Homerus´ Odyssee

In proza vertaald en met korte ophelderingen voorzien door
Dr. W.G. van der Weerd.
Amsterdam. - S.L. van Looy. 1901.

Dertiende Zang.

vs. 1 - 62: Afscheid van Odysseus; vertrek van Scheria.

Zóó sprak hij; en zij allen hielden zich stil en zwegen en door stille verrukking waren allen in de schaduwrijke mannenzaal bevangen. Hem antwoordde daarop weêr Alcinoüs en hij sprak:
"Odysseus! nu gij in mijn op koper gegrondveste, hoog overdekte woning gekomen zijt, zoo denk ik dat ge niet, teruggedreven, weêr naar huis zult terugkeeren, hoezeer ge ook reeds zeer veel hebt geleden. Doch dit draag ik op en zeg ik aan ieder van ulieden, die hier in mijn woonzaal steeds den vonklenden eerewijn, een hulde aan de oudste vorsten, drinkt en naar (´t lied van) den zanger steeds luistert: kleederen liggen er reeds voor den gast in de schoon gepolijste kist en ook met veel kunst bewerkt goud, benevens alle andere geschenken, welke de raadgevende vorsten der Phaeaciërs hierheen hebben gebracht; maar welaan, laten wij, man voor man, hem bovendien nog een grooten drievoet met bekken schenken; wij daarentegen zullen ´t ons laten vergoeden door inzameling onder het volk; want voor een enkelen valt het te zwaar, dezen dienst om niet te bewijzen."
Zóó sprak Alcinoüs en bij hen vond zijn woord instemming en bijval. Daarop gingen zij, ieder naar zijn eigene woning om zich ter ruste te leggen; doch toen de in den morgenstond geboren, rozenvingrige Eos verscheen, spoedden zij zich naar het schip en droegen met zich het stevige koper. Zorgvuldig legde de krachtige, flinke Alcinoüs, zelf in het schip rondgaande, dit alles onder de roeibanken neêr, opdat het niemand der gezellen, wanneer zij met de riemen zich repten, bij ´t roeien zou hinderen; daarna keerden zij terug naar ´t paleis van Alcinoüs en bezorgden den maaltijd.
Daar offerde voor hen de flinke, krachtige Alcinoüs een rund ter eere van Zeus, den donkeromwolkten zoon van Cronos, den albeheerscher. Daarop, na de schenkelbeenderen te hebben verbrand, hielden zij, vreugde genietend, een heerlijken maaltijd; en in hun midden zong de godlijke zanger Demodocus, hooggeëerd bij het volk.
Doch Odysseus wendde telkens zijn hoofd naar de stralende zon, vol vurig verlangen dat ze onder mocht gaan; want thans haakte hij vurig naar den terugkeer naar huis. Evenals wanneer een man vurig naar den avondmaaltijd verlangt, wiens span glanzig-bruinzwarte ossen den ganschen dag door den stevig getimmerden ploeg over het braakland hebben getrokken; en welkom daalt eindlijk hem het licht der zon onder de kim, om ten avondmaaltijd te gaan, want zijn knieën wankelen hem onder het gaan: zóó daalde ook voor Odysseus welkom het licht der zon onder de kim. Aanstonds sprak hij daarop te midden der scheepvaartlievende Phaeaciërs, doch aan Alcinoüs in ´t bijzonder het meêdeelend, sprak hij het woord:
"Heerscher Alcinoüs, uitstekendste onder alle mannen! plengt gijl. thans en laat dan in vrede mij gaan; vaart allen wel! Thans toch is het vervuld, wat mijn harte begeerde, geleide op reis en vriendlijke geschenken; mogen de Hemelbewoners dat alles ten goede mij doen gedijën; en moge ik, wedergekeerd, te huis mijn voortreflijke gade en al mijn geliefden in welstand weêrvinden. Moogt ook gijl., die hier blijft, nog lang leven tot vreugd van de gaden uwer jeugd en van uwe kinderen; mogen ook de Goden u allerlei voorspoed verleenen en geen ramp of onheil komen over het volk."
Zóó sprak hij en zij allen keurden het goed en drongen er op aan den gast te laten gaan, daar hij naar behooren gesproken had. Toen sprak de krachtige Alcinoüs tot zijn heraut:
"Pontonoüs! vul thans het mengvat met wijn en deel dien aan allen rond in de zaal, opdat wij, na tot Vader Zeus te hebben gebeden, dien gast daar naar het land zijner vaderen laten vertrekken."
Zóó sprak hij en Pontonoüs mengde den hartverheugenden wijn en deelde dien, op hen toetredend, aan allen rond; daarop plengden zij, ieder van de plaats waar hij zat, ter eere der zalige Goden, die den uitgestrekten hemel bewonen. Doch de godlijke Odysseus stond op van zijn zetel, reikte Arete een´ beker met dubbel handvat en zijne stem verheffend, sprak hij tot haar de gevleugelde woorden:
"Heil u, vorstin! in lengte van tijd, tot de ouderdom en de dood u genaken, die allen menschen te wachten staan. Thans keer ik terug; maar beleef gij, hier in uw woning, steeds vreugde van uwe kinderen en volk en van Alcinoüs, den vorst."

vs. 63 - 125: Odysseus´ reis naar huis en landing in de haven van Phorcys op Ithaca.

Na zóó te hebben gesproken schreed de godlijke Odysseus over den drempel. Doch aanstonds zond de krachtige Alcinoüs den heraut met hem mede, om hem den weg te wijzen naar het snelle schip en het strand van de zee. Ook zond Arete (drie van haar) dienende vrouwen met hem mede, ééne met den heldergewasschen mantel en het onderkleed voor hem, en een´ andere gaf zij hem mede om de stevige kist hem te brengen; eindelijk bracht nog een´ andere spijs en roodkleurigen wijn (voor hem mede). Toen zij nu neêrgedaald waren tot het schip en de zee, namen de kloeke geleiders het goed in ontvangst en legden het neêr in het holle schip, en tegelijk al de spijs en drank; daarop spreidden zij voor Odysseus een deken en lijnwaad uit op het achterdek van het holle schip, opdat hij er ongestoord zou kunnen slapen. Eindelijk ging ook hij zelf aan boord en legde zich zwijgend ter ruste; toen zetten zij, ieder bij zijn dol, in ordlijke rij zich neêr en maakten de kabel los uit de holte, geboord in den steenklomp.
Thans deden zij, achterovergebogen, de zee met de riembladen opspatten; en aanstonds zonk er een zoete, diepe, heerlijke slaap, aan den dood ten nauwste gelijk, op zijne oogleden. En het schip - evenals op de vlakte een vierspan hengsten, allen onder de slagen der zweep te gelijk opstuivend ten aanloop, hoog van den grond opspringen en snel hun weg afleggen - zóó hief de voorsteven van ´t schip zich omhoog en van achter (in ´t zog) woelden heftig de donkerkleurig glinstrende golven der luidbruisende zee. Ongestuit in zijn vaart, snelde het schip onophoudelijk voort; en geen kringvalk, de snelste onder de vogels, zou het (in zijn vaart) kunnen bijhouden.
Zóó snel voortijlend, doorsneed het schip de golven der zee, dragend den man, in verstand den Goden gelijk, die vroeger wel zeer vele smarten in zijn gemoed had geleden, den strijd doorstaande met mannen en moeilijk te doorworstelen golven, maar die nu rustig sliep, vergetend al wat hij had geleden.
Toen nu de bizonder heldere ster opkwam, die vooraan verrijst als de bode van ´t licht der in den morgenstond geboren Eos, toen dan naderde het zeedoorklievende vaartuig het eiland.
Nu ligt er, aan Phorcys, den grijze der zee, gewijd, in het land van Ithaca een haven; bij de monding daarvan liggen twee vooruitstekende, steile hoogten, zacht afglooiend aan den kant van de haven, welke de geweldige golven, door heftig waaiende winden opgezweept, aan de buitenzijde afhouden en keeren; binnen die haven liggen, door geen kabel bevestigd, de schepen met stevige roeibanken, wanneer ze de reede hebben bereikt, rustig en veilig. - Voorts staat er aan de achterzijde der haven een spitsbladerige olijfboom en dicht daarbij bevindt zich een bekoorlijke, schemerigduistere grot, het heilig verblijf van de nimfen, die Najaden worden genoemd; binnen daarin staan mengvaten en steenen dubbelgeoorde kruiken, waarin wilde bijen zich nestelen; daar zijn mede, in ´t groot, weefstellen van steen, waaraan de nimfen purperkleurige lijnwaden weven, een wonder om te aanschouwen; ook is er steeds stroomend bronwater. Verder zijn er twee ingangen, de eene aan den noordkant, waardoor de menschen er in kunnen afdalen; de andere daarentegen, aan de zuidzijde, is voor de Goden bestemd; dáár hebben de menschen geen toegang, maar ´t is een weg, alléén voor de onsterflijken.
Daar nu roeiden zij binnen, want zij kenden reeds van vroeger (de haven). Het schip liep vervolgens snel voortschietend, tot op de helft van zijn lengte, aan den oever op ´t land; zóó krachtig toch waren de handen der roeiers, die het voortstuwden. Daarop stegen zij uit het schip met stevige roeibanken aan land, doch hieven eerst Odysseus met het lijnwaad en den deken van blinkende stof uit het holle schip en legden hem, nog steeds in de boeien van den slaap gekluisterd, op het oeverzand neêr; daarop ontlaadden zij de goederen, welke de edele Phaeaciërs hem, bij zijn terugkeer naar huis, naar de beschikking der moedige Athene, hadden medegegeven. Al die goederen legden zij toen bij elkaâr aan den voet van den olijfboom ter zijde van den weg, opdat soms geen der voorbijgaande menschen ze zou komen rooven, voordat Odysseus ontwaakte; daarop keerden zij zelf weêr naar huis.

vs. 125 - 187: Poseidon straft, na overleg met Zeus, de Phaeaciërs voor hun begeleiding van Odysseus.

Intusschen vergat de Schudder van ´t aardrijk de bedreiging niet, die hij eens den godengelijken Odysseus gedaan had; en aanstonds vroeg hij den raad van Zeus:
"Vader Zeus! niet langer zal ik onder de onsterflijke Goden geëerd zijn, wanneer mij de stervelingen in ´t geheel niet meer eeren, die Phaeaciërs, die nog wel uit mijn geslacht zijn geboren. Immers ik dacht, dat Odysseus, eerst na veel jammer en lijden, thans weêr te huis zou komen: - want den terugkeer heb ik nooit geheel en al hem ontnomen, nadat gij eenmaal hem dien hadt beloofd en met gunstigen hoofdwenk toegezegd hadt - doch nu hebben zij hem, (rustig) slapend op ´t holle schip, over zee vervoerd en op Ithaca´s oever hem nedergelegd en hem heerlijke geschenken gegeven, koper en goud in rijklijke menigte en geweven gewaden, ja zooveel, als Odysseus nooit had kunnen verwerven uit Troje, al ware hij ook ongedeerd teruggekomen, met zijn aandeel in den buit, hem toebedeeld bij de loting."
Tot hem sprak daarop de wolkenverzamelaar Zeus ten antwoord:
"Wat! wijdmachtige Schudder van ´t aardrijk, wat is dat voor een meening! Volstrekt niet raken de Goden aan uw eer; onmogelijk zou ´t dan ook zijn den in waardigheid en aanzien oudsten (God) met minachting te bejegenen. Doch als van de ménschen werkelijk er een, aan zijn sterkte en kracht bot vierend, u in ´t geheel niet eert, dan blijft toch aan ú, ook later, nog altijd de wraak en vergelding. Handel zooals gij het wenscht en ´t uw harte behaagt."
Hem antwoordde daarop Poseidon, de Schudder van ´t aardrijk:
"Dadelijk zou ik ´t wel doen, donkeromwolkte! zooals gij ´t daar zegt: doch steeds ontzie en vermijd ik uw toorn. Nu echter wil ik het prachtige schip der Phaeaciërs, op den terugkeer van zijn geleide, op de nevelige zee vernielen, opdat ze van nu aan zich wachten en ophouden menschen te begeleiden, en hun stad wil ik met een hoog gebergte omringen.
Tot hem sprak daarop de wolkenverzamelaar Zeus ten antwoord:
"Mijn waarde! zóó schijnt het mijn gemoed het beste te zijn: wanneer alle menschen daar uit de stad het schip van verre reeds (huiswaarts) zien spoeden, verander het dan, dicht bij de kust, in een steenklomp, (in vorm) een snel schip gelijkend, opdat alle menschen steeds met verwondering dit beschouwen, doch omring niet met een hoog gebergte hun stad."
Zoodra nu Poseidon, de Schudder van ´t aardrijk, dit had gehoord, spoedde hij zich op weg naar Scheria, waar de Phaeaciërs wonen. Dáár bleef hij wachten: daar naderde eensklaps het zeedoorklievende schip, voortsnellend in ijlende vaart; doch nu naderde de Schudder van ´t aardrijk het, gaf het een slag met zijn vlakke hand en maakte het schip tot een steenklomp en wortelde het vast aan den bodem; daarop ging hij snel naar elders.
Toen spraken de Phaeaciërs, de mannen met lange roeiriemen en beroemd om hun schepen, tot elkander gevleugelde woorden. Zóó sprak toen deze en gene, terwijl hij hem, die ´t naast bij hem stond, aanzag:
"Wee! wie heeft de vaart van het snelle schip op de zee gestremd, terwijl het zich huiswaarts spoedde? en toch was het geheel reeds in ´t zicht."
Zóó sprak menigeen van hen; maar dát wisten zij niet, hoe de werkelijkheid was. Daarop echter vatte onder hen Alcinoüs het woord op en sprak:
"Wee! zeker en wis treft me thans de oudtijds door mijn vader mij verkondigde godspraak, die mij zeide, dat Poseidon jegens ons afgunstig gezind was, omdat wij aan alle menschen veilig geleide verleenen. Hij zeide mij, dat Poseidon eens een stevig gebouwd schip der Phaeacische mannen, op den terugkeer van zijn geleide, op de nevelige zee zou vernielen en met een hoog gebergte onze stad zou omringen. Zóó sprak de grijsaard; en dat alles gaat blijkbaar thans in vervulling. Welaan dan, laten wij allen gehoorzamen, zooals ik het u zeg: houdt er meê op den menschen geleide te geven, wanneer iemand (smeekend) onze stad nadert; en laten we aan Poseidon twaalf uitgelezen stieren ten offer wijden, (om te beproeven) of hij zich erbarmt en niet onze stad met een zeer hoog gebergte wil omringen."
Zóó sprak hij; en zij werden bevreesd en maakten de stieren (ten offer) gereed.
Zóó zonden daar de aanvoerders en heerschers van ´t volk der Phaeaciërs, rondom het altaar staande, hun beden op tot Poseidon, den vorst.

vs. 187 - 286: Odysseus ontwaakt, maar herkent al jammerend zijn vaderland niet. Athene verschijnt hem in de gestalte van een´ jongen herder en zegt hem, waar hij zich bevindt. Odysseus geeft zich voor een´ voortvluchtigen Cretenser uit.

Intusschen ontwaakte de godlijke Odysseus, op zijn vaderlijken grond, uit den slaap, doch hij herkende, door zijne lange afwezigheid, het niet meer; ook spreidde er een Godheid een nevel in ´t rond[, Pallas Athene, de dochter van Zeus, om hem zelven onkenbaar te maken en al het noodige hem te kunnen zeggen, opdat niet eer zijne vrouw, noch burgers of vrienden hem zouden herkennen, voordat de minnaars al hun vergrijpen hadden geboet. Daarom dus kwam den vorst alles anders voor van gedaante, de ver voortloopende paden en de haven, overal met ankerplaatsen voorzien, ook de steile rotsen en weelderig bleoiende boomen]. Snel oprijzende trad hij toe en vestigde den blik op het land zijner vaadren; toen barstte hij uit in gejammer en sloeg zich (van wanhoop) met de vlakke hand op beide zijn dijen en met jammerende stem sprak hij:
"[Wee mij! in het land van welke stervelingen ben ik nu weêr gekomen? Zijn ze overmoedig en woest en onbeschaafd of zijn ze gastvrij en hebben ze een godvreezend gemoed? Waarheen toch zal ik die menigte goederen brengen? Waarheen moet ik zelf nu weêr ronddolen? O, was ik maar daar bij de Phaeaciërs gebleven, dan zou ik tot een´ anderen onder de machtige vorsten (als smeekeling) gegaan zijn, die mij wel gastvrij zou hebben ontvangen en ten terugkeer mij had laten gaan. Nu weet ik ze nergens veilig te bergen, maar toch zal ik ze hier niet laten, opdat ze niet soms een buit worden voor anderen.] Ach, die aanvoerders en heerschers der Phaeaciërs waren dus in ´t geheel niet verstandig en oprecht, zij, die mij naar een ander land hebben gebracht; en toch zeiden zij, dat zij mij naar het wijd zichtbare Ithaca zouden brengen, maar vervuld hebben ze hun belofte niet. Zeus, de beschermer der smeekelingen, moge hen straffen, hij, die ook op de andere menschen steeds zijn oog houdt gevestigd en al wie zondigt doet boeten. Doch kom, laat ik eerst die goederen daar tellen en nazien, of ze mij niet op hun hol schip iets meê hebben genomen bij hun heengaan."
Na zóó te hebben gesproken, telde hij de prachtige drievoeten en bekkens en het goud en de sierlijke, geweven gewaden. Doch daarvan miste hij niets; dan jammerde hij weêr om het land zijner vaadren, onder ´t uiten van bittere klachten heen en weêr dolend langs het strand der luidbruisende zee.
Daar naderde hem (eensklaps) Athene, in gestalte een´ jongen man gelijk, een´ herder der schapen, mollig en slank, als de kinderen zijn van de vorsten, met een dubbelen, sierlijk bewerkten mantel om de schouders; onder haar van kracht glanzende voeten droeg zij een schoeisel en een speer in de handen. Zoodra hij haar zag, werd Odysseus met vreugde vervuld en ging hij haar te gemoet en zijne stem verheffende, sprak hij tot haar de gevleugelde woorden:
"Vriend! daar gij de eerste zijt, dien ik aantref hier in dit land, zoo wees mij gegroet en moogt ge mij niet ontmoeten met booze gezindheid, maar neem gij dit alles in uwe bescherming en bescherm ook mij zelven: tot u toch richt ik mijn smeeken, als tot een God en tot uw knieën kom ik als smeekling. Zeg ook naar waarheid mij dit, opdat ik zeker het wete: welk volk, welk land is dit? welke menschen leven er in? is het soms een wijd zichtbaar eiland of is het een aan zee gelegen kustzoom van het grofkluitige vasteland?"
Tot hem sprak daarop weder de vonkeloogige Godin Athene:
"Vreemdeling! ge zijt onnoozel of wel van verre gekomen, daar ge immers naar dít land vraagt; geenszins is het toch zóó heel onbekend; want zeer velen kennen het, zoowel zij die wonen naar den dageraad en de zon, als zij die daar achter naar de neevlige duisternis wonen. Zeker, ´t is rotsig en niet voor het rijden met paarden geschikt en ook is ´t niet heel uitgestrekt, maar arm is de grond er toch niet. Want ontzaglijk veel graan groeit er op en ook tiert er de wijnstok; en nooit ontbreekt het er aan regen en verkwikkende dauw. Ook is het een goede voedster van geiten en rundren; allerlei soort van geboomte is er en drenkplaatsen zijn er, altijd door met water gevuld. Daarom, vreemdling! is Ithaca´s naam, moet ge weten, zelfs tot Troje doorgedrongen, dat toch, naar men verhaalt, ver van ´t Achaeïsche land is gelegen."
Zóó sprak zij en blijdschap vervulde den volhardenden, godlijken Odysseus, vol vreugde over het land zijner vaad´ren, naar hetgeen Pallas Athene, de dochter van den aegisdragenden Zeus hem daarvan verhaald had en zijne stem verheffende, sprak hij tot haar de gevleugelde woorden - doch de waarheid verzweeg hij en bedwong het woord op zijn lippen, steeds met geslepen geest in zijn binnenste wikkend en wegend -:
"Ithaca hoorde ik noemen tot zelfs in het uitgestrekte Creta ver over zee, doch nu ben ook ik zelf hier gekomen met die goederen daar; en nog evenzooveel bij mijn kinderen achterlatend, ben ik nu op de vlucht, omdat ik den dierbaren zoon van Idomeneus heb gedood, den snelvoetigen Orchilochus, die in ´t uitgestrekte Creta alle broodetende mannen door zijn snelle voeten overwon, dewijl hij mij al mijn in Troje verworven buit wilde ontrooven, om welke ik zooveel smarten in mijn gemoed heb geleden, den strijd doorstaande met mannen en moeilijk te doorworstelen golven, omdat ik namelijk mij niet wilde voegen in den dienst van zijn´ vader, ginds in het land der Trojanen, maar zelf aanvoerder van andere krijgsmakkers was. Hem nu trof ik, toen hij huiswaarts keerde van ´t veld, met mijn gekoperde speer, dicht bij den weg, met een makker bij mij, in hinderlaag liggend; een pikdonkere nacht bedekte den hemel en niemand der menschen werd ons beiden gewaar en zoo ontnam ik hem, zonder dat iemand ´t bemerkte, het leven. Nadat ik hem nu met het scherpe koper gedood had, ijlde ik dadelijk naar een schip der flinke Phoeniciërs en smeekte hen (om hulp) en gaf hun een toereikend deel van mijn buit (als vaarloon); hen verzocht ik toen mij aan boord te nemen en naar Pylus te brengen of naar het heerlijke Elis, waar de Epeërs heerschen. Doch, helaas! het geweld van den wind dreef hen van daar terug, zeer tegen hun wil, want zij wilden mij niet bedriegen; en zoo zijn we, van daar steeds afdwalend, dezen nacht hier gekomen. Slechts met moeite roeiden wij de haven hier binnen en niet één van ons allen dacht aan de avondspijs, hoezeer we ook er naar snakten die te gebruiken, maar zóó zonder spijs verlieten wij ´t schip en legden allen ons neder. Toen overviel mij, van ´t werken vermoeid, de zoete slaap; intusschen losten zij mijne goederen uit het holle schip en legden ze neer bij de plaats, waar ik zelf op het oeverzand lag te slapen. Daarop gingen zij weder aan boord en vertrokken naar ´t schoon gelegen Sidonia; doch ik bleef verlaten hier achter, het hart van droefheid vervuld."

vs. 287 - 360: Athene vertoont zich in haar ware gestalte en jaagt den nevel uiteen, waarop Odysseus zijn vaderland herkent.

Zóó sprak hij; en de vonkeloogige Godin Athene glimlachte en streelde hem zacht met de hand - en in gestalte geleek zij nu (plotsling) een vrouw, schoon en rijzig en bedreven in heerlijken arbeid - en hare stem verheffende, sprak zij tot hem de gevleugelde woorden:
"Wel zou hij listig en sluw moeten zijn, die in allerlei listen ´t u afwon, zelfs wanneer een God u ontmoette. Vermetele, sluwe plannenberamer, nooit verzadigd van listen! zult ge dan, zelfs niet nu ge in uw eigen land zijt, nooit ophouden met bedrog en listig berekende woorden, die in den grond van uw hart u zoo lief zijn? Maar kom, laten we daarover niet meer spreken, wij beiden in listen doorkneed, want gij zijt onder alle stervelingen verre de voortreflijkste in beraad en in woorden en ik word onder alle Goden geroemd om mijn beleid en listig verstand; en toch hebt ge Pallas Athene, de dochter van Zeus, niet eens herkend? mij, die u altijd in allerlei moeiten en nooden helpend ter zijde sta en over u waak en ook u bij alle Phaeaciërs bemind heb gemaakt! Thans echter ben ik hierheen gekomen om met u een plan te beramen en de goederen te verbergen, welke de edele Phaeaciërs, naar mijn raad en bedoeling, u, bij uw terugkeer naar huis, hebben medegegeven, en tevens ook om u te zeggen hoeveel kommer en jammer het lot u bestemt in uw stevig betimmerde woning te dulden; verdraag gij dit echter geduldig, hoezeer ook tegen uw zin. Deel ook aan niemand der mannen, aan niemand der vrouwen, aan wie ook, mede dat gij als zwerveling terug zijt gekeerd, maar duld zwijgend het vele verdrietlijke en buig u voor de gewelddadigheden dier mannen."
Tot haar sprak daarop de schrandere Odysseus ten antwoord:
"Moeielijk is het, Godin! voor een sterveling, die u ontmoet, u te kennen, hoe scherpzinnig hij ook zij; want allerlei gestalten neemt gij aan. Dit echter weet ik zeer goed, dat gij vroeger mij welgenegen waart, zoolang wij, zonen der Achaeërs, krijg voerden in Troje. Doch nadat wij de hooggelegen stad van Priamus tot den grond toe hadden verwoest en wij scheep gegaan waren en een God de Achaeërs verstrooid had, heb ik u, dochter van Zeus! daarna niet meer gezien noch bespeurd[ dat ge kwaamt op mijn schip, om een of ander leed van mij te weren; maar steeds doolde ik rond, in mijn binnenste het hart van jammer verscheurd, totdat mij de Goden van mijn rampspoed verlosten; maar vroeger hebt ge, ´t is waar, in het vruchtbare land der Phaeacische mannen mij door uw woorden bemoedigd en zelf naar de stad mij gebracht]. Thans echter smeek ik u bij uwen Vader - want ik geloof niet dat ik in ´t wijd zichtbare Ithaca ben gekomen, maar (zeker) dool ik rond door een ander land en ik denk dat gij om mij te grieven dit zegt, en om mijn geest daarmeê te misleiden - zeg mij, of ik werkelijk in het dierbare land mijner vaadren ben gekomen."
Hem antwoordde daarop de vonkeloogige Godin Athene:
"Altijd koestert ge toch zulke voorzichtige gedachten in uw gemoed; daarom kan ik dan ook in uw ongeluk u niet verlaten, omdat gij bezonnen en vol tegenwoordigheid van geest en verstandig zijt. (Een ander man toch zou, van zijn zwerftochten teruggekeerd, vol blijdschap er naar haken in zijn huis zijn kinderen en gade weder te zien; gij echter verneemt en vraagt er liefst niet eer naar, voordat gij uw gade op de proef hebt gesteld, die steeds maar geduldig in uwe woning neêrzit, terwijl in jammer en ellende steeds de nachten en dagen voor haar, onder ´t storten van tranen, voorbijgaan. Daaraan echter twijfelde ik nooit, maar ik wist het in mijn binnenste, dat gij eens zoudt terugkeeren, na al uwe tochtgenooten te hebben verloren; doch ik wilde mij (toen) niet verzetten tegen Poseidon, mijns vaders broeder, die in zijn hart gramschap tegen u koesterde, vertoornd omdat gij zijn dierbaren zoon van ´t ooglicht beroofd hebt.) Doch welaan, thans zal ik u Ithaca wijzen, om uw vertrouwen te winnen. Dit hier is de haven, gewijd aan Phorcys, den grijze der zee; dáár, aan de achterzijde der haven, staat de spitsbladerige olijfboom;[ en dicht daarbij bevindt zich de bekoorlijke, schemerigduistere grot, het heilig verblijf van de nimfen, die Najaden worden genoemd;] hier bevindt zich de ruime, overwelfde grot, waar gij talrijke offeranden van vlekkelooze dieren aan de nimfen gewoon waart te brengen; dáár eindelijk ligt de berg Neriton, met een woudkleed bedekt."
Na zóó te hebben gesproken, verspreidde de Godin den nevel en het landschap vertoonde zich; blijdschap vervulde toen den volhardenden, godlijken Odysseus, vol vreugde over zijn land en hij kuste de graanschenkende aarde. Aanstonds richtte hij nu, zijne handen verheffend, tot de nimfen de bede:
"Nimfen der bronnen, dochters van Zeus! nooit dacht ik u weder te zien; doch weest nu mij gegroet met vriendlijke gebeden; doch weldra zullen we ook geschenken u brengen, evenals vroeger, als Zeus´ buitschenkende dochter goedgunstig mij laat leven en zij mijn´ dierbaren zoon in welvaart doet gedijen."

vs. 361 - 440: Athene spreekt met Odysseus af, wat er gedaan moet worden en verandert hem in een bedelaar.

Tot hem sprak daarop weder de vonkeloogige Godin Athene:
"Stel u gerust: laat dat in uw hart u geen zorg zijn. Doch kom, laten we thans dadelijk uwe goederen in het binnenste der gewijde grot neêrleggen, opdat ze daar veilig bewaard blijven; laten we daarna saam overleggen, hoe alles ten beste geschiede."
Na zóó te hebben gesproken, begaf de Godin zich in ´t binnenst der neveligduistere grot, overal in de grot rondzoekend naar veilige schuilhoeken; intusschen droeg Odysseus alles achtereenvolgens aan, het goud en het duurzame koper en de sierlijk bewerkte gewaden, welke de Phaeaciërs hem hadden gegeven. Zorgvuldig legde hij alles er neêr en Pallas Athene, de dochter van den aegisdragenden Zeus, legde een steen vóór den ingang.
Daarna zetten beiden zich neêr aan den voet van den heiligen olijfboom en overlegden samen den dood voor de overmoedige minnaars. Toen vatte onder hen (beiden) de vonkeloogige Godin Athene het woord op (en sprak):
"Godlijke zoon van Laërtes, vindingrijke Odysseus! Overleg nu, hoe gij de handen zult slaan aan de onbeschaamde minnaars, die nu reeds drie jaren in uw huis den baas spelen, en, onder aanbiedingen van huwlijksgeschenken, naar de hand van uw edele gade dingen. Doch zij, in haar hart steeds jammrend verlangend naar uw terugkomst, voedt hen allen wel met hoop en aan ieder der mannen doet ze wel beloften en zendt telkens hun boden, maar haar hart heeft andere begeerten."
Tot haar sprak daarop de schrandre Odysseus ten antwoord:
"Wee! dan ware gewis, als aan Atreus´ zoon, Agamemnon, ´t ijslijke lot mij beschoren in mijn eigen woning te worden vermoord, als gij, Godin! mij dit alles niet naar behooren gezegd hadt. Welaan dan, beraam dan een plan, hoe ik hen zal straffen; sta ook gij zelf mij bij en stort mij vermetelen moed in, evenals toen wij de prachtige burcht van Troje deden vallen. Als gij, zóó vol vuur (als toen), mij bijstaat, vonkeloogige! dan zou ik zelfs tegen driehonderd mannen den strijd kunnen aanbinden[ met uwe hulp, eerbiedwaardige Godin! wanneer gij goedgunstig mij bijstaat]."
Hem antwoordde daarop de vonkeloogige Godin Athene:
"Voorzeker zal ik u bijstaan en ik zal u niet uit het oog verliezen, wanneer wij dat werk beginnen; en ik denk, dat menigeen van de minnaars, die (daar) uw have en goed verbrassen, met zijn bloed en zijn hersens de breede bevloering zal bespatten. Doch welaan, eerst zal ik u nu onkenbaar maken voor alle stervelingen: ´t bloeiende vleesch aan uw lenige leden zal ik ineen doen schrompelen en de blonde lokken van uw hoofd wegnemen en u rondom met lompen bekleeden, dat een mensch er van gruwt als hij den drager er van ziet, en uw oogen, te voren zeer schoon, zal ik van glans berooven, opdat ge onoogelijk en schamel er uitziet in de oogen van alle de minnaars en van uw´ vrouw en uw´ zoon, dien gij achterliet in uw´ woning. Daarna moet ge zelf in de eerste plaats gaan naar den zwijnenhoeder, die uwe zwijnen bewaakt en nog even vriendlijk jegens u gezind is (als vroeger) en uw´ zoon en de verstandige Penelope hartlijk bemint. Gij zult hem steeds bij de zwijnen aantreffen; dezen nu weiden bij de Corax-rots en bij de bron Arethusa, eikels in overvloed vretend en donker water drinkend, wat het zwellende spek bij zwijnen gedijen doet. Blijf daar wachten en vraag, aan zijn zijde gezeten, hem alles, opdat ik intusschen naar Sparta, het land der bekoorlijke vrouwen, ga om Telemachus te roepen, uw´ geliefden zoon, Odysseus! die naar het wijd zich uitstrekkend Lacedaemon, naar Menelaus, gegaan is om eenig bericht omtrent u na te speuren, of gij ergens nog leeft."
Tot haar sprak daarop de schrandre Odysseus ten antwoord:
"Waarom dan toch zeidet gij zelf het hem niet, gij, die in uw geest alles weet? Zeker (was het), opdat misschien ook hij, ronddolende over de onvruchtbare zee, leed en jammer zou lijden en anderen intusschen zijn have en goed verbrassen?"
Hem antwoordde daarop de vonkeloogige Godin Athene:
"Laat toch hij niet al te zeer uw harte een zorg zijn. Zelf begeleidde ik hem steeds, opdat hij, daarheen gaande, zich heerlijken roem zou verwerven; maar niets heeft hij te lijden, integendeel zit hij behagelijk in de woning van Atreus´ zoon en vóór hem op tafel staat steeds eindlooze voorraad. Wel is waar belagen jongeren hem thans met hun donkerkleurig schip, begeerig hem te dooden, vóór hij het land zijner vaad´ren weder bereikt heeft, maar dat gelukt niet, vermoed ik; eer zal, denk ik, de aarde menigeen bedekken van de minnaars, die (daar) uw have en goed verbrassen."
Na zóó te hebben gesproken, raakte Athene hem even aan met haar staf: aanstonds deed zij het bloeiende vleesch aan zijn lenige leden verschrompelen en de blonde lokken nam zij weg van zijn hoofd en van boven tot onder gaf zij aan al zijne leden de huid van een´ stokouden grijsaard en zijne oogen, te voren zeer schoon, beroofde zij van glans. Daarop wierp zij, als een ander kleed, hem schamele lompen en een onderkleed om, alles vuil en gescheurd en bezoedeld met morsigen rookwalm. Voorts bekleedde zij hem met een groot, kaal vel van een snelvoetig hert; en eindelijk gaf ze hem een bedelaarsstaf en een´ onooglijken knapzak, op verscheidene plaatsen gescheurd; en een touw zat als draagband er aan.
Na zóó samen te hebben overlegd, scheidden zij van elkaâr. Zij ging daarop naar het heerlijke Lacedaemon om den zoon van Odysseus te halen.