart en ziel op die oorlog toelegden.
Toen achtduizend ruiters waren verzameld, werden op het grondgebied der HaeduŽrs de ongeveer tweehonderdvijftigduizend voetknechten, waarvan hierboven sprake, opgesteld: een telling werd gehouden en de aanvoerders aangesteld. Het opperkommando werd opgedragen aan de Atrebaat Commius, aan de HaeduŽrs Viridomarus en Eporedix, aan de Arverner Vercassivellaunus, een volle neef van Vercingetorix. Aan hen werden afgevaardigden dr stammen toegevoegd om hen bij het beleid van de oorlog met hun raadgevingen bij te staan.
Allen vertrokken blij te moede en vol zelfvertrouwen naar Alesia en er was niemand onder hen allen die niet meende, dat men het gezicht alleen van zulk een massa niet zou kunnen verdragen, vooral bij een gevecht op twee fronten, wanneer er van uit de vesting een uitvalsgevecht zou geleverd worden en men aan de buitenkant der vesting zulke sterke ruiterij- en voettroepen zou bemerken.

77 Doch toen de termijn, gedurende dewelke zij hun hulptroepen verwachtten, verstreken en al het graan op was, riepen de belegerden te Alesia, niet wetend wat er bij de HaeduŽrs gebeurde, een vergadering bijeen en beraadslaagden over hun uiteindelijk lot.
Verscheidene meningen werden bij hen uitgesproken: de enen stemden voor de overgave, anderen voor een uitval in afwachting dat er voldoende strijdkrachten waren. Meldenswaardig scheen het voorstel van Critognatus om zijn buitengewone, onuitsprekelijke wreedheid. Deze was een Arverner van zeer aanzienlijke afkomst, en hij ging door voor een man van groot gewicht. "Ik zal niet gewagen," zei hij, "van het voorstel van hen die schandelijke slavernij met de naam van overgave bestempelen, en ik meen ook niet dat zij als burgers mogen beschouwd of bij de vergadering mogen geraadpleegd. Met hen alleen wil ik te doen hebben die een uitval goedkeuren: in hun plan - daarin zijt gij hebt allen met mij eens - schijnt nog een spoor van uw aloude dapperheid te zijn overgebleven. Hongersnood een korte wijl niet te kunnen verdragen is weekheid des gemoeds, niet moed. Men vindt gemakkelijker lieden die zich vrijwillig aanbieden om te sterven dan om geduldig pijn te verdragen.
En ik zou dit voorstel goedkeuren, indien ik zag dat slechts ons leven verloren ging; doch laten wij, bij het treffen van een besluit, rekening houden met gans GalliŽ dat wij ter hulp ontboden hebben. Hoe zouden, meent gij, onze verwanten en broedervolkeren te moede zijn, indien tachtigduizend man op ťťn plaats waren gesneuveld en zij gedwongen waren, om zo te zeggen, te midden van hun lijken slag te leveren?
Berooft niet van uwe hulp degenen die, om u te redden, niet gelet hebben op eigen gevaar; stort niet geheel GalliŽ in het verderf, doem het niet tot eeuwige slavernij door uwe dwaze onbezonnenheid of door uwe zwakheid.
Of twijfelt gij aan hun trouw en volharding, omdat zij niet op de bepaalde dag zijn gekomen? Meent gij, dat de Romeinen iedere dag voor hun genoegen zich aftobben aan die achterste verschansingen? Indien gij niet aangemoedigd wordt door tijdingen van hen, omdat al de toegangswegen versperd zijn, neemt dan de Romeinen tot getuigen van hun komst, die hen zozeer met schrik vervuld, dat zij dag en nacht aan het werk zijn.
Wat is dan mijn voorstel? Te doen wat onze voorvaderen deden in een op verre na niet zo gevaarlijke oorlog als deze, die tegen de Kimbren en Teutonen: zij die in hun vestingen opeengedrongen zaten en leden, zoals wij nu doen, rekten hun leven met de lichamen van hen die om hun hoge leeftijd onbruikbaar schenen voor de oorlog, en zij gaven zich niet aan de vijand over.
Hadden wij daarvan nog geen voorbeeld, dan zou ik het toch roemrijk vinden, dat het omwille van de vrijheid voor de eerste maal gesteld en aan het nageslacht overgeleverd werd. Want hoezeer verschilde die oorlog niet van deze?
Toen GalliŽ verwoest was en een beslissende nederlaag had geleden, verlieten de Kimbren toch eindelijk ons land en gingen op zoek naar andere gronden: zij lieten ons onze rechten, onze wetten, onze velden en onze vrijheid.
Wat verlangen, wat willen de Romeinen anders dan zich uit afgunst in de velden en steden neerzetten van hen wier roem en sterkte zij in de oorlog hebben leren kennen en hen in eeuwige slavernij dompelen?
Nooit immers hebben zij met een ander doel oorlog gevoerd. Indien gij niet weet wat bij andere verafgelegen volkeren gebeurt, werpt dan een blik op het naburige GalliŽ dat tot een provincie is omgevormd, wiens rechten en wetten gewijzigd zijn, dat onderworpen is aan het Romeinse gezag en gebukt gaat onder het eeuwige slavenjuk."

78 Toen zij hun mening hadden uitgesproken, bepaalde zij, dat degenen die wegens ziekte of ouderdom niet bruikbaar schenen voor de oorlog, de vesting zouden verlaten en dat zij alle middelen zouden beproeven vooraleer in te gaan op Critognatus' voorstel. Toch zou men, indien de omstandigheden er hen toe dwongen en de hulptroepen nog langer uitbleven, eerder op dat voorstel ingaan dan zich een toestand van onderwerping of vrede te laten welgevallen.
De MandubiŽrs, die hen in hun vesting hadden opgenomen, werden gedwongen met vrouw en kinderen heen te gaan.
Toen zij dicht bij de versterkingswerken van de Romeinen waren gekomen, smeekten zij dezen allerdringendst en al wenend hen tot slaven te maken en hun eten te geven.
Doch Caesar liet de wal door wachtposten bezetten en verbood hen binnen te laten.

79 Ondertussen kwamen Commius en de andere aanvoerders aan wie het hoge commando was toevertrouwd, met al hun troepen bij Alesia aan, bezetten een heuvel buiten onze vestinggordel en legerden er op niet meer dan ťťn mijl van onze versterkingswerken af.
's Anderendaags lieten zij hun ruiterij uit het kamp rukken, en vulden er de ganse vlakte mede, die, zoals we zeiden, drie mijl breed was. Zij verwijderden hun infanterie wat van die plaats en stelden ze op de hoogten.
Van uit Alesia kon men de vlakte overzien: bij het zien van de hulptroepen liep men te hoop, wenste elkaar geluk, en allen werden met een levendige vreugde vervuld.
Derhalve deden zij hun troepen aantreden en gingen vůůr de vesting legeren: zij belegden de naastbije gracht met vlechtwerk, dempten ze met puin en bereidden zich voor op een uitval en op allerhande mogelijkheden.

80 Caesar plaatste zijn ganse leger op de beide flanken der versterkingslijn opdat, wanneer het nood deed, eenieder zijn hem toegewezen plaats zou kennen en bezetten. Hij beval de ruiterij uit het kamp te rukken en het gevecht aan te gaan.
Van uit al de kampen, die overal op de heuvelrug lagen, had men een goed uitzicht en al de soldaten wachtten gespannen op de afloop van het gevecht.
De GalliŽrs hadden tussen de ruiters hier en daar boogschutters en lichtgewapende manschappen zonder bagage geplaatst om hun kameraden, ingeval die weken, ter hulp te komen en de aanval van onze ruiters te stuiten. Velen (van onze ruiters) werden onverhoeds door hen gekwetst en verlieten het slagveld.
Toen de GalliŽrs meenden dat zij in de strijd de overhand zouden behalen en zij onze soldaten door een overmacht zagen bestoken, vuurden zij aan alle zijden (zowel degenen die binnen de schansgordel vertoefden als degenen die hun ter hulp gekomen waren) de moed van hun manschappen aan met geschreeuw en gehuil.
Daar de ganse operatie zich vůůr eenieders ogen afspeelde en noch heldendaad noch lafheid onopgemerkt kon blijven, verdubbelden de eerzucht en de vrees voor de schande den moed der beide partijen.
Toen men van 's middags tot zonsondergang had gestreden zonder een beslissing af te dwingen, voerden de Germanen op ťťn punt een charge uit in gesloten gelederen en dreven de GalliŽrs achteruit. Nadat dezen op de vlucht gedreven waren, werden de boogschutters omsingeld en neergehouwen.
Onze soldaten achtervolgden eveneens op andere punten de wijkenden tot aan het kamp en gaven hun de tijd niet om zich wederom te groeperen. Degenen die zich uit Alesia naar voren hadden begeven, hadden schier alle hoop op de overwinning laten varen en waren ontmoedigd: zij keerden terug in hun vesting.

81 Eťn dag verliep en de GalliŽrs die op die tijd een groot aantal horden, ladders en haken hadden vervaardigd, trokken te middernacht in stilte het kamp uit en naderden de versterkingswerken in de vlakte. Plots begonnen zij te schreeuwen om door dat signaal de belegerden in de vesting van hun komst te verwittigen. Zij maakten zich klaar om hun horden neer te werpen, onze mannen met slingerkogels, pijlen en stenen van de wal te verjagen en al de andere bestormingsmanoeuvres uit te voeren. Bij het horen van het geschreeuw gaf Vercingetorix terzelfder tijd zijn manschappen een hoornsignaal en rukte uit de vesting.
Onze mannen bestegen de versterkingswerken, zoals eenieder tijdens de vorige dagen zijn plaats was toegewezen.
Met slingerstenen die een pond wogen, met balken die zij op de schans hadden opgestapeld en met kogels dreven zij de GalliŽrs achteruit.
Toen de duisternis het uitzicht belemmerde, leden beide partijen gevoelige verliezen. De machines slingerden massa's werptuigen. Doch telkens als de legaten M. Antonius en G. Trebonius, aan wie de verdediging van die sector toegewezen was, zagen dat onze manschappen ergens in het nauw zaten, haalden zij soldaten uit de achterste schansen en stuurden hun die ter hulp.

82 Zolang de GalliŽrs nogal ver van de schanslinie af waren, behaalden zij, door hun massa werptuigen, nogal belangrijke voordelen. Toen zij echter dichterbij waren gekomen, spietsten zij zichzelf onverhoeds op de voetangels, vielen in de kuilen en werden doorstoken of sneuvelden doorboord met muursperen die van op de muur en van op de torens werden afgeschoten.
Toen zij overal zware verliezen hadden geleden, zonder door ťťn enkele versterking te zijn heengebroken, trokken zij zich bij dageraad op hun manschappen terug, uit vrees dat zij langs de onbedekte flank door een uitval uit de hoger gelegen kampen zouden worden overvleugeld. Maar terwijl de belegerden uitrukten met het materiaal dat Vercingetorix voor de uitval had doen gereedmaken, dempten zij de eerste grachten, doch zij verloren daarbij veel tijd en stelden vast, dat het ontzettingsleger zich had teruggetrokken vooraleer zijzelf de schanswerken waren genaderd. Daarom keerden zij onverrichter zake terug in hun vesting.

83 Tweemaal met zware verliezen teruggeslagen, beraadslaagden de GalliŽrs over hetgeen zij zouden doen. Zij haalden er lieden bij die de streek uitstekend kenden en wonnen inlichtingen in betreffende de ligging en de versterking der hoger gelegen kampen.
In het noorden verhief zich een heuvel die onze soldaten wegens zijn aanzienlijke omtrek niet in de verschansingslijn hadden kunnen omvatten. En ze hadden noodgedwongen op dat bijna effen, zachtglooiend terrein een kamp opgeslagen. Het was bezet door de legaten Gajus Antistius Reginus en Gajus Ganitius Rebilus met twee legioenen.
Toen zij de omstreken door hun verkennerstroepen hadden laten verkennen, kozen de vijandelijke aanvoerders uit het gehele leger zestigduizend man uit onder de stammen die het hoogst stonden aangeschreven om hun dapperheid. Zij stelden in het geheim het doel der operatie en de te volgen taktiek vast; zij bepaalden het ogenblik van de aanval omstreeks de middag. Aan het hoofd van die troepen stelden zij ťťn der vier opperbevelhebbers, de Arverner Vercassivellaunus, die verwant was met Vercingetorix.
Hij vertrok tijdens de eerste nachtwaak uit het kamp, legde tegen zonsopgang de mars af, verschool zich achter de berg en liet zijn soldaten uitrusten van de vermoeiende nachtmars. Toen het middaguur scheen aan te breken, rukte hij naar het bovengenoemde kamp op: terzelfder tijd naderden de ruiters de verdedigingswerken in de vlakte en de rest van de troepen vertoonde zich vůůr het kamp.

84 Vercingetorix zag zijn volk van op de burcht te Alesia en rukte uit de vesting. Hij deed de horden, staken, schutdaken, zeisen en al het andere materiaal, dat hij voor de uitval had doen klaarmaken, naar voren brengen. Men streed overal tegelijkertijd en al de punten werden aangevallen. Scheen een stelling zwakker dan de andere, dan liepen allen er heen. Het handvol Romeinen was over die geweldige versterkingslijn verstrooid en kon slechts moeilijk op verschillende punten weerstand bieden.
Het geschreeuw dat ontstond in de rug van onze soldaten droeg er veel toe bij om hen met vrees te slaan, daar zij bemerkten dat hun gevaarlijke positie afhing van de moed der anderen; inderdaad: juist het gevaar dat men niet voor ogen ziet, ontstelt doorgaans de mensen het meest.

85 Caesar, die een geschikte plaats had gevonden, zag wat er overal gebeurde. Hij zond hulp aan degenen die in gevaar verkeerden. Beide partijen kwam het voor dat dit het ogenblik onder alle was, waarop men zich het meest moest inspannen. De GalliŽrs wanhoopten aan alle behoud, indien zij de versterkingen niet doorbraken, de Romeinen verwachtten het einde van al hun inspanningen indien zij hun stellingen niet behielden. Het hardst had men het te verduren bij de hoogstgelegen versterkingen, waarheen men, zoals wij reeds zeiden, Vercassivellaunus had gestuurd. De geringe afhelling van het terrein was een gewichtige factor.
De enen wierpen met stenen projectielen, anderen vormden het schilddak en kwamen dichterbij; steeds verse manschappen losten de vermoeide af. Een belegeringsdam werd door allen tot bij de versterking opgeworpen: hij verschafte de GalliŽrs een toegangsweg en bedekte de hindernissen die de Romeinen in de grond hadden verborgen. Het ontbrak onze soldaten reeds aan wapens en ook de krachten schoten hun te kort.

86 Toen Caesar hiervan op de hoogte was gebracht, zond hij aan de in gevaar verkerende manschappen Labienus met zes cohorten ter hulp; hij beval hem, ingeval hij het niet kon uithouden, cohorten uit de versterkingswerken te halen en een uitvalsgevecht te leveren: dit mocht hij maar doen in geval van nood.
Caesar zelf begaf zich bij de anderen, spoorde hen aan het niet op te geven door vermoeienis, en wees er hun op, dat de vrucht van al hun vroegere gevechten van die dag en van dat uur afhing. Wegens de uitgebreidheid der versterkingswerken gaven de belegerden de bestorming van de schansen in de vlakte op, beproefden de beklimming van de steile hoogten en voerden het in gereedheid gebrachte materiaal daarheen.
Door een hagel van projectielen verdreven zij de verdedigers van de torens, dempten de grachten met puin en tenen horden en rukten met hun zeisen palissadering en borstwering af.

87 Caesar zond eerst de jonge Brutus met cohorten, daarna de legaat Gajus Fabius met andere manschappen, tenslotte, toen men nog hardnekkiger streed, bracht hij zelf verse troepen ter plaatse. Het gevecht werd hersteld, de vijanden werden verdreven en Caesar trok naar de plaats waarheen hij Labienus had gezonden. Hij haalde vier cohorten uit de naastbije schansen en beval een deel der ruiters hem te volgen, terwijl een ander de buitenste liniŽn zou omrijden en de vijand in de rug aantasten. Van het ogenblik af, dat wallen en grachten de aanval van de vijanden niet meer konden stuiten, verzamelde Labienus cohorten, die hij op goed geluk uit de naastbije posten had gehaald en bracht Caesar op de hoogte van de maatregelen die hij noodzakelijk achtte. Caesar haastte zich om aan het gevecht deel te nemen.

88 De kleur van zijn mantel - een onderscheidingsteken dat hij gewoonlijk in het gevecht droeg - verried zijn komst. De vijanden, die de hellingen en inzinkingen aan deze zijde konden zien, bemerkten de afdelingen ruiterij en de cohorten die Caesar bevolen had hem te volgen en zij begonnen het gevecht.
Aan weerszijden weerklonk geschreeuw beantwoord door kreten op den wal en in de versterkingswerken. Onze manschappen maakten geen gebruik van hun speer doch streden dadelijk met het zwaard. Plots dook onze ruiterij op in de rug; de cohorten naderden. De vijand sloeg op de vlucht: een geweldig bloedbad werd aangericht.
Sedullus, de aanvoerder en eerste burger der Lemoviken, sneuvelde; de Arverner Vercassivellaunus werd op zijn vlucht levend gevangengenomen, vierenzeventig veldtekens werden bij Caesar aangebracht, slechts weinigen van die grote massa keerden ongedeerd terug in het kamp. Wanneer zij van uit de vesting de slachting en de vlucht van hunne manschappen zagen, wanhoopten zij aan hun redding en trokken hun troepen van de verschansingen weg.
Op dat bericht begonnen de GalliŽrs dadelijk uit hun kamp te vluchten. Waren onze soldaten niet uitgeput geweest door het onophoudelijk heen en weer trekken om hulp te bieden en door de vermoeienissen van de ganse dag, zij hadden de gezamenlijke troepen van de vijand kunnen uitroeien. Omstreeks middernacht haalde de afgezonden ruiterij de achterhoede in, een groot deel waarvan werd gevangengenomen of gedood; de overigen verspreidden zich al vluchtend over de stammen.

89 's Anderendaags riep Vercingetorix een krijgsraad bijeen: hij wees er op, dat hij die oorlog had ondernomen niet om zijn eigen belangen te dienen maar wel om de gemeenschappelijke vrijheid te heroveren en daar men voor het noodlot moest zwichten, legde hij zijn lot in hunne handen, hetzij zij door zijn dood de Romeinen voldoening wilden schenken, hetzij zij hem levend wilden uitleveren.
Gezanten werden naar Caesar gestuurd om daarover te onderhandelen. Deze beval de wapens uit te leveren en de stamhoofden bij hem te brengen. Hij hield zitting in de versterkingswerken vůůr het kamp: de stamhoofden werden er heen gebracht. Vercingetorix werd uitgeleverd, de wapens aan Caesar's voeten neergeworpen. Caesar zonderde de HaeduŽrs en Arverners uit, voor het geval hij door hun toedoen hun stam kon herwinnen, en verdeelde de overige gevangenen - ťťn per hoofd - als buit onder het ganse leger.

90 Toen alles voorbij was, trok hij naar het land der HaeduŽrs en nam de onderwerping van de stam aan. De Arverners zonden hem daar gezanten: zij beloofden zijn bevelen te zullen uitvoeren. Hij vorderde een groot aantal gijzelaars en deed de legioenen hun winterkwartieren betrekken.
Ongeveer twintigduizend gevangenen schonk hij terug aan de HaeduŽrs en aan de Arverners. Hij beval Titus Labienus met twee legioenen en de ruiterij naar het land der Sequanen te vertrekken en voegde hem Marcus Sempronius Rutilus toe. De legaat Gajus Fabius en Lucius Minucius Balbus legde hij met twee legioenen bij de Remers om te verhinderen, dat dezen door de Bellovaken, hunne buren, werden verongelijkt. Gajus Antistius Reginus zond hij naar de Ambivareten, Titus Sextius naar de Biturigen, Gajus Caninius Rebilus naar de Rutenen, ieder met ťťn legioen.
Quintus Tullius Cicero en Publius Sulpicius legde hij te Cavillonum en te Matisco bij de HaeduŽrs op de oevers van de SaŰne: zij waren belast met de ravitaillering.
Caesar zelf besloot de winter door te brengen te Bibracte. Toen de gebeurtenissen van dat jaar door een brief van Caesar bekendgemaakt werden te Rome, werd daar een bidtijd van twintig dagen tot dank uitgeschreven.