Caesar De Bello Gallico I.25

Nadat Caesar eerst zijn eigen paard, (en) daarna de paarden van alle (andere officieren) uit het zicht had verwijderd, om de hoop op een vlucht weg te nemen, doordat het gevaar voor allen nu gelijk was, spoorde hij zijn mannen aan en bond de strijd aan.
Nadat zij van een hoger gelegen plaats werpspiezen hadden geworpen, doorbraken de soldaten makkelijk de slaglinie van de vijanden. Toen die uiteengeslagen was, deden zij met getrokken zwaarden een aanval op hen. Voor de Galliërs was een grote handicap bij het gevecht, dat meer schilden van hen door één treffer van de werpspiezen waren doorboord en aan elkaar geregen (ablabs), (en) zij die niet konden losrukken, doordat het ijzer was verbogen, en zij met belemmerde linkerarm niet makkelijk genoeg konden vechten, zodat velen, na een lange tijd hun arm te hebben geschud, er de voorkeur aan gaven hun schild weg te gooien en met onbedekt lichaam te vechten. Uiteindelijk, uitgeput door hun wonden, begonnen zij terug te wijken en, omdat er vlakbij op ongeveer één mijl een berg was, zich daarheen terug te trekken.
Toen de berg was bezet en terwijl onze mannen hen achternazaten, vielen de Boi en Tulingi, die met ongeveer 15 duizend man de achterhoede van de vijanden vormden en de achterste gelederen tot dekking waren, vanuit de marsorde onze mannen aan de open flank aan en omsingelden hen. En toen de Helvetii, die zich naar de berg hadden teruggetrokken, dit hadden opgemerkt, begonnen zij opnieuw op te dringen en het gevecht te hernieuwen. De Romeinen maakten een zwenking en vielen op twee fronten aan: de eerste en tweede linie, om weerstand te bieden aan de (eerder) overwonnen en teruggedreven (tegenstanders), de derde, om hen die kwamen tegen te houden.