Homerus´ Odyssee

In proza vertaald en met korte ophelderingen voorzien door
Dr. W.G. van der Weerd.
Amsterdam. - S.L. van Looy. 1901.

Twaalfde Zang.

vs. 1 - 27: Begrafenis van Elpenor op Aeaea en gastvrij onthaal bij Circe.

Toen nu ons schip den stroom van de rivier Oceanus en de golven der wijd en zijd bevaarbare zee had verlaten en het eiland Aeaea bereikt had, waar de woning en reidansperken der in den morgenstond geboren Eos zich bevinden en de oorden van Helios´ opgang, (toen) deden wij, daar gekomen, het schip op het kustzand landen en gingen zelf van boord bij de branding der zee; daar verbeidden wij toen, in diepen slaap verzonken, de godlijke Eos.
Toen nu de in den morgenstond geboren, rozenvingrige Eos verscheen, toen zond ik eenige makkers uit naar de woning van Circe om het lijk van den gestorven Elpenor te halen. Haastig hakten wij brandhout en vierden, (daar) waar de kust het hoogst vooruitstak, bitter bedroefd en een stroom van tranen vergietend, zijn´ uitvaart. Nadat nu het lijk was verbrand, benevens de wapens van den doode, en wij den grafheuvel hadden opgericht en een grafplaat er op hadden gesleept, plantten wij op den top van den grafheuvel zijn´ licht te hanteeren roeiriem.
Zoo nu bezorgden en regelden wij dat alles; intusschen ontging het Circe niet, dat wij uit de woning van Hades teruggekeerd waren, maar, na zich te hebben gekleed en getooid, kwam zij zeer spoedig (tot ons); en, haar vergezellend, droegen haar dienende vrouwen brood en een menigte vleesch en vonklenden, roodkleurigen wijn. Toen trad de verheven Godin in ons midden en sprak:
"Vermetelen! gij die levend neêr zijt gedaald in de woning van Hades, tweemaal gestorvenen, terwijl de andere menschen slechts éénmaal sterven! Maar kom, eet nu spijs en drinkt wijn, hier den geheelen dag lang, dan kunt ge bij ´t aanbreken van den dageraad weêr onder zeil gaan; doch ík zal u uw reisweg wijzen en al het noodige u meêdeelen, opdat gij niet door lastige, kwaadstichtende dwaasheid ´t zij ter zee of te land een onheil hebt te betreuren."

vs. 28 - 141: Circe beschrijft Odysseus de gevaren bij de Sirenen, de Planctae, tusschen Scylla en Charybdis en op Thrinakia.

Zóó sprak zij en ons manmoedig hart volgde haar raad op. Zóó zaten wij toen den geheelen dag door tot het ondergaan der zon, genietend den maaltijd van overvloedig vleesch en heerlijken wijn; doch toen de zon onderging en de schemering opkwam, legden zij allen zich ter ruste bij de achterkabels van het schip; zij echter nam mij bij de hand en deed mij ver van mijn makkers neêrzitten, vlijde zich toen aan mijn zijde en vroeg mij naar al mijne lotgevallen; en ik verhaalde haar alles naar behooren. Toen sprak vervolgens de eerbiedwaardige Circe tot mij:
"Zóó is dan dit alles ten einde gebracht; maar luister gíj nu, hoe ik tot u zal spreken; ook zal de Godheid zelf u ´t wel (weêr) herinneren. Eerst zult ge komen bij de Sirenen, die alle menschen betooveren, wie ook maar tot haar komt. Al wie uit onkunde haar nadert en de stemklank hoort der Sirenen, die keert nooit weêr huiswaarts terug en nooit treden zijn´ vrouw en onnoozele kinderen hem vol vreugde weêr te gemoet; maar, op een groenende weide gezeten, betooveren de Sirenen hem door haar helder gezang; doch in ´t rond ligt er een groote hoop beenderen van reeds rottende (lijken van) mannen, wier huid aan het lijf nog verdroogt. Vaar dus daar voorbij, maar kneed eerst (met uw handen) was uit de raten van zoeten honig en strijk die over de ooren van uwe makkers, opdat niemand van hen (het gezang) hoort. Maar mocht gij zelf (haar) wenschen te hooren, laten uw makkers u dan in het snelle schip handen en voeten binden, rechtop tegen den mastkoker staande, en laten de touwen daaraan vastgeknoopt zijn, opdat ge met vreugde en genot de stem der Sirenen kunt hooren. Doch als ge uw makkers smeekt en (zelfs) hen gelast u los te maken, dan moeten ze met nog meerdere banden u binden. Wanneer nu uw makkers de Sirenen voorbij zijn gestevend, dan zal ik u niet verder uitvoerig verhalen, welke van beide de wegen gij dan moet volgen, maar zelf moet ge dat beramen in uw gemoed; slechts zal ik u beide gevallen vermelden.
Aan de eene zijde namelijk bevinden zich overhangende rotsen, tegen welke de geweldige golven der donkeroogige Amphitrite klotsen met donderend geraas; Planctae, moet ge weten, is hun naam bij de zalige Goden. Daarlangs komen geen vogels voorbij, ook niet de schuwe duiven, die aan Vader Zeus ambrosia brengen, zonder dat ´t gladde rotsgesteente steeds ééne er van wegrooft; maar dan zendt de Vader er weêr een andre om het getal aan te vullen. Daarlangs ontkomt ook nooit een schip van de menschen, als het daar komt, maar de golven der zee en orkanen van vernielend vuur sleuren steeds het houtwerk der schepen en de lijken der mannen met zich mede. Eens slechts zeilde daar (veilig) voorbij het zeedoorklievende schip Argo, bij ieder bekend en beroemd, op zijn terugvaart (uit het land) van Aeëtes. Ook dat zouden de golven daar spoedig tegen de geweldige rotsen hebben geworpen, had Hera het daar niet voorbij geleid, daar Jason haar dierbaar en lief was.
Aan de andere zijde bevindt zich een tweetal rotsklippen; de eene reikt met haar puntigen top tot den uitgestrekten hemel en steeds omhult haar een blauwige nevel; nooit wijkt er die nevel en nooit spreidt er de heldere lucht haar glans over den top, noch in den zomer noch in den herfst; geen sterveling zou haar kunnen beklimmen of den top kunnen bereiken, zelfs niet al had hij twintig handen en voeten; want glad is de rotssteen en als ´t ware rondom effen geslepen. In ´t midden voorts van de rotsklip bevindt zich een schemerig-duistere spelonk, naar het westen en ´t duistere rijk van de schimmen gekeerd, waarlangs gij misschien uw hol schip voorbij kunt sturen, schittrende Odysseus! doch geen jonge en krachtige man zou van uit het holle schip de holle spelonk met zijn boogschot kunnen bereiken. Daarin nu houdt Scylla verblijf[ de vreeslijk blaffende; haar stem klinkt als die van een jongen, pasgeboren hond en zij zelve is een monsterlijk gedrocht], een vreeselijk verderfelijk monster; en wie haar zag, zou niet zich verheugen, al zou het een Godheid zijn, die haar aantrof. Voorts heeft zij twaalf pooten, allen wanstaltig en verder zes zeer lange halzen en op ieder daarvan zit een afzichtlijke kop, met een drietal rijen van tanden, dicht op een en talrijk in aantal, vol van den somberen dood. Tot het midden van ´t lijf ligt ze in de holle spelonk weggedoken, maar haar koppen steekt ze buiten de vreeslijke diepte (der spelonk); daar vangt ze, rondzoekend langs de rotsklip, als waren het visschen: dolfijnen en zeehonden en soms ook wel grootere zeemonsters, die de luid bruisende Amphitrite bij duizenden voedstert en kweekt. Daarlangs hebben nog nooit zich schippers beroemd ongedeerd met hun schip ontkomen te zijn; maar zij haalt voor elk van haar gapende muilen een man weg, hem meêsleurend uit het schip met donkerzwarten voorsteven.
Vervolgens zult ge daar de tweede rotsklip, lager (dan de eerste) zien, Odysseus; dicht zijn beiden bij elkaâr; zelfs zoudt ge van de eene naar de andere een pijl kunnen schieten. Boven daarop staat, weeldrig gebladerd, een hooge wilde vijgenboom en aan haar voet slokt de godlijke Charybdis het donkere water in;[ driemaal toch op één dag spuwt ze ´t (water) omhoog en driemaal slokt ze ´t weêr in] vreeselijk! o, mocht ge u toch dáár niet bevinden, wanneer zij het opslokt; want zelfs de Schudder van ´t aardrijk zou u daar niet kunnen behoeden voor ´t onheil. Maar steven dicht langs de rotsklip van Scylla en vaar dan met uw schip zeer snel er voorbij, daar het voorwaar veel beter is zes makkers op uw schip te missen dan allen te samen."
Zóó sprak zij en ik zeide daarop tot haar ten antwoord:
"Welaan, zeg mij, Godin! naar waarheid dan dít, of ik misschien de verderflijke Charybdis zou kunnen ontkomen en tegen Scylla mij zou kunnen verweren, wanneer zij mijn makkers aanvalt."
Zóó sprak ik en terstond antwoordde de verheven Godin:
"Vermetele! ligt dan reeds weder het werk van den krijg en moeitevolle strijd u na aan het hart? ja zelfs voor de onsterflijke Goden zult gij niet zwichten? Zij toch is, moet ge weten, niet sterfelijk, maar een onsterfelijk onheil is ze, vreeslijk en gruwzaam en woest en onoverwinlijk; ook baat weêrstand hier niets; het veiligst is haar te ontvlieden. Want als gij lang daar vertoeft, bij de rots ten strijde u waapnend, dan vrees ik dat zij, op nieuw u aanvallend, u bereikt met evenveel koppen (als de eerste maal) en ze u evenveel mannen ontrooft.[ Roei dus liever uit alle macht en roep Crataiïs aan, de moeder van Scylla, die haar, den stervlingen ten onheil, het leven schonk; deze zal haar dan er van af doen zien ten tweeden male u aan te vallen.]
Daarna zult ge het eiland Thrinakia bereiken; daar grazen talrijke runderen en forsche schapen van Helios, zeven kudden van runderen en evenzoo vele heerlijke kudden van schapen, vijftig in iedere kudde; jongen werpen zij niet en toch verminderen zij nooit in aantal. Godinnen zijn hoedsters over die kudden, de met sierlijke haarvlechten getooide nimfen Phaëthusa en Lampetia, welke de godlijke Neaera aan Helios, den Zonnegod, baarde. Nadat zij die had gebaard en grootgebracht had, bracht de eerbiedwaardige moeder haar over naar ´t eiland Thrinakia om (daar) verweg te wonen en de schapen en kromhoornige runderen van haar vader te hoeden. Als gij die (kudden) ongedeerd laat en (enkel) op uw terugkeer bedacht zijt, dan zoudt ge, schoon onder rampspoeden, nog in Ithaca terug kunnen komen; maar als gij ze letsel toebrengt, dan voorspel ik u ondergang[ zoo voor uw schip als uw makkers; en indien gij al zelf het ontkomt, zult ge laat en ellendig terugkomen, na al uwe tochtgenooten te hebben verloren]."

vs. 142 - 200: Gunstig begin der vaart; aanspraak van Odysseus tot zijne makkers; voorbijvaart voorbij het eiland der Sirenen.

Zóó sprak zij en aanstonds verscheen de op gouden troon zetelende Eos. Daarop verwijderde zich de verheven Godin en ging haar eiland in; ik echter begaf mij weêr naar mijn schip en spoorde mijne makkers aan zelf ook aan boord te gaan en de achterkabels los te maken. IJlings gingen zij daarop aan boord en zetten zich neêr bij de dollen[ en in rijen achter elkaâr gezeten, beukten zij de grauwwitschuimende zee met de riemen]. Ons zond echter Circe met de schoone haarvlechten, de geduchte, met menschelijke stem begaafde Godin achter het schip met donkerzwarten voorsteven als den besten gezel, een gunstigen wind, die het zeil deed zwellen. Dadelijk bezorgden we toen overal in ´t schip al het tuig en zetten rustig ons neêr; en de wind en de stuurman richtten het vaartuig. Toen sprak ik, bekommerd van hart, te midden mijner makkers:
"Vrienden! - want het past niet dat één of slechts twee van ul. de godspraak weten, die Circe, de verheven Godin, mij heeft verkondigd - (daarom) zal ik ´t u ronduit melden, opdat wij, daarmeê bekend, óf sterven óf misschien ook den dood en het sterflot vermijden en ontkomen. In de eerste plaats dan vermaant zij ons dringend den zang en de bloemige weide der goddelijk zingende Sirenen te vermijden. Mij alléén stond ze toe haar stem te hooren; maar ge moet mij binden met knellende banden, opdat ik onbewegelijk daar blijve, rechtop tegen den mastkoker staande en laten de touwen daaraan vastgeknoopt zijn. Doch als ik u smeek en (zelfs) u gelast mij los te maken, dan moet ge in nog meerdere banden mij knellen."
Zoo dan somde ik dat alles op en gaf aan mijn makkers (de noodige) inlichtingen; intusschen bereikte ons stevig gebouwd schip weldra het eiland der beide Sirenen; want een gunstige wind dreef het voort. Dadelijk daarop ging nu echter de wind liggen en windstilte heerschte er op de kalme zee, want een godlijke macht bracht de golven tot kalmte. Aanstonds stonden mijn makkers nu op en streken het zeil van het schip, legden vervolgens het neêr in het holle schip en toen aan de riemen zich zettend, sloegen zij ´t water aan schuim met de effene spanen van pijnhout. Doch nu nam ik een´ groote schijf was, sneed die met het scherpe koper in kleine stukken en kneedde die toen met mijn stevige vuisten; weldra werd nu het was week, door de sterke kracht (mijner handen)[ en door de stralen van vorst Helios, den Zonnegod]. Achtereenvolgens streek ik de was nu op de ooren van al mijne makkers. Daarop bonden zij mij in het schip zoowel aan handen als voeten, rechtop tegen den mastkoker staande en knoopten de touwen daaraan vast; toen zetten zij zich neêr en beukten de grauwwitschuimende zee met de riemen. Maar toen wij, snel voortspoedend, zoo ver waren verwijderd als de stem van een´ roepende reikt, ontging het snelle schip dat dichtbij reeds opdook (uit de golven), haar niet en zij hieven ´t luidklinkend gezang aan:
"Kom toch hierheen, veelgeprezen Odysseus, groote roem der Achaeërs! leg met uw schip hier aan, om te luistren naar de stem van ons beiden. Want nog nooit is hier iemand met zijn donkerkleurig schip voorbijgevaren, zonder eerst naar het honigzoetklinkende lied uit onzen mond te luistren; maar met vreugde in ´t hart keerde hij (steeds) terug en in kennis vermeerderd. Want wij weten alles, wat in ´t uitgestrekte Troje de Argivers en de Trojanen, naar den wil der Goden, verduurden; ja, zelfs weten wij alles, wat er gebeurt op het velenvoedende aardrijk."
Zóó zongen zij met welluidende stem; en mijn hart smachtte om verder te hooren en met de wenkbrauwen wenkend, gelastte ik mijn makkers mij los te maken; doch, voorovergebogen, roeiden zij voort. Aanstonds stonden nu Perimedes en Eurylochus op en bonden mij met nog meerdere banden en kluisterden mij nog steviger. Nadat wij haar nu voorbij waren gevaren en wij niet meer de stem noch ´t gezang der Sirenen vernamen, namen mijn trouwe makkers snel het was weder weg, dat ik hun op de ooren gestreken had en zij maakten mij weder los uit mijn banden.

vs. 201 - 259: Angst voor de Planctae en doorvaart tusschen Scylla en Charybdis.

Doch toen wij reeds een eindweegs dit eiland achter ons hadden, zag ik op eenmaal damp en geweldige golven en hoorde ik dofdondrend gebruis. Toen ontvielen, van schrik, de riemen aan hunne handen en ruischten, slierend, meê met den stroom; en op de plaats zelf staakte het vaartuig zijn gang, daar zij niet meer de aan ´t uiteind glad en dun toeloopende riemen met hun handen bewogen. Doch nu ging ik door ´t schip en op hen toetredend, spoorde ik ieder mijner makkers aan met de vriendlijke woorden:
"Vrienden, wij zijn toch zeker wel met gevaren vertrouwd: waarlijk dit kwaad is toch niet grooter, dan toen de Cycloop ons met krachtig geweld in zijn welvende grot opsloot; nochthans zijn we ook van daar door mijn moed, mijn raad en mijn inzicht ontkomen en ook hieraan zullen wij, geloof ik, misschien eenmaal gedenken. Welaan dan, laten we thans allen gehoorzamen, gelijk ik het u zeg. Gij, mannen, moet, aan de dollen gezeten, de diepe branding der zee met de riemen slaan, (om te zien) of soms Zeus ons vergunt dit verderf te ontvluchten en te ontkomen. U echter, stuurman, draag ik dít op - maar neem ´t wèl ter harte, daar ge de roerpin van ´t holle schip bestuurt - houd gij het schip buiten dien damp daar en buiten de golven en houd aan op de rotsklip (Scylla), opdat niet, zonder dat ge ´t merkt, het schip naar gindschen kant (Charybdis) ontglippe en gij ons in ´t verderf stort."
Zóó sprak ik en spoedig gaven zij gevolg aan mijn woorden. Van Scylla maakte ik toen maar geen melding meer, die onoverkomelijke plaag, opdat soms niet mijne makkers uit angst zouden ophouden met roeien en in het scheepsruim zich zouden verbergen. Thans dacht ik niet meer aan de lastige opdracht van Circe, toen zij mij dringend aanmaande mij niet in de wapens te steken; maar ik doste mij in mijn heerlijke rusting, nam twee lange speeren ter hand en beklom het verdek van den voorsteven van ´t schip; want aan dien kant verwachtte ik dat de rotsbewonende Scylla zou verschijnen, die onheil zou brengen over mij makkers. Doch nergens kon ik haar bespeuren, ofschoon mijne oogen vermoeid werden van ´t spieden in ´t rond op de blauwig benevelde rotsklip.
Thans voeren wij, weenend en snikkend, de engte binnen; aan de eene zijde lag Scylla en aan den anderen kant slokte de godlijke Charybdis met vreeslijke zuiging het zilte water der zee in. Telkens wanneer zij het water uitbraakte, was er alles één bruisend geborrel in woeste warreling dooreen, evenals (in) een ketel boven een fel vlammend vuur; en hoog opspattend, viel het schuim neêr op de toppen van beide de klippen. Doch wanneer zij het zilte water der zee weêr inzwolg, dan was daar telkens van binnen alles één woeste warreling dooreen en in ´t rond dreunde vreeselijk donderend de rots en van onder kwam de bodem, zwart van het zand, bloot; toen beving bleeke schrik mijne makkers. Vol van angst voor den dood, richtten wij onze blikken op haar; maar intusschen greep Scylla en sleurde uit het holle schip een zestal van mijne makkers, die de sterksten waren van armen en spierkracht. Toen ik dan ook (weêr) naar mijn snel schip en mijne makkers (om)keek, zag ik hen reeds hoog in de lucht, met handen en voeten spartelend, zweven; zij schreeuwden en riepen mij, in mijn hart vol droefheid en wanhoop, luidkeels bij mijnen naam, ach, toen voor het laatst! Evenals wanneer op een vooruitstekende rotspunt een visscher aan een zeer langen hengel lokspijs als aas voor de kleinere visschen neêrlaat en het buisje, gedraaid uit den hoorn van een stier uit het weiveld, in zee laat zinken en dan als zijn vangst ze al spartelend uit het water trekt: zóó ook werden zij spartlend naar boven gehaald op de rotsklip. Daar verslond zij hen toen, vóór in de opening (der spelonk), terwijl zij luide angstkreten slaakten en hunne armen naar mij uitstrekten in hun´ vreeslijken doodstrijd. Dát was wel het jammerlijkst, wat ik ooit met mijn´ oogen aanschouwde, onder alles wat ik, de banen der zee doorvorschend, heb doorgestaan en geleden.

vs. 260 - 302: Aankomst bij Thrinakia; Odysseus waarschuwt voor landing, maar Eurylochus verzet zich daartegen.

Nadat wij nu de rotsen waren ontkomen en de vreeslijke Charybdis en ook Scylla, kwamen wij spoedig daarop dicht bij het voortreffelijk eiland van den (Zonne)god; aldaar bevonden zich de schoone, breedkoppige runderen en de talrijke forsche schapen van Helios, den Zonnegod. Reeds hoorde ik toen, terwijl ik nog in volle zee was, op mijn donkerkleurig schip het geloei der naar stal gaande runderen en het geblaat van de schapen; en nu kwam plotseling mij het woord voor den geest van den blinden Thebaanschen ziener Tiresias en van de Aeaeïsche Circe, die mij zeer nadrukkelijk hadden opgedragen het eiland van den menschenverheugenden Helios te vermijden. Toen sprak ik, bekommerd van hart, te midden mijner makkers:
"Luistert thans naar mijn woorden, reeds bitter beproefde gezellen! opdat ik u de godspraak mededeel van Tiresias en van de Aeaeïsche Circe, die mij zeer nadrukkelijk hebben opgedragen het eiland van den menschenverheugenden Helios te vermijden. Want daar, zeiden zij, wachtte ons het vreeselijkst onheil. Welaan dan, stuurt snel het donkerkleurige schip het eiland voorbij."
Zóó sprak ik en hun brak (schier) het hart; doch aanstonds antwoordde Eurylochus mij met het hatelijke woord:
"Hardvochtig zijt ge, Odysseus; overmaat hebt ge van kracht en nooit zijt ge moede van leden; waarlijk, alles aan u is wel van staal en van ijzer, daar gij ons, uwe makkers, door vermoeidheid en slaap overmand, niet vergunt aan land te gaan, waar we op het van alle zijden omstroomd eiland ons weêr eens een´ lekkeren maaltijd zouden kunnen bereiden, maar eenvoudig weg ons beveelt in den vluchtigen nacht, ver van het eiland afdwalend, rond te zwerven op de nevelige zee. Maar in den nachttijd ontstaan er gevaarlijke winden, een ondergang voor de schepen; waar zou men het onvermijdlijk verderf dan kunnen ontkomen, als er plotseling soms een stormwind opstak, ´t zij een Zuidenwind of een loeiende Noord-Westenwind? die toch verbrijzelen het hevigst de schepen, in spijt van de Goden, hun meesters. Welaan dan, laten we thans den duisteren nacht gehoorzamen en aan den oever bij ´t snelle schip ons den avondmaaltijd bereiden; morgen vroeg stijgen we dan weêr aan boord en kiezen het ruime sop."
Zóó sprak Eurylochus en de andere makkers schonken hem bijval. Toen eerst zag ik het in, dat de Godheid blijkbaar (ons) onheil beraamde en mijne stem verheffend, sprak ik tot hem de gevleugelde woorden:
"Eurylochus! waarlijk, voorzeker dwingt gijl. mij wel, mij alléén (tegenover u allen). Doch welaan, zweert gijl. allen mij thans een´ zwaren eed, dat niemand uwer, als we een kudde van rundren of een groote kudde van schapen vinden, in verderflijke roekeloosheid een rund of een schaap zal slachten; maar eet veeleer rustig de spijs, die de onsterflijke Circe ons gaf."

vs. 303 - 373: Landing; stormwind; gebrek aan levensmiddelen; de runderen van Helios worden geslacht.

Zóó sprak ik en terstond zwoeren zij den eed, zooals ik het verlangde. Toen zij nu hadden gezworen en den eed ten volle hadden gedaan, legden wij ´t stevig getimmerde schip aan den wal in de bochtige haven, dicht bij (een bron met) zoet water en mijne makkers gingen van boord aan wal en bereidden vervolgens knaphandig zich den avondmaaltijd. Maar toen zij hun´ begeerte naar spijs en drank hadden bevredigd, herdachten zij weenend hun´ dierbare makkers, welke Scylla uit het holle schip had geroofd en verslonden, tot eindelijk de zoete slaap de weenenden overviel. Doch in het derde gedeelte van den nacht, toen de sterren reeds begonnen te dalen, deed de wolkenverzamelaar Zeus onder geweldigen storm, een heftig waaienden wind (tegen de schepen) opsteken en hulde de aarde en de zee gansch in een nevelenfloers; en nacht daalde omlaag van den hemel. Toen nu vervolgens de in den morgenstond geboren, rozenvingrige Eos verscheen, trokken wij ´t schip in een holle grot en legden het daar vast; hier nu was het de plaats der reidansperken en zetels der nimfen. Toen belegde ik een vergadering en sprak in hun midden het woord:
"Vrienden! gij weet, in ons snel schip is eten en drinken voorhanden; laten we dus, opdat geen onheil ons overkome, geen hand aan de runderen slaan; want deze runderen en forsche schapen zijn het eigendom van een vreeslijken God, van Helios, die alles ziet en hoort."
Zóó sprak ik en hun manmoedig hart gaf gevolg aan mijn woord. Doch een´geheele maand lang woei nu onophoudelijk de Zuidenwind en geen andere wind stak er op dan de Zuid-Oostenwind en de Zuidenwind. Zoolang zij nu nog spijs hadden en roodkleurigen wijn, sloegen zij, begeerig hun leven te behouden, geen hand aan de rundren. Maar toen alle teerkost in het schip opgebruikt was en zij reeds, rondzwervend, door den nood gedrongen met kromme weêrhaken jacht maakten op visschen en vogels, wat er maar van in hun handen viel - want de honger kwelde hun maag - toen verwijderde ik mij en ging het eiland in, om tot de Goden te bidden of een van hen soms mij den weg ter terugkeer zou wijzen. Toen ik dan, het eiland doorkruisend, buiten ´t gezicht was van mijne makkers, wiesch ik mij de handen (op een plek), waar een beschutting was tegen den wind en richtte mijn gebed tot alle de Goden, die den Olympus bewonen; en weldra spreidden zij toen een´ zoeten slaap over mijne oogleden. Doch intusschen stelde Eurylochus te midden zijner makkers den verderflijken raad voor:
"Luistert thans naar mijn woorden, reeds bitter beproefde gezellen! Wel is iedere soort van dood bij de arme stervelingen verafschuwd, maar door honger te sterven en het doodslot te bereiken is wel het allerjammerlijkst. Welaan dan, laten wij de besten der runderen van Helios hierheen drijven en ze offeren ter eere van de onsterflijken, die den uitgestrekten hemel bewonen. Mochten wij dan eens weêr in Ithaca, het land onzer vaadren, komen, dan zullen we aanstonds een rijklijk begiftigden tempel stichten ter eere van Helios, den Zonnegod, en vele heerlijke kostbaarheden daarin neêrleggen. Doch als hij soms in zijn toorn over die met recht opstaande horens versierde runderen ons schip wil te gronde doen gaan en de andere Goden hem daarbij helpen, dan wil ik liever op eens de golven inzwelgen en ´t leven verliezen dan langen tijd langzaam te verkwijnen op dit eenzame eiland."
Zóó sprak Eurylochus en de andere makkers schonken hem bijval. Aanstonds dreven zij nu de beste der runderen van Helios uit de nabijheid bijeen - want niet ver van het schip met donkerzwarten voorsteven graasden de kromhoornige, prachtige, breedkoppige runderen -, gingen rondom het vee staan en, onder gebeden tot de Goden, plukten zij frissche bladeren van een hooggebladerden eik en strooiden die over de rundren: want zij hadden geen blanke gerst meer in het schip met stevige roeibank. Nadat zij nu hadden gebeden en ze hadden gekeeld en gevild, sneden zij de schenkelbeenderen er uit, bedekten die met een dubbele laag vet en legden daarop stukken rauw vleesch. Ook hadden zij geen wijn om te plengen op het brandende offer, maar met water plengende braadden zij toen al de edele deelen. Toen nu de schenkelbeenderen waren verbrand en zij de edele deelen hadden geproefd, sneden zij het overige vleesch in kleinere stukken en staken die aan het braadspit.
Op dat oogenblik week (juist) de zoete slaap van mijne oogleden; en ik begaf mij op weg naar mijn snel schip en naar het strand van de zee. Maar toen ik op mijn weg reeds dicht bij het schip met gekromden sneb en achtersteven was, toen verspreidde zich de heerlijke damp van offergeur om mij heen; en met luider stem jammerend, riep ik toen tot de onsterflijke Goden:
"Vader Zeus en Gij, andere eeuwige, zalige Goden! Waarlijk, eerst recht tot mijn ongeluk hebt Ge me daar in meêdoogenloozen slaap gedompeld; en middelerwijl hebben mijn makkers daar, achtergebleven, een´ ontzettende wandaad beraamd."

vs. 374 - 396: Toorn van Helios en smart van Odysseus; vreeselijke voorteekens.

Snel ging nu Lampetia, met het sluitend gewaad, naar Helios, den Zonnegod met het bericht, dat wij zijne runderen hadden gedood. Aanstonds sprak hij toen, vertoornd in zijn hart, te midden der onsterflijken:
"Vader Zeus en Gij, andere eeuwige, zalige Goden! Straf toch de makkers van Odysseus, den zoon van Laërtes, die in hun overmoed mijne runderen hebben gedood, welke mij altijd waren tot vreugde, zoo vaak ik opwaarts steeg naar den sterrenrijke hemel en als ik van den hemel mij weêr naar de aarde terug wendde. Doch als zij mij niet voor die runderen een billijke schadeloosstelling geven, dan zal ik in de woning van Hades neêrdalen om onder de schimmen mijn licht te doen schijnen."
Tot hem sprak daarop de wolkenverzamelaar Zeus ten antwoord:
"Helios, blijf Gij, zoo waarlijk, maar verder uw lichtglans verspreiden te midden der onsterflijken en onder de sterflijke menschen op het graanschenkende aardrijk; genen - spoedig zal ik hun snel schip met mijn verblindend witten bliksemstraal treffen en het midden in de in donkere kleuren glinstrende zee tot splinters verbrijzelen."
Dit heb ik (later) gehoord van de schoonlokkige Calypso; en zij zeide dat zij zelf het van Hermes, den bode, had vernomen.
Toen ik nu neêrgedaald was tot mijn schip en de zee, ging ik, een ieder berispende, rond, maar geenerlei uitkomst konden wij vinden, want reeds waren de runderen dood. Aanstonds daarop lieten de Goden hun (schriklijke) voorteekens verschijnen: de huiden begonnen te kruipen en het vleesch aan het braadspit te loeien, ´t gebradene zoowel als het rauwe; en ´t was of er runderen brulden en loeiden.

vs. 397 - 453: Afvaart en schipbreuk; Odysseus alléén bereikt het eiland Ogygia.

Zes van de volgende dagen dreven nu mijn trouwe makkers de besten der runderen van Helios weg en aten ze hun vleesch; doch toen Zeus, Cronos´ zoon, den zevenden dag deed verschijnen, toen ging de wind, (eerst) voortijlend met de vaart van een storm, liggen en snel stegen we aan boord en kozen het ruime sop, na den mast te hebben opgericht en het witte zeil te hebben geheschen.
Maar toen wij reeds een eindweegs dit eiland achter ons hadden en anders nergens zich land meer liet zien, maar slechts hemel en zee, toen deed de zoon van Cronos een donkerzwarte wolk boven het holle schip verschijnen en de zee nam daar onder een donkere kleur aan. Niet zeer lang zeilde het schip meer voort, want snel naderde, huilend, een Noordwestenwind, in zijn vaart vergezeld van een geweldigen stormwind. Plotseling brak nu de stormwind beide de stagtouwen van den mast en de mast viel achterover en geheel de tuigage stortte neêr in het scheepsruim; daarbij verplette de vallende mast op den achtersteven van ´t schip het hoofd van den stuurman en verbrijzelde alle beenderen te samen in zijn hoofd; toen viel hij, een´ buitelaar gelijk, van het achterdek neêr en zijn manhafte ziel verliet het gebeente. Tegelijk donderde Zeus en slingerde in het schip zijnen bliksem. Van boven tot onder trilde het schip, door den bliksem van Zeus getroffen en gansch werd het met zwavel vervuld; en mijne makkers vielen uit het schip (in de zee). - Evenals zeekraaien dreven zij rondom het donkerkleurig schip op de golven rond en de Godheid beroofde hen van den terugkeer.
Zelf liep ik intusschen door het schip heen en weêr, totdat de klotsende golfslag de zijwanden losrukte van de kiel en de golven het schip ontredderd meêsleurden; toen sloegen zij den mast los, zoodat deze op de kiel neêrstortte, doch op den mast bleef de pardoen nog hangen, gevlochten uit de huid van een rund. - Daarmede bond ik beiden nu saam, de kiel en den mast, ging toen er op zitten en dreef (voortgesleurd) door verderflijke winden zoo voort.
Thans ging de Noordwestenwind, (eerst) voortijlend met de vaart van een storm, liggen, maar nu stak snel de Zuidenwind op tot groot verdriet van mijn hart, daar ik nu nog weêr terug moest drijven naar de verderflijke Charybdis. Heel dien nacht zwalkte ik voort, doch bij ´t opgaan der zon kwam ik aan de rotsklip van Scylla en aan de vreeselijke Charybdis. Slurpende zwolg deze juist het zilte water der zee in; doch toen trok ik mij haastig omhoog aan den hoogen wilden vijgenboom en aan dezen mij vastklemmend, hing ik daaraan als een vleermuis, maar nergens kon ik een stevigen steun vinden voor mijne voeten noch kon ik hooger op klimmen; want de wortels strekten zich ver in de diepte uit en de lange en groote takken, die de Charybdis overschaduwden, hingen hoog en ver van mij af. Steeds hield ik stevig mij vast, totdat zij den mast en de kiel weêr naar buiten zou uitbraken; en eindelijk ten leste verschenen zij weêr, mij hartelijk welkom; op den tijd dat een man van de marktplaats opstaat en naar zijn avondmaaltijd gaat, na het beslechten van talrijke twisten van rechtspraak zoekende jonge mannen, zóó laat kwamen de scheepsbalken ten leste weêr uit de Charybdis te voorschijn. Toen liet ik ijlings mijn handen en voeten los om van boven (in de diepte) te springen en midden in den kolk plompte ik neêr naast de zeer lange scheepsbalken, ging toen snel daarop zitten en roeide voort met mijn handen. Scylla echter liet de Vader van menschen en Goden mij niet meer aanschouwen; want dan zou ik aan ´t onvermijdlijk verderf toch niet zijn ontkomen.
Van daar dreef ik negen dagen lang voort, maar in den tienden nacht wierpen de Goden mij op het eiland Ogygia aan land, waar Calypso met schoone haarvlechten woont, de geduchte, met menschlijke stem begaafde Godin, die mij gastvrij opnam en mij verzorgde. Doch waartoe u dat te verhalen? Reeds toch verhaalde ik het gistren aan u en uw krachtige gade; en het is mij onaangenaam nog eens te verhalen, wat reeds zeer uitvoerig vermeld is."

 

______________________________________________