De Dolinge van Ulysse
[1561]

Homerus´ Odysseia I - XVIII
in Nederlandse verzen van

Dierick Volckertsz. Coornhert
[1522-1590]

[portret door Cornelis van Haarlem]

[Door Kox geraadpleegde editie:]
1939
N.V. Uitgevers-Mij. "Elsevier"
Amsterdam

Bibliotheek der Nederlandse Letteren

Samengesteld door de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde te Leiden en de Koninklijke Vlaamse Akademie te Gent

Redactie der Bibliotheek:
Dr. A.H. Cornette
Mr. P.N. van Eyck
Dr. J. van Mierlo S.J.
Dr. H.W.E. Moller
Dr. R. Verdeyen
Dr. Jan de Vries
Dr. J. Wille

Dit deel is verzorgd door Dr. Th. Weevers

[De aantekeningen, die Weevers in zijn editie onder aan de bladzijden geeft, heeft Kox opgenomen in de vorm van script-links: klik op de link en er verschijnt een venstertje, waarin je de aantekening kunt lezen.]


Het negende boek

ODYSSEAE HOMERI

*

Inhoud:

Hier begint Ulysses zijn geschiedenissen te vertellen, zeit tegens de Cicones gestreden te hebben, tot de Lotophagos gekomen te zijn, en bij Cyclope geraakt te wezen, dien hij ´t enige oge uitstak, nadat hij zes van Ulysses´ gezellen verslonden hadde.

 

"Looflijkste Konink, boven alle anderen rechtvaardig"
Sprak die listige Ulysses, de Prinse uitgelezen,
"Zulk een zanger te aanhoren is eerlijk en dankens waardig;
Zijn stemme klinkt als een god, zeer konstig en aardig.
5 Ik en acht niet dat er iet aangenamers mag wezen
Dan als alle ´t gezelschap, in vreugden zijnde gerezen,
Over maaltijd zo konstig een speelman mag horen.
- Zij eten ´t vlees en drinken den vrolijken wijn geprezen,
Men schenkt z´er in schalen, het is er al te voren. -
10 Dit dunkt mij ´t schoonst, en heb ´t voor ´t lustigste verkoren.
"Uw herte heeft lust om te weten mijn droevige kwalen,
Die ´t mijne in ´t zeggen weder van nieuws zullen verstoren.
Maar want het u belieft, zal ik ´s hier alle verhalen,
Van ´t beginne ten einde, wat mij op verscheiden malen
15 Al droefheids van den hemelsen goden toe is gezend.
Hoort dan eerst mijnen name met waarachtiger talen
Opdat gij namaals, als mijn verdriet is geënd,
Mijn huis ook verzoekt, en mij als uw vriendlijke waard bekent.
"Ik ben Ulysses Laërtiades, diens listig verstand
20 Boven alle mensen gaat, mijn lof komt den hemel omtrent.
Ithacam bewone ik, dat is mijn vaderland,
Daarin leit Neritus, den berg vermaard, met bomen beplant;
Veel bewoonde eilanden zijn dicht daaromme gelegen:
Dulichium, Same en Zacynthus, vol bos aan elke kant
25 - Dees leggen naast bij ´t vasteland -, daartegen
Leit Ithaca oostwaarts in Neptunus´ vochtige wegen.
´t Is een streng land, maar een goede voedster van jongelingen;
Nooit zag ik iet zoeters, ´t hert is daar meest toe genegen.
De goddinne Calypso dacht mij in haar liefde te bringen
30 En tot mijn lands vergeten in spelonken te dwingen;
Die bedrieglijke Circe heeft mij ook in haar huis bemind,
Die mij mede bestond tot haar huwelijk te dringen;
Maar d´inwendigheid mijns herten was daar nooit toe gezind,
Zo men niet zoeters dan vrienden en ´t vaderland en vindt,
35 Al woont men rijk in een vreemd land, ver van vrienden en magen.
Hoort dan, opdat gij mijn treurige weerkomst bekint,
Hoe Iupiter mij, komende van Troyen, heeft doen plagen.

"Wij scheepten van Troyen, een wind kwam ons spoedelijk jagen
Tot der stad Ismarum, daar hem de Cicones houën.
40 Ik plonderde heur stede ende heb veel mannen verslagen;
Wij namen groot goed, ook heur wijven tot dienstbare vrouwen.
Ik behiel´ niet meer dan een ander, wij deilden ´s in trouwen,
En hebbe voorts snellijk vandaar te vluchten geboden.
Zij waren zot en ongehoorzaam - het bracht hun in rouwen -:
45 Men drank daar veel wijns, ossen en schapen zag m´er doden.
Hiertussen liepen de Cicones die ons waren ontvloden
Tot haar geburen om hulpe, met ankstiger vaarden.
Dees waren vromer en hun getrouw in alle noden,
Zij konsten manlijk vechten op strijdbare paarden,
50 Ook als ´t nood was te voet. - Die heur ´s morgens vroeg openbaarden
En ons met zo menigvuldige hopen overvielen
Als de lente bladen en bloemen doet spruiten uit der aarden.
´t Scheen, Iupiter wilde ons daar ellendig vernielen.
Wij streden bij de schepen - de pieken zag men krielen
55 Als hagel door de lucht, - totdat de zon hoog was getogen.
Zo lang wederstonden wij hun met grootmoedige zielen,
Al waren zij veel. Maar als Phoebus ter aarden was gebogen,
Mochten wij der Cicones macht niet langer gedogen,
Ende verloren uit elk schip zes vrome gezellen;
60 D´ander ontliepen den dood met al heur vermogen.

...