|
Julius
Caesar
Gedenkschriften
van den Gallischen Oorlog
uit
het Latijn door Dr. J. J. Doesburg
Amsterdam.
S.L. van Looy / H. Gerlings
TWEEDE
BOEK
Dit
boek bevat den veldtocht tegen de Belgen (de Nerviërs), die eindigde
met Caesar's overwinning aan de Sabis (Sambre), en de onderwerping der
Armorische staten door den legaat P. Crassus. (57 v. Chr.)
1. Terwijl Caesar,
zooals gezegd, zich in Cisalpijnsch Gallië ophield, kwamen talrijke
geruchten tot hem, en ook berichtte Labienus het hem schriftelijk, dat
de gezamenlijke Belgen, die, naar wij vroeger hebben vermeld, het derde
deel der Galliërs uitmaken, een verbond tegen Rome sloten en elkaar
gijzelaars gaven. De beweeggronden daartoe waren vooreerst de vrees,
dat na de onderwerping van geheel Gallië, ons leger tegen hen zou
te velde trekken; vervolgens, dat zij door eenige Galliërs werden
opgeruid, die deels even ongaarne zagen, dat het Romeinsche leger in
Gallië overwinterde en er zich nestelde, als zij de Germanen niet
langer in hun land hadden willen dulden, deels uit lichtzinnigheid en
onbestendigheid naar een verandering der verhoudingen streefden. Bij
anderen weer deed zich de omstandigheid gelden, dat in Gallië de
machtige mannen, die de middelen hadden om soldaten te werven, zich
overal tot heeren des lands opwierpen, wat zij onder onze opperheerschappij
niet zoo gemakkelijk meer konden bereiken.
2. Op deze berichten
en tijdingen lichtte Caesar in Cisalpijnsch Gallië twee nieuwe
legioenen en zond ze onder den legaat Quintus Pedius met het begin van
den zomer naar het meer naar binnen gelegen Gallië. Hijzelf vertrok
naar het leger, zoodra er genoeg fourage was. Den Senonen en den overigen
Galliërs, die op de grenzen der Belgen wonen, droeg hij op, berichten
in te winnen over hetgeen er bij dezen voorviel en hem dienaangaande
in te lichten. Zij meldden allen eenstemmig, dat er legerbenden werden
bijeengetrokken en het leger op één punt werd vereenigd.
Toen meende Caesar zonder verwijl tegen hen te moeten optrekken. Na
den koorntoevoer geregeld te hebben, brak hij op en bereikte ongeveer
in vijftien dagen het gebied der Belgen.
3. Bij zijn onvoorziene
en onverwacht snelle aankomst zonden de Remers, die van de Belgische
volken het dichtst bij Gallië wonen, de eersten van hun staat,
Iccius en Andecombogius, als gezanten tot hem. Zij verklaarden, dat
de Remers zich met hun gansche have op genade en ongenade aan het Romeinsche
volk overgaven; dat zij niet met de overige Belgen eensgezind waren,
noch tegen de Romeinen een verbond hadden gesloten, en bereid waren
gijzelaars te stellen, gehoorzaamheid te bewijzen, hun steden voor hen
te openen en hun met koorn als anderszins behulpzaam te zijn. Al de
overige Belgen, zoo zeiden zij, stonden onder de wapenen. De Germanen
aan deze zijde van den Rijn hadden zich met hen vereenigd en er heerschte
zulk een dolle opgewondenheid bij hen allen, dat zij, de Remers, er
zèlfs niet in geslaagd waren, de Suessionen, hun broeders en
bloedverwanten, die onder hetzelfde recht, onder dezelfde wetten leefden
als zij, ja een en dezelfde regeering in oorlog en vrede hadden, van
deze verbinding af te houden.
4. Op zijn vraag,
welke staten en hoeveel er onder de wapenen en hoe groot hun strijdkrachten
waren, vernam Caesar van hem het volgende: "De meeste Belgen stamden
af van de Germanen, waren oudtijds over den Rijn gekomen, uitgelokt
door de vruchtbaarheid des lands, en hadden zich daar na verdrijving
der Galliërs, de vroegere bewoners, gevestigd. Zij waren het, die
alleen, ten tijde van onze voorvaderen, de Teutonen en de Kimbren, als
dezen geheel Gallië teisterden, van hun land wisten af te weren,
en zoo kwam het, dat zij, in de herinnering hieraan, van hun deugdelijkheid
in den oorlog een hoogen dunk en een groote inbeelding hadden. Aangaande
hun aantal, zeiden de Remers, waren zij volkomen nauwkeurig onderricht,
daar zij door hun gemeenschappelijke afstamming en verwantschap hadden
vernomen, hoeveel troepen elke stam op den algemeenen landdag der Belgen
voor dien oorlog had beloofd. Bovenaan stonden door dapperheid, invloed
en talrijkheid de Bellovakers, dezen konden 100.000 gewapenden op de
been brengen, waarvan zij er 60.000 uitgelezen manschappen hadden beloofd;
zij verlangden echter daarvoor de opperste leiding van den oorlog. De
buren der Remers, de Suessionen, bezaten de uitgestrekste en vruchtbaarste
akkers. Nog in onzen tijd was hun koning Diviciacus de machtigste vorst
in geheel Gallië geweest, die zoowel een groot deel van deze streken
als zelfs van Britannië heeft beheerscht. Nu was Galba koning;
wegens zijn rechtvaardigheid en omzichtigheid was men algemeen geneigd,
hem het opperbevel in den oorlog op te dragen. Hun gebied telde 12 steden
en zij hadden 50.000 gewapenden toegezegd; de Nerviërs, die onder
de Belgen zelf voor den wildsten stam golden en het verst verwijderd
woonden, even zooveel; de Atrebaten 15.000, de Ambianers 10.000, de
Moriners 25.000, de Menapiërs 7.000, de Caleten 10.000, de Veliocassers
en Viromanduers evenveel, de Aduatukers 19.000; de Condrusen, Eburonen,
Caeroesers, Paemaners, die men onder den algemeenen naam Germanen begrijpt,
schatten zij te zamen op ongeveer 40.000 man."
5.Caesar sprak den
Remers moed in en richtte vriendelijke woorden tot hen; hij beval hun
geheelen senaat tot hem te komen en verlangde de kinderen van hun vorsten
als gijzelaars. Dit alles werd nauwgezet op den bepaalden dag nagekomen.
Hijzelf stelde den Haeduër Diviciacus dringend voor oogen, hoe
gewichtig het was voor den staat en hun gemeenschappelijk welzijn, de
vereeniging der vijandelijke scharen te verhinderen, opdat men niet
te gelijker tijd met een zoo sterke macht moest strijden. Dat kon geschieden,
indien de Haeduërs met hun troepen in het gebied der Bellovakers
vielen en hun land verwoestten. Met deze opdracht liet hij hem gaan.
Middelerwijl hadden de Belgen al hun strijdkrachten vereenigd en rukten
nu tegen Caesar op; van de uitgezonden patrouilles en van de Remers
vernam hij, dat ze zelfs niet ver meer af waren. Derhalve trok hij met
zijn leger ijlings de Axona (Aisne) over, een grensrivier der Remers,
en sloeg daar zijn legerplaats op. Zoo beschermde hij door den over
der rivier één flank van zijn legerkamp, dekte zich den
rug voor den vijand en maakte, dat de transporten uit het gebied der
Remers en der andere staten zonder gevaar tot hem konden komen. Over
de rivier lag een brug; die bezette hij, terwijl hij aan den anderen
kant der rivier den legaat Quintus Titurius Sabinus met zes cohorten
achterliet. De legerplaats liet hij met een wal van twaalf voet hoog
en een gracht van achttien voet breed versterken.
6. Van deze legerplaats
was de Remische stad Bibrax acht mijlen verwijderd, welke stad de Belgen
op hun marschroute met groote onstuimigheid aantastten. Met moeite hield
zij 't dien dag nog uit. Galliërs en Belgen hebben dezelfde manier
om een stad aan te grijpen. Van alle kanten worden de muren door een
dichte menigte besprongen, dan worden van elk punt steenen er op geworpen;
is dan de muur van verdedigers ontbloot, dan vormen de aanvallers een
schutdak, steken de poorten in brand en ondergraven den muur. Dat ging
toen gemakkelijk, want bij zulk een regen van steenen en werpspiesen
kon niemand op den muur stand houden. Toen de nacht een einde aan den
aanval had gemaakt, zond de toenmalige bevelhebber der stad, de Remer
Iccius, een man van hoogen adel en aanzien in zijn staat, die ook bij
het vredesgezantschap van Caesar geweest was, een boodschap aan Caesar,
dat hij, kwam er geen hulp, het niet langer kon uithouden.
7. Caesar zond nu
ongeveer middernacht Numidiërs, Kretensische boogschutters en Balearische
slingeraars den belegerden te hulp, terwijl hij hun als geleiders de
boden medegaf, die hem door Iccius waren gezonden. Hun komst vervulde
eensdeels de Remers met hoop zich te kunnen staande houden en verhoogde
hun moed tot tegenstand, anderdeels benam zij om dezelfde reden den
vijand de hoop om de stad te vermeesteren. Zij verwijlden derhalve slechts
korten tijd bij de stad, verwoestten het land der Remers, staken alle
dorpen en woningen in brand, die zij konden bereiken, en rukten dan
met hun gansche strijdmacht los op Caesar's legerplaats. Op een afstand
van nog geen volle twee mijlen sloegen ze hun kamp op, dat, zooals men
uit den rook der wachtvuren kon zien, meer dan acht mijlen in de breedte
besloeg.
8. Aanvankelijk
besloot Caesar, deels wegens de overmacht des vijands, deels wegens
de hooge meening, die hij had van hun dapperheid, van een beslissenden
slag af te zien, maar toch stelde hij dagelijks door ruitergevechten
de dapperheid van den vijand en den moed der zijnen op de proef, waarbij
hij zag, dat wij den vijand niets toegaven. Het terrein vóór
de legerplaats was voor het opstellen van een leger in slagorde van
nature bijzonder geschikt. Want de hoogte, waarop het legerkamp was
opgeslagen, zich zachtkens uit de vlakte opheffende, breidde zich van
voren slechts zoover uit, dat een leger in slagorde haar geheel kon
bezetten. Rechts en links had zij steile hellingen, terwijl zij, in
het front zacht afloopend, zich langzaam in de vlakte verloor. Aan beide
zijden van dezen heuvel maakte hij een dwarsliggende gracht van ongeveer
400 schreden, aan welker einden hij schansen liet opwerpen en geschut
plaatste, opdat de vijanden hem niet bij hun overmacht gedurende den
slag in den flank en in den rug aangrepen. Hierop liet hij de twee pas
gelichte legioenen in de legerplaats achter, om ze, zoo noodig, als
reserve te kunnen gebruiken, en stelde de zes overige vóór
het legerkamp in slagorde. Ook de vijand had zijn troepen uit de legerplaats
gevoerd en opgesteld.
9. Beide legers
scheidde een niet uitgestrekt moeras. De vijand verwachtte, dat de onzen
daarover zouden gaan; wij echter stonden slagvaardig, om den vijand,
indien hij het eerst erover ging, aan te vallen, terwijl hij zich niet
weren kon. Intusschen werd er een ruitergevecht geleverd op het veld
tusschen de beide legers. Toen geen van beide partijen een begin ermee
maakte het moeras over te gaan, en het ruitergevecht voor de onzen nog
al gunstig was uitgevallen, voerde Caesar de zijnen in de legerplaats
terug. Terstond rukte de vijand uit zijn stelling bij de Axona, die,
zooals gezegd, achter onze legerplaats stroomde. Daar trachtte hij een
afdeeling van zijn troepen door de gevonden ondiepten over te voeren,
met de bedoeling, zoo mogelijk de schans, waar de legaat Quintus Titurius
het bevel voerde, te veroveren en de brug te vernielen, of, als zij
dit niet konden gedaan krijgen, ten minste het land der Remers, die
ons van goeden dienst in den oorlog waren, te verwoesten en ons den
toevoer af te snijden.
10. Op het bericht
van Titurius ging Caesar met al zijn ruiterij, de licht gewapende Numidiërs,
zijn slingeraars en boogschutters over de brug en op den vijand los.
Het kwam daar tot een hevig gevecht. De onzen grepen den vijand aan,
terwijl hij nog bezig was de rivier over te gaan, en doodden velen;
de overigen, die met de grootste onverschrokkenheid over de lijken der
gevallenen den stroom wilden overgaan, werden door een hagel van schoten
teruggedreven, en de voorsten, die aan den overkant gekomen waren, werden
door de ruiterij omsingeld en neergeveld. De vijanden zagen zich nu
in hun hoop om de stad (Bibrax) te nemen en de rivier over te steken
teleurgesteld; zij merkten te gelijk, dat wij in een minder gunstige
stelling geen slag aannamen, en de proviand begon hun te ontbreken.
Daarom riepen zij een krijgsraad bijeen en besloten, dat 't het beste
was, dat ieder naar huis terugkeerde, maar dat allen zich weder vereenigden
tot verdediging van dien staat, in welken de Romeinen het eerst een
inval zouden doen. Het was toch verkieselijker, in eigen dan in vreemd
land oorlog te voeren en den voorraad van levensmiddelen van het eigen
land te kunnen gebruiken. Tot dit besluit bracht hen, buiten en behalve
de andere oorzaken, ook het bericht, dat Diviciacus met de Haeduërs
in aantocht was tegen het gebied der Bellovakers; want dezen waren niet
te bewegen, langer te blijven en hun landgenooten zonder hulp te laten.
11. Overeenkomstig
dit besluit braken zij ongeveer met de tweede nachtwake onder veel gedruisch
en rumoer op, zonder bepaalde orde en leiding. Ieder wilde op den weg
vooraan zijn en haastte zich naar huis te komen, zoodat hun aftocht
op een vlucht geleek. Caesar ontving terstond door zijn verspieders
bericht hiervan, doch, dewijl hij de oorzaak van hun aftocht nog niet
wist, vreesde hij een krijgslist en hield daarom voetvolk en ruiterij
binnen de legerplaats. Met het krieken van den dag werd de aftocht door
kondschappers bevestigd, en nu zond hij zijn geheele ruiterij onder
bevel der legaten Quintus Pedius en Lucius Aurunculejus Cotta vooruit,
om de achterhoede op te houden. Den legaat Titus Labienus liet hij met
drie legioenen de ruiterij op den voet volgen. Zij vielen de achterhoede
aan, zaten haar verscheiden mijlen ver op de hielen en hieuwen een groote
menigte ervan op de vlucht neder. Terwijl het laatst komende gedeelte
der achterhoede, die men had ingehaald, halt maakte en dapper tegen
den aanval der onzen stand hiel, zocht de spits, omdat zij zich buiten
gevaar geloofde en noch door dwang, noch door eenig bevel werd bijeengehouden,
zoodra zij het geschreeuw achter zich hoorde, in volle wanorde haar
heil in de vlucht. Zoo doodden de onzen gedurende den ganschen dag zonder
eenig gevaar een groote menigte vijanden; eerst tegen zonsondergang
staakten zij de vervolging en gingen, zooals bevolen was, naar de legerplaats
terug.
12. Den volgenden
dag trok Caesar, nog voordat de vijanden van den schrik en de vlucht
waren bekomen, het gebied der Suessionen, de naaste buren der Remers,
binnen, en rukte in een sterken marsch haastig op naar de Stad Noviodunum
(Soissons). Hoorende, dat zij van verdedigers was ontbloot, wilde hij
haar terstond aangrijpen, maar wegens de breedte der gracht en de hoogte
der muren kon hij haar, ofschoon het getal verdedigers slechts gering
was, niet veroveren. Na zijn legerplaats te hebben verschanst, begon
hij de schutdaken aan te voeren en alle aanstalten tot een belegering
te maken. Ondertusschen verzamelde zich in den volgenden nacht de gansche
menigte Suessionen van hun vlucht in de stad. Snel werden de schutdaken
tegen de stad aangevoerd, de dam opgeworpen en torens opgericht. Deze
groote werken, waarvan de Galliërs vroeger nooit iets gezien of
gehoord hadden, en de vlugheid der Romeinen daarmede bewoog hen, gezanten
tot Caesar te zenden, om over de overgave te onderhandelen. Op voorspraak
der Remers werden zij begenadigd.
13. Caesar liet
zich door hen de voornaamsten van den staat en onder dezen de beide
zonen van hun koning Galba als gijzelaars geven, benevens alle wapenen,
die in de stad voorhanden waren, uitleveren; daarna nam hij de onderwerping
der Suessionen aan en rukte op tegen de Bellovakers. Dezen hadden zich
met al hun have naar de stad Bratuspantium (Beauvais) begeven. Nauwelijks
nog ongeveer vijf mijlen was Caesar van de stad verwijderd, of alle
oudere lieden kwamen hem te gemoet, hieven de handen tot hem op en trachtten
hem door geroep te verstaan te geven, dat zij zich aan hem op genade
en ongenade overgaven en niet tegen de Romeinen wilden strijden. En
toen Caesar voor de stad gekomen was en een legerplaats daar opsloeg,
strekten ook vrouwen en kinderen op den muur hun handen naar hem uit
en smeekten zoo naar Gallisch gebruik de Romeinen om vrede.
14. Te hunnen gunste
sprak Diviciacus, die na den aftocht der Belgen de troepen der Haeduërs
had ontslagen en naar Caesar was teruggekeerd. "De Bellovakers
waren te allen tijde trouwe vrienden der Haeduërs geweest. Hun
vorsten hadden hen opgehitst door te zeggen, dat de Haeduërs door
Caesar tot slaven waren gemaakt en dat zij alle mogelijke vernedering
en smaad verduurden, en zoo waren zij van de Haeduërs afgevallen
en hadden den Romeinen den oorlog aangedaan. De aanstokers van dat besluit
waren, wijl zij zagen, welk een ongeluk zij over den staat hadden gebracht,
naar Britannië gevlucht. Niet alleen de Bellovakers, maar ook de
Haeduërs als hun voorspraak baden hem, grootmoedigheid en goedertierenheid
jegens hen te betrachten. Daardoor zou hij het aanzien der Haeduërs
bij alle Belgen vergrooten, door wier hulp en bijstand zij zich, bij
het uitbreken van een oorlog, plachten staande te houden."
15. Caesar antwoordde
hierop, dat hij uit achting voor Diviciacus en de Haeduërs hun
onderwerping in genade wilde aannemen. Hij verlangde echter wegens het
grote aanzien van hun staat bij de Belgen en wegens hun groot bevolkingscijfer
600 gijzelaars. Toen deze gesteld en alle wapens uit de stad bijeengebracht
waren, rukte hij van daar het gebied der Ambianers binnen, die zich
met al het hunne zonder verwijl overgaven. Aan dezen grensden de Nerviërs,
van wier aard en zeden Caesar bij zijn navorsching daaromtrent het volgende
hoorde:
Bij hen mochten geen kooplui over de grenzen komen; de invoer van wijn
en van andere zaken van weelde was verboden, omdat daardoor - zoo meenden
zij - hun moed verslapte en hun dapperheid afnam. Zij waren wild en
dapper; zij scholden en schimpten op de overige Belgen, die zich aan
de Romeinen hadden overgegeven en de geërfde dapperheid der vaderen
verloochenden. Zij waren vast besloten, noch gezanten te zenden, noch
voorslagen van vrede, welke ook, aan te nemen.
16. Toen Caesar
een marsch van drie dagen door hun land had gemaakt, vernam hij van
de krijgsgevangen, dat de Sabis (Sambre) van zijn legerplaats niet meer
dan tien mijlen verwijderd was; dat de geheele strijdmacht der Nerviërs
aan gene zijde dier rivier was gelegerd en daar, vereenigd met hun naburen
de Atrebaten en Veromanduërs, de Romeinen afwachtte; want deze
beide volken hadden zij overreed, gemeenschappelijk met hen het oorlogsgeluk
te beproeven. Zij verwachtten ook nog de Aduatukers, die reeds op marsch
waren. Vrouwen, en al wie om hun leeftijd niet bruikbaar waren in den
oorlog, hadden zij in allerijl op een plaats gebracht, die wegens de
moerassen voor een leger ontoegankelijk was.
17. Hierop zond
Caesar patrouilles en centurio's vooruit, om een geschikte plek voor
een legerplaats uit te zoeken. Van de onderworpen Belgen en de andere
Galliërs sloten er zich verscheidenen bij Caesar aan en maakten
den marsch mede. Eenigen van hen wisten, nadat zij zich met de marschorde
van ons leger gedurende die dagen bekend hadden gemaakt, zooals men
later van krijgsgevangenen vernam, 's nachts naar de Nerviërs te
ontkomen en deelden hun mede, dat een groote legertrein tusschen elke
twee legioenen marcheerde. Men kon daarom gemakkelijk het eerste legioen
bij zijn aankomst in de legerplaats, terwijl het zijn pakkage nog droeg,
en de overige legioenen nog ver achter waren, aanvallen. Was dan het
eerste legioen geslagen en de dit legioen volgende tros geplunderd,
dan zouden de overige legioenen het niet wagen weerstand te bieden.
Ter aanbeveling van dit plan der verraders droeg nog het volgende bij.
Van oudsher beteekent de ruiterij bij de Nerviërs niet veel, want
ook tot dusver stellen zij er geen prijs op, en hun gansche sterkte
bestaat in hun voetvolk. Om nu des te gemakkelijker de ruiterij hunner
naburen bij haar strooptochten af te weren, hadden zij jonge boomen
gekapt en neergebogen, zóó dat die aan de zijden nog talrijke
takken lieten ontspruiten, en daartusschen plantten zij braam- en doornstruiken.
Op die wijze vormden deze heiningen bolwerken, alsof 't wallen waren,
door welke men niet alleen niet binnendringen, maar zelfs met den blik
niet doordringen kon. Daar nu hierdoor ons leger op zijn marsch werd
opgehouden, meenden de Nerviërs bovengenoemd plan niet ongebruikt
te moeten laten.
18. De natuurlijke
gesteldheid van het oord, dat de onzen voor hun legerplaats hadden uitgezocht,
was aldus. Een heuvel helde, gelijkmatig van boven afloopend, naar de
boven vermelde rivier de Sabis. Tegenover dezen heuvel en aan de andere
zijde der rivier gelegen verhief zich een andere met gelijke glooiing;
aan den voet was hij over ongeveer tweehonderd schreden kaal, boven
met bosch begroeid, zoodat men er niet gemakkelijk kon doorzien. Binnen
deze wouden hielden de vijanden zich verborgen; op het open terrein
langs de rivier werden slechts enkele ruiterposten gezien. De rivier
was ongeveer drie voet diep.
19. Caesar liet
zijn ruiterij vooraangaan en volgde met zijn gansche leger; maar zijn
marschorde was een andere, dan de Belgen aan de Nerviërs hadden
overgebracht. Want omdat hij den vijand naderde, liet hij, volgens zijn
gewoonte, zes legioenen zonder bagage en tros vooraan marscheeren. Op
deze volgde de trein van het geheele leger, dan sloten de twee kort
geleden gelichte legioenen den ganschen troep, te gelijk tot dekking
van den tros. Onze ruiters gingen met de slingeraars en boogschutters
over de rivier en begonnen met de vijandelijke ruiterij een gevecht.
Deze trok zich herhaaldelijk in de bosschen tot de haren terug, deed
dan weder daaruit een aanval op de onzen, die het niet waagden de vluchtenden
verder na te zetten, dan tot zoover als het open terrein zich uitstrekte.
Ondertusschen begonnen, nadat de ruimten voor de afzonderlijke legerafdeelingen
waren afgemeten, de het eerst aangekomen legioenen de legerplaats te
verschansen. Zoodra nu de vijanden in het bosch de spits van den trein
van ons leger zagen aankomen - dit was het afgesproken oogenblik tot
den aanval - stormden zij plotseling, zooals zij zich in het woud in
rij en gelid hadden gesteld en zichzelf moed hadden ingesproken, met
hun gansche strijdmacht te voorschijn en wierpen zich op onze ruiterij.
Deze werd gemakkelijk geslagen en voortgejaagd en nu stortten zij zich
met ongelooflijke snelheid in de rivier, zoodat zij bijna op hetzelfde
oogenblik als zij uit het woud te voorschijn kwamen, in de rivier en
reeds in onze onmiddellijke nabijheid werden gezien. Met dezelfde snelheid
stormden zij bergopwaarts los op onze legerplaats en de soldaten, die
met den schansarbeid bezig waren.
20. Caesar zou alles
te gelijker tijd hebben moeten doen: de roode vaan op de veldheerstent
opsteken, het teeken, om naar de wapens te grijpen; het signaal met
de trompet geven; de soldaten van den schansarbeid roepen; hen, die
zich wat verden hadden verwijderd om hout te bekomen, laten halen; het
leger in slagorde stellen; de soldaten aanspreken; het teeken tot den
aanval geven. Dit alles moest echter grootendeels wegens gebrek aan
tijd en het snelle oprukken van den vijand worden nagelaten. In deze
moeilijke omstandigheden kwamen Caesar twee omstandigheden te hulp:
vooreerst de oorlogskennis en ervaring onzer soldaten, dat zij namelijk
in vorige gevechten geleerd hadden, wat geschieden moest uit eigen beweging
evenzoo goed uit te voeren, als het hun van hooger hand kon worden verordend;
en dan, dat Caesar bevolen had, dat geen legaat zich van den schansarbeid
en van zijn legioen zou verwijderen, voor de versterking van het kamp
geheel gereed was. Deze legaten wachtten bij de nabijheid en het snelle
voortdringen der vijanden niet eerst op bevelen van Caesar, maar troffen
uit zichzelf de noodige maatregelen.
21. Caesar gaf daarom
slechts de noodigste bevelen en snelde, om zijn soldaten moed in te
spreken, daarheen, waar het toeval het wilde. Zoo kwam hij bij het tiende
legioen. Hij hield geen lange toespraak, maar herinnerde de soldaten
aan hun oude dapperheid; zij moesten zich daarom niet uit het veld laten
slaan en moedig den aanval der vijanden uithouden. Wijl dezen ondertusschen
tot op een speerworp genaderd waren, gaf hij het teeken tot den aanval.
Daarop ijlde hij naar de andere zijde, om eveneens den soldaten moed
in te spreken, doch hij vond hen reeds in vollen kamp. De tijd was zoo
kort, de vijand zoo begeerig naar den slag, dat men niet eens tijd had
gehad, om de onderscheidingsteekenen van den dienst aan te doen, ja,
zelfs niet, om de helmen op te zetten en de overtrekken van de schilden
te rukken. Ieder sloot zich bij die afdeeling aan, waar hij van den
schansarbeid toevallig kwam en waar hij het eerst een veldteeken zag,
ten einde niet, door te zoeken naar het zijne, tijd voor het gevecht
te verliezen.
22. Het leger was
opgesteld, meer, zooals de gesteldheid van de plaats, de helling van
den heuvel en de drang der omstandigheden het eischten, dan naar de
grondstellingen en regelen der krijgskunst. De legioenen namelijk, van
elkander gescheiden, maakten, het eene hier, het andere daar, tegen
den vijand front, en de boven vermelde dichte heiningen tusschen hen
benamen het vrije uitzicht. Men kon daarom geen zekere reserven opstellen,
noch overal de noodige voorzorgen nemen, en evenmin was de eenheid van
leiding mogelijk. Bij zulke ongunstige verhoudingen moesten veelvuldige
wisselingen van het krijgsgeluk plaats vinden.
23. Het negende
en tiende legioen, die op den linkervleugel stonden, grepen de Atrebaten
aan, wien deze post was ten deel gevallen. De onzen, na de werpspiesen
tegen hen geslingerd te hebben, dreven hen, die door het loopen en door
vermoeienis buiten adem en door hun wonden uitgeput waren, snel van
de hoogte naar de rivier, zetten hen, als zij den overgang waagden,
met het zwaard in de hand na en hieuwen een groote menigte haast zonder
verweer neder. Zijzelf staken zonder aarzelen over de rivier en drongen
voorwaarts, tot zij op een ongunstig terein kwamen. Daar boden de vijanden
opnieuw tegenstand, doch werden na een nieuw gevecht nogmaals op de
vlucht gedreven. Evenzoo sloegen op een ander punt twee verschillende
legioenen, het elfde en het achtste, de Viromanduërs, met wie zij
waren handgemeen geraakt, van de hoogte naar beneden en vochten nog
aan den oever der rivier. Maar daar bijna onze geheele legerplaats van
voren en aan de linkerzijde ongedekt was, terwijl op den rechtervleugel
het twaalfde en niet ver daar vandaan het zevende legioen stond, zoo
rukten de Nerviërs met hun geheele stijdmacht, in dichte drommen
onder aanvoering van hun opperbevelhebber Boduognatus, naar dat punt.
Een deel van hen greep de legioenen op de ongedekte rechterflank aan,
een ander deel trachtte het hoogst gelegen punt van het legerkamp te
bereiken.
24. Terzelfder tijd
stootten onze ruiters en het lichte voetvolk met hen, die, als gezegd,
bij den eersten aanval der vijanden teruggeworpen waren, op hun terugtocht
naar het legerkamp, weder op den vijand en namen dan opnieuw in een
andere richting de vlucht. Ook de treinknechten, die van de poort aan
de achterzijde der legerplaats en van den kam des heuvels de onzen als
overwinnaars de rivier hadden zien overtrekken, en om te plunderen uit
de legerplaats waren gegaan, verstrooiden zich in wilde vlucht, toen
zij omzagen en den vijand reeds midden in ons kamp aanschouwden. Te
gelijk verhief zich een geschreeuw en een getier bij hen, die met den
tros nog in aantocht waren; zij stoven naar alle kanten uit elkander
in de grootste verwarring. Dit alles maakte zeer grooten indruk op de
ruiterij der Trevirers, die bij de Galliërs in den roep staan van
buitengewone dapperheid, en die zich als hulptroepen van hun staat bij
Caesar gevoegd hadden. Toen zij namelijk zagen, dat onze legerplaats
door een menigte vijanden werd overstroomd, onze legioenen werden in
't nauw gebracht en bijna ingesloten, dat treinknechten, ruiters, slingeraars,
Numidiërs verstrooid en verspreid naar alle kanten een heenkomen
zichten, reden zij, onze zaak verloren achtende, naar huis en brachten
hun landgenooten het bericht, dat de Romeinen waren geslagen en de vijanden
zich van hun legerplaats en hun bagage hadden meester gemaakt.
25. Caesar had zich
na zijn aanspraak aan het tiende legioen naar den rechtervleugel begeven.
Daar vond hij de zijnen in de engte gedreven. De veldteekens waren dicht
naast elkander opgesteld, de soldaten van het twaalfde legioen op elkaar
gedrongen en zichzelf bij het gevecht hinderlijk; alle centurio's van
de vierde cohorte, benevens de vaandrig gesneuveld, het vaandel verloren,
bijna alle centurio's der overige cohorten gewond of dood. Ook de dappere
primipilus Publius Sextius Baculus was wegens zijn vele zware wonden
buiten staat zich staande te houden. Alle overigen waren mat, en sommigen
in het achterste gelederen trokken zich reeds uit het gevecht terug
en ontweken de werpspiesen, terwijl de vijand zonder ophouden tegen
het front den heuvel opdrong en te gelijk de beide flanken bedreigde.
Het was er alzoo hachelijk mee gesteld, en een reserve om ter hulp te
zenden ontbrak. Daar nam Caesar, wijl hijzelf geen schild bij zich had,
dat van een soldaat uit de achterste gelederen, spoedde zich naar het
front, riep de centurio's ieder bij hun naam, en vuurde de overige soldaten
door een toespraak aan; daarna beval hij voorwaarts ten aanval te marcheeren
en de rotten te openen, om ongehinderd het zwaard te kunnen gebruiken.
Zijn verschijnen deed de soldaten hoop scheppen en weer moed vatten.
Ieder wilde voor zijn deel onder de oogen des veldheers, ook trots het
grootste gevaar voor zichzelf, zich dapper gedragen, en zoo werd het
voortdringen der vijanden eenigszins gestuit.
26. Toen Caesar
ook het zevende legioen, dat naast het twaalfde stelling had genomen,
eveneens door den vijand in 't nauw gebracht zag, gaf hij den krijgstribunen
bevel, de legioenen langzamerhand samen te trekken en na een zwenking
den vijand aan te grijpen. Daar nu hierdoor onze troepen elkaar wederkeerig
ondersteunden en niet meer behoefden te vreezen, dat zij in den rug
door den vijand zouden worden aangegrepen, begonnen zij moediger weerstand
te beiden en dapperder te vechten. Ondertusschen hadden de soldaten
der twee legioenen, die in de achterhoede den trein hadden gedekt, van
het gevecht vernomen, waren in stormpas toegesneld en werden reeds op
de kam van den heuvel door den vijand gezien. Ook Titus Labienus, die
zich van het vijandelijk kamp meester gemaakt en van de hoogten gezien
had, wat in onze legerplaats voorviel, zond ons het tiende legioen te
hulp. Toen deze soldaten uit de vlucht der ruiters en treinknechten
ontwaarden, hoe de zaken stonden en in welk gevaar zich legerplaats,
legioenen en veldheer bevonden, snelden zij in allerijl toe.
27. Met hun komst
namen de dingen zulk een keer, dat de onzen, zelfs zij, die, door hun
wonden uitgeput, waren neergevallen, steunende op hun schilden, den
kamp vernieuwden; zelfs de treinknechten, de ontsteltenis der vijanden
ziende, gingen, ongewapend, den gewapenden te gemoet; de ruiters echter,
om de schande hunner vlucht door hun dapperheid uit te wisschen, waren
overal in het gevecht, ten einde boven de legioensoldaten uit te munten.
Maar ook de vijanden legden een buitengewone dapperheid aan den dag,
schoon de hoop op redding verloren was. Toen de voorsten waren gevallen,
gingen de volgenden op hen staan en streden op hun lichamen; en als
ook dezen waren neergehouwen en de lijken zich ophoopten, wierpen zij
die nog over waren, als van een heuvel, hun pijlen en slingerden onze
opgevangen werpspiesen terug. Men moest inderdaad toegeven, dat zulke
dapperen niet te vergeefs het gewaagd hadden een zoo breede rivier over
te steken, buitengewoon hooge oevers te beklimmen, naar een zoo ongunstige
stelling bergopwaarts te rukken; - moeilijkheden, welke hun hooge moed
glansrijk had overwonnen.
28. Na dezen slag,
waarin het Nervische volk en de Nervische naam bijna volkomen vernietigd
was, erkenden de grijsaards, die, zooals wij gezegd hebben, met de vrouwen
en kinderen zich in allerijl naar de lage streken en moerassen begeven
hadden, zoodra hun de tijding ervan gewerd, dat den overwinnaars niets
meer in den weg stond en voor de overwonnenen geen redding meer bestond.
Met algemeene overeenstemming van alle overlevenden zonden zij derhalve
gezanten aan Caesar en gaven zich aan hem over, waarbij zij in de schildering
van het ongeluk van hun staat zeiden, dat van hun 600 senatoren nog
drie en van de 60.000 mannen, die de wapenen konden hanteeren, nauwelijks
500 over waren. Caesar trok zich hunner op 't ijverigst aan, om zijn
medelijden met ongelukkigen en smeekelingen te toonen. Hij veroorloofde
hun, in hun land en in hun steden te blijven en verbood hun naburen,
hun geweld aan te doen en vijandelijkheden jegens hen te plegen.
29. De Aduatukers,
waren, als boven gezegd, met hun geheele strijdmacht tot bijstand der
Nerviërs opgebroken. Maar op het bericht van dezen slag keerden
zij midden in hun marsch naar huis terug, gaven al hun steden en burchten
prijs en wierpen zich met al hun have in één stad, die
van nature uitstekend bevestigd was. Terwijl zij rondom aan alle overige
kanten zeer hooge rotsen en steile wanden had, was zij aan éénen
kant ter breedte van niet meer dan tweehonderd voet langs een zacht
oploopenden weg toegankelijk. Dit punt hadden zij door een dubbelen,
zeer hoogen muur versterkt; verder brachten zij zware rotsblokken en
van voren met een punt voorziene balken op den muur. Zijzelf stamden
af van de Kimbren en Teutonen. Dezen hadden namelijk, toen zij naar
onze provincie en Italië opbraken, de bagage, die zij niet met
zich konden voeren, met een wacht en een bedekking van 6000 man aan
deze zijde van den Rijn achtergelaten. Na den ondergang der Kimbren
en Teutonen werden zij door de nabuurvolken aangegrepen, en vele jaren
lang weerden zij zich, nu eens zelf aanvallenderwijze te werk gaande,
dan weer zich tot de verdediging beperkende, totdat er eindelijk vrede
kwam en zij met algemeene instemming deze streek tot hun woonplaats
namen.
30. Bij het verschijnen
van ons leger deden zij talrijke uitvallen uit de stad en maten zich
in kleine gevechten met de onzen. Caesar liet daarop de veste met een
muur van twaalf voet hoog en vijftien mijlen in omvang, benevens talrijke
schansen insluiten. Nu bleven zij binnen de stad. Toen echter de schutdaken
waren aangevoerd, de wal opgeworpen was en zij nu in de verte een toren
zagen opbouwen, begonnen zij eerst van den muur af daarmee te spotten
en te schimpen: waartoe een zoo groot werk zoover van de stad werd opgericht;
met wat voor handen of krachten zulke kleine menschen nog wel - want
gewoonlijk zien alle Galliërs, groot van gestalte als zij zijn,
met geringschatting op onze kleine gestaltes neer - zich verbeeldden
een zoo zwaren toren tegen hun muren te brengen.
31. Toen zij echter
zagen, dat de toren werkelijk zich bewoog en dichter bij de muren kwam,
zonden zij, verontrust door dit wonderbare en ongewone schouwspel, gezanten
naar Caesar, die ongeveer het volgende zeiden: ,,De Aduatukers hielden
zich overtuigd, dat de Romeinen met den bijstand der Goden oorlog voerden,
daar zij zoo groote machines met zulk een groote snelheid konden voortbewegen.
Zij waren daarom bereid, zich met have en goed op genade en ongenade
over te geven. Dit ééne slechts baden en smeekten zij:
indien Caesar soms in zijn grootmoedigheid en goedertierenheid, die
zijzelf door anderen hadden hooren roemen, het volk der Aduatukers wilde
in stand houden, dat hij hen dan niet zou ontwapenen. Alle grensvolken
bijna waren hun vijandig en ijverzuchtig op hun dapperheid; zij zouden
zich door het overgeven van hn wapenen tegen hen niet kunnen verdedigen.
Moest het zoover met hen komen, dan gaven zij er de voorkeur aan, alles
van het Romeinsche volk te dulden, dan zich te laten doodmartelen door
lieden, onder wie zij tot dusver gewoon waren geweest te heerschen."
32. Daarop antwoordde
Caesar: hij zou hen, meer omdat 't zijn gewoonte was, dan omdat zij
't verdienden, met verschooning behandelen, indien zij zich vóór
den eersten stoot van der stormram tegen hun muren overgaven; maar hij
nam hun onderwerping alleen aan onder de voorwaarde, dat zij de wapenen
uitleverden. Wat hij bij de Nerviërs had gedaan, wilde hij ook
bij hen doen en den naburen bevelen, zich van vijandelijkheden tegen
een aan Rome onderworpen staat te onthouden. Toen de afgezanten dit
aan hun medeburgers hadden bericht, verklaarden deze aan het bevel te
willen gehoorzamen. Men wierp dien ten gevolge massa wapenen van den
muur in den gracht vóór de stad, zoodat de opgehoopte
wapenen bijna geheel de hoogte van den muur en van onzen opgeworpen
dam bereikten; en toch was ongeveer het derde deel, zooals later uitkwam,
verheimelijkt en in de stad achtergehouden. De poorten werden geopend
en op dien dag hielden zij vrede met ons.
33. Tegen den avond
liet Caesar de poorten sluiten en de soldaten uit de stad gaan, opdat
de inwoners des nachts niet aan eenige gewelddadigheid van hen zouden
zijn blootgesteld. De Aduatukers hadden reeds vooraf, zooals later bleek,
hun besluit genomen, in den waan, dat wij na de overgave der plaats
onze wachtposten zouden intrekken, of minstens ze zorgeloos bezetten.
Zij deden dan, deels voorzien van de wapenen, die zij hadden achtergehouden
en verborgen, deels van schilden uit boombast en vlechtwerk, die zij
in allerijl, zooals de korte tijd het eischte, met huiden hadden overtrokken,
met hun gansche strijdmacht omtrent de derde nachtwake plotseling een
uitval, aan den kant, waar onze verschansingen het gemakkelijkst schenen
te beklimmen. Spoedig werden, zooals Caesar vooruit met het oog op dergelijke
gebeurtenis had bevolen, vuursignalen gegeven en dadelijk snelden de
troepen uit de naaste schansen naar het bedreigde punt. De vijanden
vochten zoo moedig tegen hen, die van wal en torens hen beschoten, als
van dappere mannen, bij het laatste uitzicht op redding, in een ongunstige
stelling, was te verwachten, daar alleen op hun dapperheid al hun hoop
op redding berustte. Toch werden zij met een verlies van ongeveer vier
duizend man in de stad teruggeworpen. Den volgenden dag liet Caesar
de poorten, zonder dat iemand tegenstand bood, openbreken en onze soldaten
binnenrukken; alle inwoners en hun have verkocht hij als oorlogsbuit.
De koopers gaven hem het getal der verkochte inwoners op als bedragende
53.000.
34. Ter zelfder
tijd ontving hij tijding van Publius Crassus, die hij met één
legioen tegen de Veneters, Venellers, Osismers, Coriosolieten, Esubiërs,
Aulerkers en Rhedonen, - zeestaten aan den Atlantischen oceaan - gezonden
had, dat al die volken onder Rome's heerschappij en opperhoogheid waren
gebracht.
35. Toen geheel
Gallië na deze krijgsdaden bedwongen was, verbreidde zich een zoo
groote roep over dezen oorlog bij de barbaren, dat de volken aan gene
zijde van den Rijn gezanten tot Caesar zonden en beloofden gijzelaars
te geven en gehoorzaamheid te betoonen. Caesar beval deze gezantschappen
met het begin van den volgenden zomer bij hem terug te keeren, omdat
hij op het punt stond naar Italië en Illyrië te gaan. Daarop
legde hij de legioenen bij de Carnuten, Anden en Turonen, in wier nabuurschap
de oorlog was gevoerd, in de winterkwartieren en vertrok zelf naar Italië.
Op zijn bericht over deze gebeurtenissen, werd tot het houden van een
dankfeest van vijftien dagen besloten; een eer, welke tot dat tijdstip
nog aan niemand was te beurt gevallen.
|