Caesar : De Gallische Oorlog I.14
Hierop antwoordde Caesar als volgt: hem werd des te
minder twijfel gegeven, omdat hij zich die dingen, die de
Helvetische gezanten hadden genoemd, nog heel goed
herinnerde, en hij kon ze des te moeilijker verkroppen,
naarmate zij minder door de schuld van het Romeinse volk
gebeurd waren. Als het (Romeinse volk) zich van een of
ander onrecht bewust was geweest, was het niet moeilijk
geweest op te passen; maar het was daardoor misleid,
omdat het niet begreep, dat het iets misdaan had waarom
het moest vrezen, en omdat het niet meende, dat zonder
reden gevreesd moest worden.
En gesteld dat hij (Caesar) de oude smaad wilde vergeten,
kon hij dan soms ook de herinnering afleggen van pas
gebeurde daden van onrecht, namelijk dat zij tegen zijn
zin met geweld hadden geprobeerd een weg te forceren door
de (Romeinse) provincie, (en) dat zij de Haedui, dat zij
de Ambarri, dat zij de Allobroges hadden lastig gevallen?
Het feit, dat zij zo onbeschaamd opschepten over hun
overwinning, en het feit dat zij zich verbaasden, dat zij
zo lang ongestraft onrecht hadden bedreven leidden tot
dezelfde conclusie. Want de onsterfelijke goden hadden de
gewoonte, opdat de mensen, die zij voor hun misdaad
willen bestraffen, des te erger ten gevolge van een
omslag in de situatie pijn lijden, om aan die mensen soms
grotere voorspoed en langduriger straffeloosheid toe te
staan. Hoewel die dingen zo zijn, zal hij toch, als hem
gijzelaars door hen worden gegeven, opdat hij weet, dat
zij dat wat zij beloven zullen doen, en als zij de Haedui
schadeloos stellen voor het onrecht, dat zij hen zelf en
hun bondgenoten hebben aangedaan, en als zij eveneens de
Allobroges schadeloos stellen, (dán zal hij toch) met
hen vrede sluiten.
Divico antwoordde: de Helvetii waren zó onderwezen door
hun voorouders, dat zij gewend waren gijzelaars aan te
nemen, niet te geven; van die zaak/daarvan was het
Romeinse volk getuige. Nadat hij dit antwoord had
gegeven, ging hij weg.
|