Homerus´ Odyssee

In proza vertaald en met korte ophelderingen voorzien door
Dr. W.G. van der Weerd.
Amsterdam. - S.L. van Looy. 1901.
 

 

Voorwoord.

Ich ehre den Rhythmus wie den Reim, wodurch Poesie erst zur Poesie wird, aber das eigentlich tief und gründlich Wirksame, das wahrhaft Ausbildende und Fördernde ist dasjenige, was vom Dichter übrig bleibt, wenn er in Prose übersetzt wird.
...................................................................................
Deszhalb gebe ich zu bedenken, ob nicht zunächst eine prosaische Uebersetzung des Homer zu unternehmen wäre.
GOETHE, Aus meinem Leben, XIes Buch, S.45 (Ausgabe von Grote, Berlin, 1872).

Bovenstaande aanhaling uit Goethe zou reeds kunnen volstaan ter rechtvaardiging eener proza-vertaling van Homerus en ten overvloede zou ik kunnen verwijzen naar verschillende prozavertalingen van Gr. en Rom. Dichters, die reeds sedert korter of langer tijd bij onze naburen (noot1) verschenen zijn: een paar woorden echter ter toelichting schijnen mij niet overbodig toe.
Dat ik mij, na de in vele opzichten voortreffelijke metrische vertaling van Homerus door Vosmaer, niet aan een dergelijke poging waagde, zal, dunkt mij, ieder begrijpen; die vertaling heeft haar burgerrecht in ons land verkregen en wordt door ieder, die in de literatuur der Oude Grieken belang stelt, hoog gewaardeerd. En een leek zal uit die vertaling, evenals uit die van Vosz, zich zeer zeker een vrij juist beeld kunnen vormen van Homerus´ groote dichtergave, zal ook ´s dichters eenvoud en natuurlijkheid er door leeren waardeeren. Maar Vosz en Vosmaer waren beiden door het metrum gebonden en hoe meesterlijk zij ook, ieder in zijn moedertaal, den hexameter behandelden, dit metrum juist was de groote hinderpaal, die hen belette Homerus zooveel mogelijk weêr te geven. Wie den dichter in ´t oorspronkelijke kan lezen en Vosmaer´s vertaling (om bij deze te blijven) daarmede vergelijkt, begrijpt wat ik bedoel. Vaak kon Vosmaer, door den hexameter daartoe gedwongen, fijne nuances in Homerus´ taal niet weêrgeven, woorden of gedachten niet naar hun volle waarde uitdrukken, meermalen zelfs moest hij iets, hoe weinig ook, weglaten, waarvoor hij binnen de perken van zijn metrum geen plaats kon vinden.
Een vertaling in proza kan, naar mijn bescheiden meening, dit beter: men is door geen versmaat gebonden en is daardoor in staat den dichter juister en vollediger weêr te geven dan een metrische vertaling dit toelaat.
In hoever mij dit gelukt is, mogen deskundigen beslissen: mij blijft, tegenover de gebreken en tekortkomingen, die deze vertaling, evenals het werk van ieder mensch, ongetwijfeld ontsieren, alleen de troostende overtuiging, dat ik met ernst en liefde mijn niet gemakkelijke taak op mij genomen en ten einde heb gebracht en moeite noch tijd heb ontzien ter bereiking van mijn doel: Homerus zoo juist en volledig mogelijk weêr te geven en den lezer een stap nader te brengen tot de juiste kennis en waardeering van den grooten dichter. (noot2)
Den Haag, Jan. 1901.
Dr. W.G. van der Weerd.

noot1 : De eerste en, zoover mij bekend, tot nu toe eenige vertaling in Nederlandsch proza (doch alleen van de Ilias) is die van J.H. Glazenmaker, 1658 (zie Vosmaer, Inleiding op de Ilias, pag. XI).
In Fransch proza werd de Ilias vertaald door S. du Souhait, 1540.
In Engelsch proza de Ilias door Samuel Butler, Londen, 1898 en de Odyssee door S.H. Butcher and A. Lang (Londen, 1885).
In Duitsch proza: Homers Werke, door J. Minckwitz (Leipzig, 1864).
Zoo werden, om nog een paar andere dichters te noemen, Horatius en Vergilius in Engelsch proza vertaald, de eerste door W. Coutts, de tweede door J. Conington (beide bij Longmans, Green and Co. te Londen).
Dat ook onze Vondel Vergilius en Horatius geheel of gedeeltelijk in proza overbracht, is ieder bekend.
noot2 : Ten grondslag legde ik bij deze vertaling den tekst der bekende uitgave van Prof. van Leeuwen en Mendes da Costa (Odyssee, 2e uitgave, 1897/98 en Ilias, 2e uitgave 1895/96).
De door beide Critici als onecht beschouwde verzen zijn tusschen [ ] geplaatst.

[naar boven]

_____________________________________________________________

 

Inleiding.

Wie Homerus was, wanneer hij geleefd heeft, waar hij geboren is: ziedaar vragen waarop wij ten eenen male het antwoord schuldig moeten blijven. De Ouden zelven, voor ons in dezen de eenige bron, wisten het evenmin als wij. Wel waren er bij hen allerlei verhalen omtrent Homerus in omloop: dat hij blind was, dat zeven steden elkander de eer betwistten zijn geboortestad te zijn, dat hij, volgens sommigen, omstr. 1044 vóór Chr., volgens anderen een eeuw later, volgens den geschiedschrijver Herodotus zelfs eerst omstr. 850 vóór Chr. geleefd heeft; maar evenals zij tasten ook wij, bij gebrek aan betrouwbare bronnen, in het duister rond. Slechts in twee opzichten waren de oude Grieken eenstemmig van gevoelen: Homerus was de dichter van de beide heldenzangen, de Ilias en de Odyssee, en: Homerus was hun nationale, hun grootste dichter.
Wat dit laatste betreft, niemand zeker is er, die, als hij Homerus heeft leeren kennen en waardeeren, den Grieken dezen hun nationalen roem zal betwisten; door alle tijden heen werd en wordt nog Homerus bij alle beschaafde volken als een der grootste, zoo niet de grootste dichter beschouwd. En wat het eerste punt betreft, ook wij zijn gewoon in Homerus den voortreffelijken zanger van Ilias én Odyssee te zien.
De wetenschappelijke kritiek echter leert ons iets geheel anders.
Reeds in de 3e en 2e eeuw vóór Chr. begonnen te Alexandrië geleerde critici er aan te twijfelen of de beide heldendichten wel van één hand konden zijn en thans, na velerlei scherpzinnig onderzoek, is nagenoeg algemeen de overtuiging gevestigd, dat tot het ontstaan van Ilias en Odyssee verschillende dichters hebben medegewerkt en dat beide kunstwerken eerst langzamerhand hun tegenwoordige gedaante en omvang hebben gekregen.
In de 11e eeuw namelijk vóór Chr. en vroeger plachten zangers bij de maaltijden der aanzienlijken oude sagen der Grieksche stammen, onder begeleiding der citer, voor te dragen; zóó zien wij in de Odyssee den zanger Phemius aan het hof te Ithaca en Demodocus aan het hof te Scheria den feestdisch door hun gezang opluisteren. Onder die zangers koos er één, een geniale dichter, die den naam van Homerus droeg of van lateren ontving, zich de stof voor een meer uitvoerig gedicht, dat de kern der Ilias bevatte en den "Wrok van Achilles" met zijn aanleiding en gevolgen tot onderwerp had. Dit gedicht, vermoedelijk een 3 à 4000 verzen groot, werd door latere zangers aangevuld en voortgezet; van deze jongere gedeelten bezitten sommige een zeer hooge kunstwaarde, ja sommige stukken er van behooren tot het schoonste wat ooit is gedicht, maar zij vormen met het oorspronkelijk gedicht over den "Wrok van Achilles" slechts een schijnbare eenheid en zijn er niet zelden mede in strijd. ´t Zou ons te ver voeren dit in bijzonderheden aan te toonen en, waar noodig, is bij de vertaling in de ophelderende aanteekeningen op een en ander gewezen.
Op soortgelijke wijze ontstond ook de Odyssee. Waarschijnlijk is dit gedicht uit 4 groote stukken samengesteld, nl. 1) de terugkeer van Odysseus; 2) de wraakneming van Odysseus; 3) een uitbreiding der reisavonturen van Odysseus, en 4) de reis van Telemachus om zijn vader te zoeken.
Oordeelen wij dus streng wetenschappelijk, dan zien wij in Ilias en Odyssee niet het werk van één, maar van meerdere, meer of min voortreffelijke zangers, onder wie er één, reeds door de oude Grieken Homerus genoemd, de geniaalste was; naar dezen dichter, die de kern van de Ilias en waarschijnlijk ook van de Odyssee dichtte en wiens werk, in zijn geest, door latere zangers, met meerdere of mindere dichterlijke gaven bedeeld, werd voortgezet en uitgebreid, is men gewoon van Homerus als van den dichter van Ilias en Odyssee te spreken, al weten wij ook, dat wij, streng wetenschappelijk, onder dien naam niet één persoon hebben te verstaan.

De Ilias verhaalt de gebeurtenissen van 51 dagen uit het laatste (d.i. 10e) jaar van den Trojaanschen oorlog; de Odyssee behandelt een tijdperk van 40 dagen uit het laatste jaar van Odysseus´ omzwervingen (d.i. het 20e jaar zijner afwezigheid; 10 jaar nl. duurde het beleg van Troje en 10 jaar lang zwierf daarna de held rond) tot en met zijn terugkomst op Ithaca.
De aanleiding tot den Trojaanschen oorlog was deze: Paris (ook Alexander geheeten), zoon van Troje´s koning Priamus, had Helena, de schoonste onder de vrouwen en echtgenoote van Sparta´s koning Menelaus, geschaakt. Toen nu de Trojanen weigerden haar uit te leveren, zocht en verkreeg Menelaus bij verscheidene vorsten van Griekenland hulp om wraak te nemen voor die schandelijke daad en weldra werd er een groot leger op de been gebracht, dat, onder aanvoering van Agamemnon, Menelaus´ broeder, zich in de Boeotische haven Aulis verzamelde en van daar, ten getale van 120000 man op 1186 schepen naar Troje zeilde. Daar aangekomen, sloegen de Grieken aan het strand hun scheepskamp op en deden verscheidene pogingen om de stad door bestorming in te nemen; deze werden echter met gelukkig gevolg telkens door de Trojanen afgeslagen, zoodat de Grieken zich nu, om toch den vijand afbreuk te doen, hoofdzakelijk bepaalden tot stroop- en plundertochten in de naburige streken, waarbij meestal Achilles, aanvoerder der Myrmidoniërs, de hoofdrol vervulde. Wel werd er ook vaak met de Trojanen op de vlakte vóór de stad gestreden, maar dit baatte niets tot de inneming der stad. Negen jaar lang had zóó de oorlog reeds, met adwisselend gevolg voor beide volken, geduurd, tot eindelijk, in het tiende jaar, de zaak een´ andere wending nam.
Met dezen keer, die de krijgskans nam, vangt de Ilias aan.
Nadat Troje ingenomen was, keerden de verbonden vorsten der Grieken weder naar hunne haardsteden terug; maar slechts weinigen hunner was het beschoren, zonder eenig ongeluk te huis te komen of een aangename tehuiskomst te vinden. Agamemnon o.a. werd bij zijn tehuiskomst door zijne vrouw Clytaemnestra, met behulp van haar verleider, Aegisthus, gedood. Menelaüs, Agamemnon´s broeder, keerde eerst, na zeven jaren te hebben rondgezworven, met Helena naar Sparta terug. Andere vorsten, zooals Diomedes, Philoctetes en Idomeneus kwamen wel ongedeerd thuis, maar werden spoedig daarop uit hun land verbannen en trokken alle drie naar Italië, waar Diomedes steden stichtte en nog lang in groote eer en aanzien leefde. Maar de meeste wederwaardigheden ondervond Odysseus, de vorst van Ithaca; op zijn terugkeer naar huis kwam hij met zijne tochtgenooten o.a. ook op het eiland der Cyclopen, woeste éénoogige reuzen; daar beroofde hij den Cycloop Polyphemus, zoon van den zeegod Poseidon, van diens oog, uit wraak dat deze zes zijner makkers wreedaardig verslonden had. Tot straf daarvoor liet Poseidon Odysseus naar allerlei vreemde landen over zee rondzwerven. Zeven jaar lang had Odysseus, tegen zijn zin, bij de nimf Calypso, die hem vurig, maar te vergeefs tot echtgenoot begeerde, moeten vertoeven; intusschen dongen op Ithaca een honderdtal aanzienlijke vorsten, deels ook van de naburige eilanden, naar de hand zijner trouwe gade Penelope en verbrasten, onder dat voorwendsel, onbeschaamd en brooddronken zijn have en goed. Eindelijk echter kregen de Goden medelijden met den ongelukkigen zwerver en lieten, door Hermes, den bode der Goden, Calypso bevelen Odysseus naar huis te laten gaan.
Met dit keerpunt in Odysseus´ omzwervingen vangt de Odyssee aan.

_______________

In de Ilias, het epos van strijd en krijg, worden heldenmoed en krijgsroem als het hoogste goed verheerlijkt; in de Odyssee, daarentegen huiselijk geluk. Wel is waar vindt men ook in de Ilias huiselijke tafereelen en omgekeerd in de Odyssee b.v. het bloedige tooneel van den moord van Penelope´s minnaars, maar over ´t algemeen ademt de Ilias een krijgshaftigen, de Odyssee een vreedzamen geest. In de schatting der Grieken stond de Ilias hooger dan de Odyssee; de moderne smaak daarentegen voelt zich meer aangetrokken door de kalme, rustige stemming, die bijna overal in de Odyssee heerscht. Toch zouden wij daarmeê den dichter een groot onrecht aandoen: want, al komen er in de Ilias gedeelten voor, die niets dan een drooge opsomming van verschillende kleinere gevechten, meestal tweegevechten, behelzen, wij mogen de oogen niet sluiten voor het grootsche tafereel, dat hij, b.v. in den 11en zang der Ilias, van den slag ons ontrolt, waar de dichter door zijn schildering van de hartstochten der strijders, ons meer met overwinnaar en overwonnene mede doet leven, dan ergens anders, waar hij (of liever een minder dichterlijk begaafd zanger) zich in het vergoten bloed en den aard der verwondingen schijnt te vermeien. Ondanks deze laatstgenoemde, meer eentonige gedeelten, gevoelen wij, als wij opmerkzaam lezen en herlezen, spoedig waar de echte dichter weêr aan ´t woord is en zullen wij evenmin onze bewondering kunnen onthouden aan karakters van onstuimig-dappere helden als Achilles, Aiax, Diomedes e.a., als aan de meer gewone, rustige karakters uit de Odyssee, zooals Eumaeus, Euryclea, Penelope, Alcinous, enz. Veeleer is het juist een krachtig bewijs voor de veelzijdige gaven van den dichter van het lied van krijg en van vrede, dat hij met even veel meesterschap het zachte als het ruwe in ´s menschen gemoed wist weêr te geven. In diepe kennis van ´t menschelijk hart trouwens en van de roerselen, waardoor het bewogen wordt, heeft dan ook geen ander dichter hem ooit overtroffen.
Hoe meer wij Homerus lezen, hoe meer zijne karakters voor ons in duidelijkheid winnen, tot wij eindelijk zelfs bij karakters, b.v. van helden, die toch allen één zelfde eigenschap, heldenmoed, gemeen hebben, zuiver en juist kunnen onderscheiden, waarin Aiax van Diomedes, Hector van Achilles, Agamemnon van Odysseus, verschillen. ...