Werkvertaling BG I.1-2, 13-14, 25-26, III.7-8 (Kox Kollum)

Caesar : De Gallische Oorlog I.1

Gallië in zijn geheel is verdeeld in drie delen, waarvan één deel de Belgen bewonen, het tweede (deel) de Aquitani, het derde (deel) zij, die in hun eigen taal Kelten, in de onze Galliërs worden genoemd. Al dezen verschillen van elkaar in taal, instellingen (en) wetten.
De Galliërs worden gescheiden van de Aquitani door de rivier de Garonne, van de Belgen door de Marne en de Seine.
Van al dezen zijn de Belgen het sterkst, en wel daarom, omdat zij van de cultuur en de beschaving van de provincie het verst af zijn, en (omdat) kooplieden hen uiterst zelden bezoeken en die artikelen, die leiden tot het slap maken van de mentale instelling invoeren, en (omdat) zij vlak bij de Germanen zijn, die aan de overkant van de Rijn wonen, (en) met wie zij voortdurend oorlog voeren. (Daarom overtreffen ook de Helvetii de overige Galliërs in moed, omdat zij in vrijwel dagelijkse gevechten met de Germanen strijden, wanneer zij hen van hun eigen gebied afhouden of zelf in het gebied van de Germanen oorlog voeren.)
Het ene deel van hun gebied, dat naar gezegd de Galliërs bewonen, begint bij de rivier de Rhône (en) wordt begrensd door de rivier de Garonne, de Oceaan (en) het gebied van de Belgen, reikt aan de kant van de Sequani en de Helvetii zelfs tot de rivier de Rijn (en) strekt zich uit naar het noorden. Het gebied van de Belgen begint bij de uiterste grenzen van Gallië, strekt zich uit tot de benedenloop van de rivier de Rijn (en) is gericht op het noorden en het oosten. Aquitania strekt zich uit van de rivier de Garonne tot aan het Pyreneeëngebergte en dat deel van de Oceaan, dat bij Hispania is (en) is gericht op het noordwesten (letterlijk: tussen het westen en het noorden).

Caesar : De Gallische Oorlog I.2

Bij de Helvetii was Orgetorix verreweg het aanzienlijkst en het rijkst. Hij maakte, toen Marcus Messala en Marcus Piso consul waren, hiertoe gebracht door de begeerte naar het koningschap, een samenzwering van de adel en haalde zijn medeburgers over, om uit hun gebied met al hun bezittingen weg te gaan: (hij zei, dat) het heel makkelijk was, aangezien zij in moed allen overtroffen, zich meester te maken van de macht over heel Gallia.

Hij haalde hen hiertoe des te makkelijker over, omdat de Helvetii van alle kanten door natuurlijke grenzen worden ingesloten: aan een kant door de zeer brede en zeer diepe rivier de Rijn, die het Helvetisch gebied van (dat van) de Germanen scheidt, aan de andere kant door het zeer hoge Juragebergte, dat ligt tussen de Sequani en de Helvetii, aan de derde kant door het Lac Leman en de rivier de Rhône, die onze provincie scheidt van de Helvetii. Door deze dingen kwam het, dat zij minder wijd uitzwierven en minder gemakkelijk oorlog konden voeren met de aangrenzende stammen; en in dit opzicht werden de mannen, begerig om oorlog te voeren, door grote frustratie getroffen. Zij vonden, dat zij in verhouding tot de menigte (van) mensen [autem niet vertaald] en in verhouding tot hun roem in de oorlog en van hun dapperheid een te klein gebied hadden, dat zich uitstrekte over een lengte van 240 mijlen, (en) een breedte van 180.


Caesar : De Gallische Oorlog I.13

Nadat dit gevecht was geleverd, liet hij, om de overige troepen van de Helvetii te kunnen inhalen, een brug over de Arar [de Saône] bouwen en zette zo het leger over.
De Helvetii, verbluft door zijn plotselinge aankomst, omdat zij begrepen, dat dat wat zij zelf in 20 dagen met zeer veel moeite hadden voltooid, namelijk dat ze de rivier overstaken, híj in één dag had gedaan, stuurden onderhandelaars naar hem toe. Van dit gezantschap was Divico de leider, die in de oorlog tegen Cassius de aanvoerder van de Helvetii was geweest. Hij onderhandelde als volgt met Caesar en zei: als het Romeinse volk vrede met de Helvetii sloot, zouden de Helvetii daarheen gaan en daar blijven, waar Caesar bepaalde en wilde, dat zij waren; maar als hij dóórging hen in een oorlog te achtervolgen, moest hij maar eens terugdenken aan de oude nederlaag van het Romeinse volk en de vroegere moed van de Helvetii. Dat hij onverwachts één kanton had aangevallen, waarbij diegenen, die de rivier waren overgestoken geen hulp konden brengen aan hun mannen, daarom moest hij niet een té hoge dunk hebben van zijn eigen moed of hen zelf minachten. Zij hadden het zó geleerd van hun vaders en voorouders, dat zij méér met moed dan met list streden of steunden op een hinderlaag. Daarom moest hij het niet zo ver laten komen, dat die plek, waar zij stonden, op grond van een rampzalige nederlaag van het Romeinse volk en de vernietiging van het leger naam kreeg of voortaan herinnerd zou worden.

Caesar : De Gallische Oorlog I.14

Hierop antwoordde Caesar als volgt: hem werd des te minder twijfel gegeven, omdat hij zich die dingen, die de Helvetische gezanten hadden genoemd, nog heel goed herinnerde, en hij kon ze des te moeilijker verkroppen, naarmate zij minder door de schuld van het Romeinse volk gebeurd waren. Als het (Romeinse volk) zich van een of ander onrecht bewust was geweest, was het niet moeilijk geweest op te passen; maar het was daardoor misleid, omdat het niet begreep, dat het iets misdaan had waarom het moest vrezen, en omdat het niet meende, dat zonder reden gevreesd moest worden.
En gesteld dat hij (Caesar) de oude smaad wilde vergeten, kon hij dan soms ook de herinnering afleggen van pas gebeurde daden van onrecht, namelijk dat zij tegen zijn zin met geweld hadden geprobeerd een weg te forceren door de (Romeinse) provincie, (en) dat zij de Haedui, dat zij de Ambarri, dat zij de Allobroges hadden lastig gevallen? Het feit, dat zij zo onbeschaamd opschepten over hun overwinning, en het feit dat zij zich verbaasden, dat zij zo lang ongestraft onrecht hadden bedreven leidden tot dezelfde conclusie. Want de onsterfelijke goden hadden de gewoonte, opdat de mensen, die zij voor hun misdaad willen bestraffen, des te erger ten gevolge van een omslag in de situatie pijn lijden, om aan die mensen soms grotere voorspoed en langduriger straffeloosheid toe te staan. Hoewel die dingen zo zijn, zal hij toch, als hem gijzelaars door hen worden gegeven, opdat hij weet, dat zij dat wat zij beloven zullen doen, en als zij de Haedui schadeloos stellen voor het onrecht, dat zij hen zelf en hun bondgenoten hebben aangedaan, en als zij eveneens de Allobroges schadeloos stellen, (dán zal hij toch) met hen vrede sluiten.
Divico antwoordde: de Helvetii waren zó onderwezen door hun voorouders, dat zij gewend waren gijzelaars aan te nemen, niet te geven; van die zaak/daarvan was het Romeinse volk getuige. Nadat hij dit antwoord had gegeven, ging hij weg.


Caesar: De Gallische Oorlog I.25

Nadat Caesar eerst zijn eigen paard, (en) daarna de paarden van alle (andere officieren) uit het zicht had verwijderd, om de hoop op een vlucht weg te nemen, doordat het gevaar voor allen nu gelijk was, spoorde hij zijn mannen aan en bond de strijd aan.
Nadat zij van een hoger gelegen plaats werpspiezen hadden geworpen, doorbraken de soldaten makkelijk de slaglinie van de vijanden. Toen die uiteengeslagen was, deden zij met getrokken zwaarden een aanval op hen. Voor de Galliërs was een grote handicap bij het gevecht, dat meer schilden van hen door één treffer van de werpspiezen waren doorboord en aan elkaar geregen (ablabs), (en) zij die niet konden losrukken, doordat het ijzer was verbogen, en zij met belemmerde linkerarm niet makkelijk genoeg konden vechten, zodat velen, na een lange tijd hun arm te hebben geschud, er de voorkeur aan gaven hun schild weg te gooien en met onbedekt lichaam te vechten. Uiteindelijk, uitgeput door hun wonden, begonnen zij terug te wijken en, omdat er vlakbij op ongeveer één mijl een berg was, zich daarheen terug te trekken.
Toen de berg was bezet en terwijl onze mannen hen achternazaten, vielen de Boi en Tulingi, die met ongeveer 15 duizend man de achterhoede van de vijanden vormden en de achterste gelederen tot dekking waren, vanuit de marsorde onze mannen aan de open flank aan en omsingelden hen. En toen de Helvetii, die zich naar de berg hadden teruggetrokken, dit hadden opgemerkt, begonnen zij opnieuw op te dringen en het gevecht te hernieuwen. De Romeinen maakten een zwenking en vielen op twee fronten aan: de eerste en tweede linie, om weerstand te bieden aan de (eerder) overwonnen en teruggedreven (tegenstanders), de derde, om hen die kwamen tegen te houden.

Caesar : De Gallische Oorlog I.26

Zo is / werd in een gevecht op twee fronten lang en fel gevochten. Toen / omdat zij de aanvallen van onze mannen niet langer konden uithouden, trok de ene groep zich terug naar de berg, zoals zij al begonnen waren / in het begin al hadden gedaan, de andere groep begaf zich naar de bagage en hun karren. Want in dit hele gevecht, terwijl toch vanaf het zevende uur totaan de avond is gevochten, kon niemand de vijand op de rug zien. Tot diep in de nacht is er ook nog gevochten bij de bagage, en wel omdat zij met de karren een barricade hadden opgeworpen bij wijze van verdedigingswal en van een hoger gelegen plaats komend projectielen gooiden naar onze mannen en sommigen temidden van de karren en wielen lansen en speren omhoog gooiden en onze mannen verwondden. Nadat lang was gevochten, maakten de onzen zich meester van de bagage en het kamp. Daar is / werd de dochter van Orgetorix en één van zijn zonen gevangen genomen.
Na dit gevecht waren er ongeveer 130000 mensen / mannen over en zij marcheerden die hele nacht zonder onderbreking. Zij onderbraken hun tocht geen enkel deel van de nacht (ablabs.) en bereikten het gebied van de Lingones op de vierde dag, waarbij onze mannen wegens de wonden der soldaten en het begraven van de gedoden drie dagen waren opgehouden en hen niet hadden kunnen volgen. Caesar stuurde een brief en boodschappers naar de Ligones, dat zij hen niet mochten helpen met graan of iets anders: als zij zouden helpen, zou hij hen op één lijn stellen met de Helvetii. Zelf is hij na een onderbreking van drie dagen begonnen hen met alle troepen te volgen.


Caesar : De Gallische Oorlog III.7

Toen Caesar na deze krijgshandelingen om alle redenen meende, dat Gallië tot vrede was gebracht, omdat de Belgen waren overwonnen, de Germanen waren verdreven, de Seduni in de Alpen waren overwonnen, en hij zo toen de winter was begonnen naar Illyrië was vertrokken, omdat hij ook naar die volkeren wilde gaan en de streken wilde leren kennen, is er een plotselinge oorlog in Gallië uitgebroken.
Van deze oorlog was het volgende de oorzaak: Publius Crassus junior overwinterde met het zevende legioen vlakbij de zee in het gebied van de Andes. Omdat in deze streek gebrek aan graan was, stuurde hij verscheidene prefecten en krijgstribunen naar aangrenzende gemeenschappen om koren en proviand te zoeken. In dat aantal werd Titus Terrasidius gestuurd naar de Essuvii, Marcus trebius Gallus naar de Coriosolitae, Quintus Velanius met Titus Sillius naar de Veneti.

Caesar : De Gallische Oorlog III.8

Van deze volksstam is het gezag verreweg het grootst van de hele zeekust van dat gebied, omdat de Veneti zeer veel schepen hebben, waarmee zij gewend zijn naar Britannia te varen, en omdat zij in kennis van en ervaring met de scheepvaart de overigen overtreffen, en omdat zij - doordat de zee zeer woest en open is en er slechts hier en daar havens zijn (ablabs.), die zij zelf beheersen - vrijwel allen, die gewend zijn die zee te gebruiken, tolgeld laten betalen.
Zij begonnen met het vasthouden van Sillius en Velanius en anderen die zij konden onderscheppen, omdat zij meenden, dat zij door hen hun eigen gijzelaars, die zij aan Crassus hadden gegeven, zouden terugkrijgen. De buurstammen, hiertoe gebracht door het gezaghebbend voorbeeld van de Veneti - want de besluiten van de Galliërs zijn nu eenmaal plotseling en impulsief - hielden om dezelfde reden Trebius en Terrasidius vast, en na snel gezanten te hebben gestuurd, spreken zij via hun aanvoerders onder ede met elkaar af, dat zij wat dan ook slechts na een gemeenschappelijk besluit zullen doen en dat zij allen dezelfde afloop van het lot zullen ondergaan, en zij hitsen de overige staten op, om liever in die vrijheid, die zij van hun voorouders hebben gekregen te blijven dan de slavernij van de Romeinen te verdragen.
Toen de hele zeekust snel voor hun standpunt was gewonnen, stuurden zij een gemeenschappelijke delegatie naar Publius Crassus: als hij zijn mannen wil terugkrijgen, moet hij de gijzelaars naar hen terugsturen.