odyssee xv 380 - 495

Odysseus en Eumaios in de hut

(vertaling M.A.Schwartz)


Odysseus sprak : "Eumaios, arme vriend,
Mij dunkt, je was een kleine jongen nog,
Toen je zo ver bent afgedwaald van huis
En van je ouders. Kom, vertel mij dit
Precies, zoals het vroeger is gebeurd.
Werd soms de breedgebouwde stad verwoest,
Waarin je ouders woonden ? Of heeft jou
Een roverstroep ontvoerd, toen je alleen
De schapen hoedde of de koeien ? Werd
Je mee aan boord genomen en verkocht
Aan deze meester voor een flinke prijs ?"
Het antwoord van de zwijnenhoeder was :
"Vriend, nu je dat zo vraagt en weten wilt,
Hoor toe in stilte en geniet er van,
En drink je wijn maar rustig. Eindeloos
Zijn deze nachten, lang genoeg voor slaap
En voor verhalen, als je dat bekoort.
Je hoeft niet vroeg naar bed te gaan. Veel slaap
Is maar een kwelling. Als de lust daartoe
Een van de knechts bekruipt, dan kan hij gaan
En buiten slapen. Maar zodra de zon
Verschijnt, eerst eten en dan haastig met
De zwijnen van de meester er op uit !
Wij beiden blijven samen in de hut ;
Dan kunnen wij bij maaltijd en bij wijn
Genieten van d'herinnering aan wat
Wij hebben doorgemaakt. Want achteraf
Beleeft een man, die veel geleden en
Gezworven heeft, zelfs vreugde aan zijn smart.
Nu zal ik je vertellen, wat je vraagt.
Er ligt een eiland, Syrië genaamd,
- Misschien je reeds bekend - ten Noorden van
Ortygia, het keerpunt van de zon.
Het is niet dichtbevolkt, maar vruchtbaar toch
En rijk aan runderen en schapen, rijk
Aan wijn en tarwe. Honger kent het volk
Daar niet, geen gruwelijke ziekte kwelt
De arme mensen in die stad, en als
Zij oud daar worden, komt Apollo met
Zijn zuster Artemis en doden zij
Hen met een zachte pijl uit zilvren boog.
Twee steden liggen daar en alles is
In tweeën er verdeeld ; van beide was
Mijn vader koning, Ktesios, de zoon
Van Ormenos ; hij was een god gelijk.
Op zekere dag verschenen in dat land
Phoeniciërs, door scheepvaart wijd vermaard,
Schavuiten, met aan boord van 't zwarte schip
Een lading snuisterijen zonder tal.
Nu was er in mijn vaders huis een vrouw,
Afkomstig uit Phoenicië, zeer schoon
En groot van stuk, bedreven in haar werk.
De sluwe zeelui brachten haar het hoofd
Op hol. Want een van hen ontmoette haar,
Toen zij de was deed bij 't gewelfde schip.
Zij werd door hem verleid. Niets maakt zo zeer
Een zwakke vrouw, al is zij braaf, van streek.
Hij vroeg haar, wie zij was, vanwaar zij kwam.
Zij toonde hem terstond het hoge dak
Van 't huis mijns vaders en zij sprak : "Ik kom
Uit Sidon, uit de stad van 't vele brons.
Ik ben de dochter van een schatrijk man,
Van Arybas ; een roversbende heeft
Mij, toen ik keerde van het veld, ontvoerd.
Zij brachten mij hierheen naar deze man,
En zij verkochten mij voor hoge prijs."
Toen sprak de man, die heimelijk haar had
Verleid : "Als jij eens met ons terug wou gaan
Naar huis ! dan zie je weer je vader en
Je moeder en het ouderlijke huis.
Zij leven nog en staan als rijk bekend."
Haar antwoord was : "Dat zou ik kunnen doen ;
Maar, zeelui, zweert mij eerst een dure eed,
Mij veilig thuis te brengen, ongedeerd !"
Zij zwoeren allen, wat zij had gevraagd.
Nadat de eed door hen was afgelegd,
Vermaande hen de vrouw en sprak opnieuw :
"Nu monden dicht ! Laat niemand, als hij soms
Op straat mij tegenkomt of bij de bron,
Een woord ooit tot mij spreken ! Anders gaat
Misschien de een of ander naar 't paleis
En brengt het over aan de oude man.
En als hij argwaan krijgt, dan slaat hij mij
In smartelijke boeien en verzint
Een middel, hoe hij jullie doden kan.
Houdt onze afspraak voor je en koopt vlug
Je waren in ; en is het schip bevracht,
Zendt dadelijk dan een boodschap naar 't paleis.
Goud breng ik voor je mee, zoveel mijn hand
Maar grijpen kan, en nog een ander loon,
Dat ik als reisgeld graag betalen zal.
Het zoontje van mijn meester breng ik groot
In het paleis, een aardig, schrander kind,
Dat overal mij naloopt, waar ik ga.
Die jongen neem ik mee aan boord ; hij brengt
Je stellig schatten geld op, waar je hem
Als slaafje in een ander land verkoopt."
Zo sprak z'en ging terug naar 't mooie huis.
Een vol jaar bleven zij bij ons, totdat
Zij al hun waren hadden ingekocht.
Maar toen het holle schip geladen was
En alles klaar was voor de reis naar huis,
Toen zonden zij een boodschap aan de vrouw.
Een listig man kwam naar mijn vaders huis.
Hij nam een halssnoer mee, van barnsteen fraai
Geregen en van goud, een lust voor 't oog.
De ketting ging van hand tot hand. Terwijl
Mijn moeder en de dienaressen van
Het huis een koopsom boden, gaf de man
Een stille wenk aan haar en ging terug
Naar 't schip. Zij greep mij bij de hand en nam
Mij mee naar buiten. In het voorportaal
Zag zij de tafels en de bekers van
Mijn vader en zijn gasten, juist op weg
Gegaan naar een vergadering van 't volk.
Vlug, zonder aarzelen, verstopte zij
Drie bekers in haar kleed en nam ze mee.
Ik volgde haar in mijn onnozelheid.
De zon ging onder ; allerwegen werd
Het donker al ; wij stapten haastig voort
Tot aan de grote haven, waar het schip
Van de Phoeniciërs gereed lag voor
Zijn snelle vaart. Zij namen ons aan boord
En gingen allen scheep. De boot bevoer
Het deinend vlak ; Zeus zond een goede wind.
Zes dagen en zes nachten zeilden wij
Aan één stuk door ; maar toen een nieuwe dag,
De zevende, door Zeus was toegevoegd,
Trof Artemis met scherpe pijl die vrouw.
Zij plofte neer in 't ruim, een meeuw gelijk.
Zij wierpen haar in zee, een prooi voor rob
Of haai. En ik bleef achter, diep bedroefd. -
De golven en de wind dreven ons
Naar Ithaka ; hier kocht Laertes mij.
Vandaar, dat ik dit land t'aanschouwen kreeg."
"Eumaios," sprak Odysseus, "het verhaal
Van al je avonturen heeft mij diep
Geroerd ; maar toch gaf Zeus je bij je leed
Iets goeds ; want na veel moeite en verdriet
Ben jij gekomen bij een vriendelijk heer,
Die jou te eten en te drinken geeft,
Volop. Je hebt een goed bestaan. Maar ik
Heb moeten zwerven heel de wereld door
Langs vele steden, voordat ik hier kwam."
Zo zaten zij te praten met elkaar.
Toen gingen zij te ruste, niet voor lang.
Weldra besteeg de Dageraad haar troon.

Odyssee XV 380 - 495

 


 

Deze vertaling is ontleend aan :
Barnsteen. Een bundel verhalen uit de klassieke oudheid, vertaald (...) door M.A.Schwartz.
Elsevier, Amsterdam/Brussel, 1953.