[De Odysséa van Homerus,
naar het Grieksch, in Nederduitsche verzen gevolgd,
door Mr. Jan van 's Gravenweert.
Te Amsterdam, bij Johannes van der Hey en Zoon.
MDCCCXXIII.]

VOORBERIGT.

---------------------------

In de Voorrede, aan het hoofd der navolging van de Ilias geplaatst, heb ik met weinige woorden opgeteekend, wat de arbeid der Geleerden omtrent den oudsten der ongewijde Dichteren tot ons heeft overgebragt, of wel de bronnen aangewezen, aan welke de onderzoeker zijne weetgierigheid te dien opzigte zoude kunnen lesschen. Gedurende den tijd, sedert het schrijven van dat Voorberigt verloopen, is, zooverre mij bewust is, omtrent den persoon van Homerus zelven, of zijne Schriften, geene nieuwe ontdekking in de geleerde wereld gedaan; en durf ik aldus mijne lezers gerustelijk tot de aanteekeningen verwijzen, hun aldaar betrekkelijk dit onderwerp medegedeeld.
Dan er bestaat een ander punt, waaromtrent men, bij eene navolging der Odysséa, eenige inlichting van derzelver Vervaardiger vorderen mag: het is de geest, de bedoeling en het onderwerp van dat Werk zelf, met de Ilias in verband gebragt. Na de langdurige lezing en overdenking der beide meesterstukken, is het bij mij zelven eene zekerheid geworden, dat deze onnavolgbare Dichter bij de vervaardiging dier Werken van eenen anderen geest is bezield geweest, dan al de hem opgevolgde Heldendichters van lateren tijd. Het is niet waarschijnlijk, dat zich iemand, in eene eeuw, welke nog geene Letterkunde bezat, opzettelijk zal hebben nedergezet, om zich, met oogmerk van gunstbejag of uitblinking boven mededingers, welke niet bestonden, den moeijelijken arbeid van meer dan acht en twintig duizend dichtregelen te getroosten, ten einde die alleen op te vullen met de spelingen eener weelderige dichtkunst of met zinnebeeldige wezens: bij Virgilius en Lucanus, welke nu eenmaal de modellen van Homerus voor zich hadden, moge dit in latere tijden het geval zijn geweest: dit voorbeeld moge weder op Tasso, Camoëns, Voltaire en anderen gewerkt hebben, bij Homerus, welke dat, hetgeen wij Heldendicht noemen, kon scheppen, zonder aan een Heldendicht te denken, greep zulks ongetwijfeld geene plaats. Mijns bedunkens, wilde Homerus in liederen of Boeken, welke afzonderlijk konden worden gezongen, doch onder zich een onafscheidbaar geheel uitmaakten, de treffendste gebeurtenissen dier eeuw vermelden, welke de zijne was voorafgegaan, en bragt hij bovennatuurlijke krachten, doch, naar de denkbeelden van zijnen tijd, van alle menschelijke zwakheden vervuld, als dadelijk werkzaam tot die gebeurtenissen, in het spel: zijn oogmerk was dus niet een dichtstuk te maken en een gewrocht zijner verbeelding voort te brengen: het was in liederen, welke, naar de gewoonte dier eeuw, aan Vorstenmaaltijden en bij groote plegtigheden stukswijze konden worden medegedeeld, den val van Ilium, zoo belangrijk voor het zich allengs beschavende Griekenland, en de gevolgen van dien val voor die Vorstengeslachten, welke tot denzelven hadden medegewerkt, aan de nakomelingschap over te brengen; in lateren tijd deelde men deze liederen in twee hoofdafdeelingen, elke van vier en twintig Boeken, naar de letteren van het Alfabet af; men vulde de tusschenruimten waarschijnlijk zoodanig aan, dat de zamenhang bevorderd werd; de vroegste Geleerden van Griekenland bragten deze beide Werken, onder den naam van Heldendichten of Epische (verhalende) Gedichten, en de benamingen van Ilias en Odysséa, tot het nageslacht over, en van dat oogenblik aan trachtte ieder volk de grootste gebeurtenissen voor zijnen landaard in dien vorm, welken Homerus voor zijne volksverhalen gebezigd had, met de medewerking van zoodanige bovennatuurlijke krachten, als bij dat volk erkend werden, en met eene inkleeding, welke bij Homerus op den Godsdienst en de begrippen van zijnen tijd, doch bij de latere meestal op verbeelding, kunst en navolging gegrond was, tot de naneven over te brengen. Zoodanig is dan, mijns erachtens, de geest, waarin Homerus schreef, en het verschil tusschen den zijnen, en dien, waarin latere Dichters mogten zingen.
De bedoeling was denkelijk door het verhaal der heldendaden van
Achilles en zijne krijgsgenooten, en door de schildering van Ulysses omzwerven en zijne ontmoetingen, de Grieken eensdeels aan te moedigen tot voortplanting van moed en standvastigheid, anderdeels hun de heillooze gevolgen van tweedragt en vergrijp voor te stellen, en waarlijk die onderwerpen waren groot. Van al de berigten uitgaande, welke hier en daar in de Ilias en de Odysséa beide opgeteekend zijn, kan men vermoeden, dat Ilium of Troje eene zeer rijke en, in evenredigheid der tijden, zeer beschaafde stad was, welker bloei het weinig rijke en nog weinig beschaafde Griekenland in de oogen stak; het schennen der gastvrijheid door Paris in de schaking van Helena was denkelijk slechts het voorwendsel van den oorlog, welke voornamelijk den ondergang van het benijde Ilium bedoelde; het was daar, dat al de volkeren en Vorstengeslachten van Hellas zich voor de eerste reize, onder het opperbevel van éénen hunner helden, tot een gemeenschappelijk doel, en, als ware het, tot ééne natie vereenigden. Van daar begon de Geschiedenis der Grieken; het gezellig verkeer dier Vorsten deed vermaagschappingen tusschen hen geboren worden; het langdurig beleg van Troje werd een prikkel tot ontwikkeling van staatsbeheer en geregelde krijgskunde, en deed tevens de behoefte naar meerdere beschaving bij allen ontstaan. De schatten, na Trojes val, door de Veldheeren in den boezem van het Grieksche Vaderland uitgestort, deden kunsten en wetenschappen ontkiemen, terwijl de togten van Ulysses de Grieken in aanraking bragten met volkeren, of op eenen hoogeren trap van beschaving dan zij geplaatst, of in het bezit van wijsgeerige of natuurkundige geheimenissen, den Grieken te voren onbekend, en wier overbrenging op den Vaderlandschen grond door Ulysses dan ook van onberekenbare gevolgen voor de verdere voortplanting van Godsdienst en beschaving moet zijn geweest. Deze onderwerpen waren derhalve belangrijk genoeg om, tot eeuwig aandenken, door het eerst ontlokene en grootste vernuft der ongewijde wereld, - dan, hetwelk tevens duidelijk inzag, dat de dichterlijke eenheid één' hoofdpersoon vorderde, op welken zich het belang vestigen moest, en alzoo Achilles tot de hoofddrijfveêr der Ilias, Ulysses (Odysseus) tot die der Odysséa vormde, - aan zijne landgenooten te worden overgebragt, en langs dien weg zoude hij een bijkans onafscheidbaar geheel tusschen de Ilias en de Odysséa hebben daargesteld. Wat nu dat verband betreft, hetwelk in de bedoeling van Homerus tusschen die beide meesterstukken zoude bestaan, ik heb gemeend het te vinden in de gestadige wederinvoering der Grieksche hoofdpersonen van de Ilias in den loop der gansche Odysséa. Waarom anders vangt dit Werk aan met de uitdrukking van de verontwaardiging der Goden over den dood van Agamemnon? Waarom worden in de vier eerste Boeken de overgeblevene Grieksche Vorsten, of derzelver geschiedenissen, bijkans alle ingevoerd en de val van Troje door Demódokus in het achtste Boek gezongen? Waarom ontmoet Ulysses zoo velen dier helden in het Schimmenrijk, of, waarvoor sommigen het houden, bij zijne inwijding tot de geheimenissen van Circe en het openen van zijnen omgang met de geestenwereld? Waarom, eindelijk, bij de verschijning van de geesten der minnaars van Penelope in het doodenveld, ontmoeten zij Achilles en Agamemnon, en halen deze weder op van al hunne betrekkingen, indien niet de Dichter een onmiddellijk verband heeft willen daarstellen tusschen de gebeurtenissen der liederen, welke wij de Ilias, en die, welke wij de Odysséa noemen? En hieruit zoude voortvloeijen, dat die beide Dichtstukken, als één geheel, maar in twee hoofdafdeelingen gesplitst, door dien vader van alle Dichtkunst zouden zijn gedacht geweest, terwijl dan alle bedenkingen - bedenkingen, welke echter door de overeenstemming van stijl in den grondtekst en den gelijken gang der denkbeelden voor den kieschen beoordeelaar genoegzaam wederlegd zijn -, alsof de Odysséa van eene andere hand dan de Ilias, of onderscheidene gedeelten van deze beide Werken uit onderscheidene pennen gevloeid zouden zijn, van zelve vervallen moeten.
Een ander hoogstbelangrijk en waarschijnlijk eeuwig duister punt zijn de reizen van
Ulysses, welke hij van het negende tot het dertiende Boek aan de Feàken verhaalt. De wijde uitgestrektheid derzelve in eenen tijd, dat de Sterrekunde, immers bij de Grieken, nog zeer oppervlakkig moet zijn geweest en er geen kompas bekend was, tegelijk met de gewoonten der Ouden van meestal langs de kusten heen te stevenen, hebben, in overeenstemming met de fabelachtige volkeren, als de Cyklópen, de Lotofàgen, de Lestrygónen, enz., bij welke Ulysses verhaalt geland te zijn, bij velen het denkbeeld doen oprijzen, dat al deze togten denkbeeldig of zinnebeeldig zijn, en slechts voor opzettelijke spelingen van eenen weelderigen dichtgeest moeten gehouden worden. Met dit gevoelen kan ik niet instemmen, zoo uit hoofde van de bekende en ongekunstelde eenvoudigheid van Homerus zelven, als uit de somtijds angstvallige naauwkeurigheid, met welke hij de bezochte plaatsen, derzelver natuurverschijnselen en de langdurigheid der dagreizen zelve afmeet of beschrijft. Wel is waar, dat, even als bij Herodotus, hetzij omdat Homerus zelf aan die verhalen geloof sloeg, hetzij omdat hij de volksverdichtselen in zijne Werken verlangde op te nemen, er veel in die reizen voorvalt, hetwelk door geene gezonde hersenen als loutere waarheid kan opgenomen worden, doch Homerus is overal te ongekunsteld om te kunnen gelooven, dat alles fabelachtig zoude zijn, en dat de grondslag der zaken niet in de Natuur zoude bestaan hebben. Echter ontstaat er alsdan eene gewigtige en hoogstmoeijelijke vraag, ten opzigte van de ligging der oorden, welke Ulysses (Odysseus) zoude bezocht hebben. Deze vraag, gelijk bijkans alles, wat op den grijzen Dichter betrekking heeft, is tot nog toe onbeantwoord, en zal het waarschijnlijk bij voortduring blijven. Dat Ulysses verder heeft gereisd dan de zeeën van Griekenland is onbetwistbaar. Blijkens de optelling der troepen, in het tweede Boek der Ilias, waren de namen en de volkeren dier oorden toen reeds genoegzaam bekend, en zoude Homerus met het verhalen van fabelen omtrent die zelfde oorden weinig ingang bij zijne landgenooten gevonden hebben. Ulysses is dus verder voortgezeild naar Landen, in Griekenland onbekend, van waar hij ontdekkingen en beschaving naar Hellas overbragt; de eerste scholiasten en uitleggers van Homerus echter niet anders kennende dan de kusten van Griekenland, Klein-Azië, Egypte en Italië, hebben de plaatsbeschrijvingen alle op Italië, op Sicilië of op andere eilanden van de Middellandsche Zee toegepast, en hunner rede somtijds het grootste geweld aangedaan, om de woorden van Homerus op die kusten toe te passen, waar zij nu eenmaal besloten hadden, dat Ulysses verwijld moest hebben; de Romeinen namen die opgaven om dezelfde redenen als hunne voorgangers aan, en de traagheid van den menschelijken geest, zelfs onder de Geleerden, deed het zich nu opdringen, dat die oorden nergens dan daar te vinden waren, hoewel een naauwkeurig onderzoek der woorden van Homerus en van sommige plaatsbeschrijvingen deze denkbeelden schijnt te wederspreken. Inmiddels ontstond onder de Geleerden de herinnering van het oude Gemeenebest der Atlanten en het volk der Ethiópen. Bailly bepaalde de ligging van dat Gemeenebest in het noorden; volksvertelsels schreven de stichting van Lissabon toe aan Ulysses; men ging verder voort met gissingen: de gedachte, dat alle beschaving uit het noorden afkomstig is, won veld; en overeenkomst van ligging der Fransche en Nederlandsche kusten met die der Atlantis, volgens de berekening van Bailly, beteekenissen der namen van steden en dorpen, welker oorsprong onbekend is, dit alles bragt den, in den eersten opslag van het oog, hoogstbelagchelijken, bij het onderzoek der Landen, door Homerus beschreven, ook op die kusten geheel ontoepasselijken, doch in vele opzigten hoogstvernuftigen arbeid van den Raadsheer De Grave in het licht, welke, in zijne République des Champs Elyséens, Ulysses tot aan de noordelijke kusten van Frankrijk en die der Nederlanden doet voortreizen, en Homerus zelven voor eenen Vlaminger of eenen Atlant verklaarde. Wat er ook van zijn moge, de schrijver heeft te zeer den toon van ernst aangenomen, om de beschuldiging op zich te laden van met de ligtgeloovigheid der wereld te hebben willen spelen: veel nieuws, alleen door blind vooroordeel als onbestaanbaar verklaard, straalt in zijn Werk en door een aantal sprookjes en gissingen heen; dan ongelukkig wederspreekt hem de tekst van Homerus zelven in de beschrijving der oorden, door Ulysses bezocht, en moet de onpartijdige onderzoeker zijne meeningen aldus grootendeels voor even ongegrond verklaren, als die der vroegere Geleerden, welke den Vorst van Ithaka met geweld langs de kusten van Italië willen doen rondzwerven. Een stikdonkere nacht omgeeft die oorden, even als den persoon van Homerus zelven voor het nageslacht, doch, welke gewesten Ulysses dan ook moge bezocht hebben, het is mogelijk en zelfs waarschijnlijk, dat, in den loop der drie duizend jaren, sedert den leeftijd van den Dichter vervlogen, zoo vele omwentelingen in de Natuur zullen hebben plaats gehad, dat, even als er geslachten van dieren zijn uitgestorven op de aarde, ook geslachten van menschen vernietigd en de luchtgesteldheid op vele plaatsen kan veranderd wezen. Genoeg is het voor ons, dat wij den Vorst aller Dichteren met al zijne zedekundige waarheden en overleveringen hebben mogen behouden, en weinig verschilt het dan aan het genot, of de geurige ananas van de boorden van den Ganges of uit het koude noorden herkomstig zij.
Een ander gevoelen, eindelijk, hetwelk in de beschaafde wereld wortels heeft geschoten, is de voortreffelijkheid der
Ilias boven de Odysséa. Het schijnt mij toe, dat deze voorkeur echter uit vooroordeel geboren is. Het is waar, de toon, welke in de Ilias bovenstreeft, is levendig, krijgshaftig en somtijds inderdaad zoo hoog gestemd, dat het regt gevoelen en bewonderen dier onnavolgbare en echter zoo eenvoudige scheppingen en gelijkenissen, met zulk eene juistheid aan elkander geweven, slechts voor die weinigen schijnt te zijn weggelegd, welke, hetzij door eenen hoogeren kunstgeest bezield, hetzij door langdurige oefening, tot de regte bevatting van dat meesterstuk zijn ingewijd. Bovendien - en waarom zoude men de waarheid ontkennen? - tot op het laatst der vorige eeuw wijzigde geheel Europa zijne oordeelvellingen in het vak der kunsten naar den beslissenden invloed van Italië, waar de Letteren herleefden, en naar de uitspraak van het uitsluitende Frankrijk. De oorlogszuchtige geest dezer beide volken, de vurigheid van hun gestel en zekere ingeschapene voorkeur voor alles, wat ongewone grootheid en majesteit ademt, deed hunne Letterbeoefenaren noodwendig de woelige afwisseling der Ilias, even gelijk zulks reeds, in de vroegere Oudheid, bij de Grieken had plaats gegrepen, boven de meerdere bedaardheid der Odysséa verkiezen, en geheel Europa galmde hun deze uitspraak na; dan hieruit volgt, immers in mijne oogen, niet, dat de zamenstelling, de loop, de inwikkeling, de karakterschildering, de geheele verdienste der Odysséa zoo veel minder dan die der eerste Zangen of der Ilias moet wezen; de afmaling van hevige kampgevechten, van gruwzame veldslagen, van de wegmaaijing aller steunselen eener oppermagtige stad en van de schrikkelijke uitwerkselen van tweedragt en wrok, vordert toch eenen gansch anderen toon dan het verhaal eener noodlottige zeereis, de beschrijving van vorstelijke paleizen en lustwaranden, de voorstelling van burgerlijke zeden en de tafereelen van huwelijksmin, of van ouder- en kinderliefde. Beide deze toonen nu heeft Homerus in zijne beide hoofdafdeelingen gevat en onnavolgbaar volgehouden; beide zijn passende op het onderwerp, en, hoewel dan de Ilias meer het werk eener vurige jeugd, de Odysséa dat van bedaarderen leeftijd schijnt te zijn, handhaven zij echter beide in derzelver behandeling den roem van haren onsterfelijken Zanger evenzeer, en daar dan toch de kunstvoortbrengselen der penseelen van Albano en van Rubens, van Douw en van Rembrandt, hoewel verschillende onderwerpen naar derzelver aard behandelende, in de schatting der beoordeelaren gelijk staan, hoe veel te minder zal de onbevooroordeelde deze bewondering dan kunnen weigeren aan hem, die in zijne zangen de manier van Albano en van Rubens, van Douw en van Rembrandt tevens heeft weten te vereenigen!
Ziedaar bijkans alles, wat ik, na het overbrengen en daaruit gevolgd vergelijken en onderzoeken van de
Ilias en de Odysséa, als de vrucht van waarnemingen, welke ik gaarne voor betere geef, aan mijne lezers meende te moeten onderwerpen en mededeelen.
Wat nu mijne navolging betreft, ik heb getracht derzelver toon in overeenstemming met dien van het oorspronkelijke te brengen; ik heb met dien eerbied, welken een navolger van
Homerus aan dien doorluchtigen voorganger schuldig is, getrouw, doch niet altijd letterlijk vertaald, hetwelk in verzen bijkans ondoenlijk is, en zelfs, door de stijfheid in de behandeling, aanstootelijk zoude wezen. Van het schrijven van Aanteekeningen, hetzij om reden van mijne opvatting en verklaring van den tekst te geven, hetzij om den lezer met personen en zaken bekend te maken, heb ik, even als bij de uitgave der Ilias, vermeend mij te moeten onthouden. De Geleerde behoeft voorzeker mijne aanteekeningen niet om zijn gevoelen te vestigen; de mingeoefende lezer, welke deze navolging zijner aandacht genoegzaam waardig keurt om dezelve te lezen, zal dan ook hulpmiddelen genoeg voorhanden hebben, om zich zelven omtrent personen en zaken of het regte begrip van moeijelijke plaatsen in te lichten, en zij, die het werk slechts voor een oogenblik zullen doorbladeren, om het daarna weg te sluiten, zullen zeker de kosten van aankoop door geene Aanteekeningen wenschen vermeerderd te zien. Ik zend het Werk, als in het oorspronkelijke ruim vier duizend verzen of regels korter zijnde dan de Ilias, niet in vier, maar in drie Deelen, elk van acht Boeken of Zangen, in het licht; eene verdeeling, welke mij des te verkieslijker scheen, daar juist met het negende Boek Ulysses het verhaal zijner lotgevallen bij Alcinoüs begint, en met het zeventiende de wraakneming over zijne vijanden in Ithaka aanvangt. Weinig durfde ik mij vleijen, toen ik mijne navolging der Ilias in het licht zond en het Voorberigt mijner Verspreide Lettervruchten schreef, dat mij en de lust en de tijd zouden gegeven worden om ook de Odysséa in onze rijke Moedertaal over te brengen, en alzoo deze beide hoofdwerken van den oudsten en grootsten der Dichteren, naar ik hope, in eene voegzame houding aan mijne landgenooten mede te deelen. Het vereerend onthaal, aan de Ilias verleend, de in mijne oogen alles overtreffende getuigenis, door onzen grooten Bilderdijk aan dien arbeid gegeven, en de aanmoedigende voorlichting van den Hoogleeraar van Lennep, aan wiens doorzigt en vriendschap ik mij zoo onvergetelijk verpligt erken, hebben mij echter bemoedigd om ook dezen arbeid te voltooijen.
Inmiddels, hetzij dan dat de veelvuldigheid der kostbare en niet altijd aan de verwachting beantwoordende inteekeningen dit middel van uitgave moeijelijker begint te maken, dan het tijdens de verschijning der
Ilias was, hetzij dat men eene goedkoopere uitgave van de Odysséa verbeidt, welke echter in de eerste jaren niet volgen zal, de inteekening en hoogere medewerking zijn diep beneden die voor de Ilias gebleven: over dit en vele andere punten, welke mij persoonlijk betreffen, zoude ik bij deze gelegenheid misschien mogen uitweiden, dan dewijl dezelve voor den lezer waarschijnlijk onbelangrijk zijn, acht ik het zwijgen ten dezen verkieslijk, en blijft mij hier dus niets meer overig, dan, onder de uitstorting der vurigste wenschen voor de toenemende verlichting en den bloei van mijn Vaderland, mijnen arbeid op te dragen aan de welwillendheid mijner tijdgenooten, maar vooral aan die nakomelingschap, aan welke wij verantwoordelijk zijn wegens de nalatenschap der Vaderen, en op welker oordeelvelling of schatting, geen eigenbelang of partijdigheid van den dag, geene liefde of ongunst meer vermogen.

__________________________

NAAMLIJST
der INTEEKENAREN
op dit WERK.

-------------------------

De Heer Mr. H.J. van Affelen van Oorde, Advocaat te Amsterdam,.
- - C. Apostool, Ridder der Orde van den Nederlandschen Leeuw, Lid der Vierde Klasse van het Koninkl. Nederl. Instituut en Directeur van het Museum, te Amsterdam.
- - Mr. R.H. Arntzenius, Lid der Tweede Kamer van de Staten-Generaal en Rijks-Advocaat in Noord-Holland, te Haarlem.
- - W.H. Backer, te Amsterdam.
- - Klaas Bakker, Harmensz., Lid der Staten van Holland, te Broek in Waterland.
- - J.A. Bakker, Lid van het Provinciaal Utrechtsch Genootschap, te Rotterdam.
- - J.S.S. Ballot, Theol. Cand. te Leyden.
- - Mr. M.A. Beels, Heer van Heemstede en Raad der stad Haarlem.
- - B.H. Blankenberg, te Amsterdam.
- - Mr. D.S. Boas, Advocaat te Amsterdam.
De Heer Mr. J. Bondt, Ridder der Orde van den Nederlandschen Leeuw, te Amsterdam.
- - A.M. van Bosveld, te Dordrecht.
- - G.E. Boswel, te Amsterdam.
- - A.H. Brak, te Amsterdam.
- - Izaak Brants, te Amsterdam.
- - J. Braun, Boekhandelaar te Amsterdam.
- - P.W. Bronkhuijzen, Jur. Stud. te Leyden.
- - Mr. A. de Bruine, Advocaat te Amsterdam.
Mevr. de Wed. De Burlett, geb. Gregory.
De Heer Mr. G. Buijs, Advocaat te Amsterdam.
- - J. Carp, Lid der Staten van Holland en Raad der stad Amsterdam.
- - J. Corver Hooft, Lid der Staten van Holland, te Amsterdam.
- - Mr. I. Da Costa, te Amsterdam.
- - J.A. Bolongaro Crevenna, te Amsterdam.
- - J.B. Bolongaro Crevenna, te Amsterdam.
- - Mr. J.P. van Wickevoort Crommelin, Heer van Berkenrode, Kommandeur der Orde van den Nederlandschen Leeuw, Staatsraad in buitengewonen dienst, enz. enz., te Berkenrode.
- - C.D. Crommelin, te Amsterdam.
Het Departement van Publiek Onderwijs, Nationale Nijverheid en Koloniën, 3 Exemplaren.
Jonkh. Mr. A.A. Deutz van Assendelft, Ridder der Orde van den Nederlandschen Leeuw, Lid der Ridderschap van Holland en Burgemeester der stad Amsterdam.
De Heer - C. Diemont, Advocaat te Amsterdam.
- - J.A. van Dijk, Advocaat te Amsterdam.
- - L. van Es, Boekhandelaar te Amsterdam.
- - Mr. J. Fabius, Ridder der Orde van den Nederlandschen Leeuw en Kolonel der Schutterij te Amsterdam.
- - J.N. Fabritius, Ontvanger der Registratie te Amsterdam.
Z.E. de Heer Mr. A.R. Falck, Minister van Publiek Onderwijs, Nationale Niverheid en Koloniën, Kommandeur der Orde van den Nederlandschen Leeuw, enz. enz.
De Heer B.A. Fallee, te Amsterdam.
- - J. Henry Fraissinet, te Amsterdam.
- - Mr. H.A. Gales, Substituut-Officier van Justitie te Amsterd.
Het Genootschap: Constanter, te Leeuwarden.
De Heer J.G. Glasbergen, Jr., te Amsterdam.
- - K. Groen, te Amsterdam.
- - G.J.A. Haas, te Amsterdam.
- - Mr. M.C. van Hall, Ridder der Orde van den Nederlandschen Leeuw, Lid der derde Klasse van het Koninkl. Nederl. Instituut en Advocaat te Amsterdam.
- - F.A. van Hall, Advocaat te Amsterdam.
- - J.W. van Hasselt, Advocaat te Amsterdam.
- - C. Heidman, te Amsterdam.
- - P. den Hengst en Zoon, Boekhandelaars te Amsterdam.
- - L.H. van der Herp, Med. Doct. te Rotterdam.
- - C.C. van der Hoek, Boekhandelaar te Leyden.
- - Mr. W.C.'t Hoen, Lid der Regtbank te Amsterdam.
- - J. 't Hoen, te Amsterdam.
Jonkh. Mr. W. van Hogendorp, Directeur der Registratie en Domeinen in de Provinciën Noord-Holland en Utrecht, te Amst.
De Heer A. van Bynkershoek van Hoogstraten, te Amsterdam.
- - A. Houtkoper, Notaris te Amsterdam.
- - R. Hoijman, te Amsterdam.
- - Mr. A.E. Huisman, te Brielle.
- - B. Hulshoff, te Amsterdam.
Jonkh. Mr. J. AEbinga van Humalda, Kommandeur der Orde van den Nederl. Leeuw en Gouverneur der Provincie Vriesland.
- - J. Huydecoper van Maarsseveen, Lid der Ridderschap en Staten van Holland, Raad der stad Amsterdam, enz. enz.
- - T.A. van Iddekinge, Lid der Regtbank te Amsterdam.
De Heer A.F. Insinger, te Amsterdam.
- - T. Janssen, Notaris te Amsterdam.
- - J.A. Jolles, te Amsterdam.
- - A. de Jong, Theol. Stud. te Franeker.
Mevr. de Jonge, geb. Ortt, te 's Hertogenbosch.
De Heer P.N. Jut, te Amsterdam.
- - Zacharias Kemper, te Amsterdam.
- - T.J. Kerkhoven, te Amsterdam.
- - Mr. H. Sautyn Kluit, Advocaat te Amsterdam.
- - J.J. Kluppel, te Amsterdam.
- - H.H. Klijn, te Amsterdam.
- - C. de Koning, Lz., te Haarlem.
- - A. Kortland, R.C. Pastoor te Rijzenberg.
- - J.U. Lamm, te Amsterdam.
- - A. van Lee, te Amsterdam.
Het Lees-Museum te Amsterdam.
Het Leesgezelschap: Utile Dulci, te Haarlem.
Het Leesgezelschap: Miscent Utile Dulci, te Leyden.
Het Leesgezelschap: Concordia, te Delft.
Het Leesgezelschap: Vriendschappelijk en Leerzaam, te 's Hage.
De Heer P.J. van Leeuwen, te Amsterdam.
- - Mr. D.J. van Lennep, Ridder der Orde van den Nederlandschen Leeuw, Lid der Staten van Holland en der tweede en derde Klasse van het Koninklijk Nederlandsch Instituut, Hoogleeraar, enz. enz. te Amsterdam.
- - J.A. van Lennep, te Amsterdam.
- - J.A. van Lennep, Pz., te Amsterdam.
- - G. Lepeltak, Kolonel der Schutterij te Amsterdam.
- - Mr. J. van der Linden, Advocaat te Amsterdam.
- - Corn. Loots, Ridder der Orde van den Nederlandschen Leeuw en Lid der tweede Klasse van het Koninkl. Nederl. Instituut, te Amsterdam.
De Heer M. Lotz, te Amsterdam.
- - P.J. van Maanen, Hoogleeraar te Amsterdam.
- - H. Manger, Predikant te Haarlem.
- - Mr. E. de Markas, Advocaat te Amsterdam.
- - F.P. Martin, te Amsterdam.
- - A. May van Vollenhoven, Boekhandelaar te Rotterdam.
- - J. Mendes de Leon, te Amsterdam.
- - N. Messchaert, Predikant te Rotterdam.
- - W. Messchert, te Rotterdam.
- - J.G. van der Meulen, Lid van het Syndikaat der Nederlanden en Commissaris van de Stedelijke Accijnzen en Belastingen der stad Amsterdam.
- - G.J. Meijer, Hoogleeraar te Leuven.
- - J.A.D. Molster, L.H.Stud. te Amsterdam.
- - Mr. W.F. Mogge Muilman van Haamstede, Lid der Staten van Holland en Raad der stad Amsterdam.
- - J.H. Molkenboer, Lid der vierde Klasse van het Koninkl. Nederl. Instituut, te Amsterdam.
- - Mr. H.J. Momma, Vrederegter te Amsterdam.
Jonkh. A.C.W. Munter, Kolonel van de Schutterij en Raad der stad Amsterdam.
De Heer Mr. H.G. Nahuys, te Batavia.
- - C.J. Nieuwenhuis, Med. en Chir. Doct. en Lid van het Geneeskundig Toevoorzigt te Amsterdam.
- - W.H. Nolthenius, te Amsterdam.
- - P. Nyhoff, Boekhandelaar te Arnhem.
- - J.F. Oftenoord, te Amsterdam.
Jonkvr. H.J. van Orsoy, te Amsterdam.
De Heer J.H. den Ouden, Boekhandelaar te Amsterdam.
- - F. van der Oudermeulen, te Amsterdam.
- - W. Pluijm, te Amsterdam.
- - Mr. F. van de Poll, Directeur der Belastingen, Provincie Noord-Holland, en Raad der stad Amsterdam.
De Heer Mr. J. Wolters van de Poll, te Amsterdam.
- - A.J. Pool, te Amsterdam.
- - P. Portielje, Abmsz., te Amsterdam.
- - B. van Praag, Notaris te Amsterdam.
- - Js. Radink, te Amsterdam.
- - H. Ravekes, Algemeene secretaris van de Maatschappij: Tot Nut van 't Algemeen.
- - Mr. J.H. van Reenen, Lid der derde Klasse van het Koninkl. Nederl. Instituut en Hoogleeraar te Amsterdam.
- - J. Reisig, Procureur te Amsterdam.
Dezelve, voor het Genootschap: Doctrina et Amicitia, te Amsterdam.
Jonkh. Mr. W. Rendorp van Marquette, Lid van het Syndikaat der Nederlanden en Raad der stad Amsterdam.
De Heer J.B. Retemeijer, te Amsterdam.
- - J. van Riet, Notaris te Amsterdam.
- - Th.P. Rocquette, te Amsterdam.
Z.E. de Baron Mr. W.F. Roëll, Grootkruis van verschillende Ordes, Staatsminister, Kanselier der Orde van den Nederl. Leeuw, enz. enz.
Jonkh. Mr. W. Roëll, Secretaris der Nederlandsche Bank te Amsterdam.
De Heer P. Romond, te Kampen.
- - A.F. de Ruiter, Boekhandelaar te Harlingen.
- - Mr. J. Sandra, Advocaat te Amsterdam.
- - Sarlemijn, Secretaris van het Genootschap: Tot vorming van Verstand en Hart, aan de Helder.
- - H. Scheerder, Schoolhouder te Amsterdam.
- - F. Schermacher, Commies ter Thesaurie der stad Amsterdam.
- - Mr. J. Schimmelpenninck, Advocaat te Amsterdam.
- - J.C. Six, Contrôleur der Posterijen te Amsterdam.
- - A. Snoek, Eerste Tooneelkunstenaar van den Stads-Schouwburg te Amsterdam.
- - C. Steendyk, Verificateur der Registratie en Domeinen te Amsterdam.
De Heer A.O.E. Graaf van Limburg Stirum, Stud. te Franeker.
- - B.J. Stratenus, te Amsterdam.
- - M. Stuart, Lid der derde Klasse van het Koninkl. Nederl. Instituut en Predikant te Amsterdam.
- - A. van der Swan, te Amsterdam.
- - Mr. J.P. Taunay, Advocaat te Amsterdam.
- - A.J. van Tetroode, Boekhandelaar te Amsterdam.
Jonkh. J. Texeira, Jz., te Amsterdam.
- - J.D. Baron van Tuijll van Serooskerken van Hees en Leende, Ridder der Orde van den Nederlandschen Leeuw, Lid der Ridderschap van Noord-Braband, enz. enz., te Hees.
- - J. Twisk, Csz., te Amsterdam.
De Erve Valkenier, Boekhandel, te Kampen.
De Heer H.W. Valois, te 's Gravenhage.
- - A.P. Vermaat, te Amsterdam.
- - D.J. Voombergh, Raad der stad Amsterdam.
- - A. Voombergh, te Amsterdam.
- - J. de Vos, Wz., Lid en Secretaris der vierde Klasse van het Koninkl. Nederl. Instituut.
- - Mr. Jeronimo de Vries, Lid der tweede Klasse van het Koninklijk Nederl. Instituut en Griffier ter Secretarij der stad Amsterdam.
- - J. van Ouwerkerk de Vries, te Amsterdam.
- - H.L. de Vries, te Amsterdam.
- - Mr. J. van Walré, Oud Lid van den Raad en Curator der Latijnsche Scholen te Haarlem.
- - Carl. van Walree, te Amsterdam.
- - J.J.F. Wap, te Leyden.
Jonkh. Mr. A. Warin, Lid der Regtbank te Amsterdam.
- - J.N. Warin, Ridder der Militaire Willems-Orde, vierde Klasse, Referendaris der tweede Klasse en Inspecteur der Domeinen in de Provinciën Noord-Holland en Utrecht.
De Heer - E.C.C. Warmolts, Procureur te Leeuwarden.
Jonkh. Mr. E. van Weede van Dijkveld, Lid der Ridderschap van Utrecht en Griffier der Eerste Kamer van de Staten-Generaal, te Amsterdam.
De Heer J.J. van Weezelenburg, te Amsterdam.
Mevr. C.R. van Westreenen Woesthoven, te Amsterdam.
De Heer J. te Winkel, te Amsterdam.
- - J.J. van Winter, Raad der stad Amsterdam.
- - Mr. S.I.Z. Wiselius, Ridder der Orde van den Nederl. Leeuw, Lid en Secretaris der tweede Klasse van het Kononklijk Nederlandsch Instituut, Directeur van Policie te Amsterdam.
Dezelve, voor de tweede Klasse van het Koninkl. Nederl. Instituut.
De Heer Mr. P. Wolterbeek, Regter-Plaatsvervanger te Amsterdam.
- - R.D. Wolterbeek, te Amsterdam.
- - J.J. van Wijck, te Amsterdam.

---------------------------