|
Homerus
Odyssee q
[De
Odysséa van Homerus,
naar het Grieksch, in Nederduitsche verzen gevolgd,
door Mr. Jan van 's Gravenweert.
Te Amsterdam, bij Johannes van der Hey en Zoon.
MDCCCXXIII.]
Achtste
boek
Inhoud
des achtsten boeks.
________________________________
Alcinoüs
verschaft Ulysses een vaartuig en volk, om hem naar huis te voeren,
en geeft daarop een luisterrijk feest. De dichter Demódokus
bezingt den twist tusschen Ulysses en Achilles, en doet
Ulysses bij de herinnering tranen storten, welke hij tracht te
verbergen. Alcinoüs, zulks bemerkende, doet wedloop, worsteling,
dans en vuistgevecht beginnen. Een zoon der Konings noodigt Ulysses
uit, om ook zijne krachten te beproeven; hij weigert, dan deze weigering
voor onmagt uitgekreten zijnde, geeft hij bewijzen zijner krachten en
dwingt de jeugd tot zwijgen. Het feest gaat voort; de telgen des Konings
dansen. Demódokus bezingt het beteugelen der minnarijen
van Mars en Venus door Vulkanus. Hierop verzoekt
hem Ulysses nog meer van Troje te zingen, en de dichter,
de vernieling van Ilium vermeldende, barst hij weder uit in tranen,
van welke Alcinoüs hem nu openlijk de oorzaak, tegelijk
met zijnen naam en vaderland, vraagt.
________________________
_________________________________
Zoo
ras de morgenstond weêr opblonk in die Staten,
Had Vorst Alcinoüs de koningskoets verlaten.
Ook held Ulysses rijst van ´t hem verkwikkend bed.
De Koning treedt hem voor en wil, naar eisch der wet,
De Wijzen uit zijn volk aan ´t ruime strand vereenen.
Men plaatst zich digt bijeen op glad gehouwen steenen,
Terwijl Minerva, die Ulysses niet vergat,
Zich, als de lijfheraut des Konings, door de stad
En langs de wegen wendt, om voor zijn heil te waken.
"Komt", - spreekt ze - "Hoofden en Voornaamsten der Feàken!
Komt zaam, opdat ge van dien vreemdling hooren zoudt,
Die langs de golven zwierf en zich aan ´t Hof onthoudt,
In achtbaarheid van leest een beeld der Hemelgoden."
Zoo prikkelt zij hun drift en wordt hier elk ontboden.
Thans
vult zich eergestoelte en veld met hoorders op.
Ontzag en eerbied rijst bij velen reeds in top,
Nu ´t oog den vreemdling ziet, door Pallas gunst verheven,
Die ´t ligchaam van den held met schoonheid wil omgeven,
Den Goden eigen, en hem rijzing geeft en kracht,
Opdat hij, fraai van leest en op zijn´ roem bedacht,
Tot eerbied dwingen zoude, en al den kamp verdragen,
Waartoe men, tot een proef, hem dartlend op zou vragen.
Naauw was de kring gevormd, of Vorst Alcinoüs,
Die stilte had verlangd, begint zijne aanspraak dus:
"Hoort, dappre Hoofden en Voornaamsten der Feàken!
Waarom ik u zoo vroeg, zoo talrijk deed genaken.
Die vreemdling, wie hij zij, van oost- of westerland,
Kwam zwervend aan mijn Hof, en smeekt om onderstand,
Om kiel en bootsvolk tot geleiding op de baren.
Hem moge, als andren, die bescherming dan weêrvaren.
Geen vreemdling heeft nog ooit mijn gastvrij dak bezocht,
Die lang gesmeekt heeft, of vertraagd werd in zijn´ togt.
Een nieuwgebouwde kiel moog´ hem naar huis doen snellen;
Kiest twee en vijftig van uw wakkre scheepsgezellen,
De beste aan u bekend, van al de burgers uit;
Als dan uw roeispaan aan de hooge banken sluit,
Keert weêr naar mijn paleis, waar ik u zal onthalen,
En rigt den maaltijd aan met gouden feestbokalen:
Dat zeg ik aan de jeugd. De grijsaard, meer bedaagd,
Wiens onverzwakte hand den staf des regters draagt,
Verzell´ mij naar mijn Hof; geen weigring ga mij tegen;
Men koom´ den vreemden gast met vriendlijkheid verplegen,
En roep Demódokus, met Godengunst bedeeld,
Den dichter, die ons hart met tooverzangen streelt,
En al wat hij gevoelt in liedren op doet zwellen."
Zijne
aanspraak eindigt. Hij vertrekt; hem vergezellen
De grijsaards; een heraut snelt naar den zanger heen.
Een tweeënvijftigtal van scheepsliên komt bijeen,
Verkozen uit de bloem der jeugd. - Men rept de handen,
En werkt een kiel naar zee en klemt den mast in banden;
Men hecht de riemen aan de roeibank, en het treil
Aan dek en mast, en spant het opgetrokken zeil.
Nu werpt men ´t anker in de ruimte, en wendt de schreden
Naar ´t Hof des Konings. Heel de schaar was opgetreden;
Portaal en gaanderij vervuld met jong en oud.
Een achttal zwijnen, op hun scherpe tanden stout,
Twee vette rundren met een dubbel zestal schapen
Had reeds de Vorst geslagt, ontweid en af doen schrapen.
Thans brengt een hofheraut den zanger, die hen streelt,
Door zijn Beschermgodes met leed en heil bedeeld,
Gedoemd tot blindheid, maar begaafd met dichtvermogen:
Een kostbre zetel maakt hem zigtbaar voor hunne oogen,
In ´t midden van ´t banket nabij een zuil geplaatst.
De heldre citer, wier geluid hen zoo verbaast,
Wordt aan een´ vasten knop hem boven ´t hoofd gehangen;
Een dienaar meldt hem, dat zijn arm haar kan omvangen,
En plaatst hem op een´ disch een broodmand en een schaal,
Om vrij te drinken bij dat vorstlijk feestonthaal.
Men spijzigt ruim en dorst en honger was geweken.
De
zanger voelt zijn hart in hemelsch vuur ontsteken,
En zingt den grootsten lof der helden van zijn´ tijd,
Wier roem ten hemel steeg: hij zingt den woordenstrijd
Van held Ulysses met Achilles; hoe zij twistten
Aan ´t Godenmaal, en hoe de Veldheer, rijk in listen,
Van blijdschap gloeide, toen de vijandschap ontstond
Bij de eersten van zijn heir: want dit had Febus mond
In Delfi hem voorzegd, wanneer hij bij de altaren
De Godspraak ondervroeg, toen voor de legerscharen
Dat wee begon, zoo lang door Jupiter gerekt.
Terwijl de zanger nog zijn lier blijft tokklen, trekt
De wijze Ulysses, tot in ´t hart door hem bewogen,
Zijn´ purpren mantel met de handen voor zijne oogen,
Opdat zijn tranenvloed niet blijken mogte aan ´t volk.
Hij beurde ´t hoofd weêr op, en wreef de nare wolk
Van tranen uit zijn oog, wanneer de liedren zwegen,
En dankte ´t Godendom met feestwijn voor dien zegen;
Maar als de bloem der schaar, verlokt door ´t heldenlied,
Weêr andre zangen vroeg, begon weêr zijn verdriet,
En dekte hij ´t gelaat. Zijn rouw bleef elk verborgen.
De Vorst alleen, gezind tot stuiting zijner zorgen,
Had, nevens hem geplaatst, dien zwaren zucht gehoord,
En nu terstond zijn volk ten wedstrijd aangespoord:
"Doorluchte Hoofden en Voornaamsten der Feàken!
Wij zijn genoeg gestreeld door wijn en dischvermaken,
En kunstig snarenspel, dat bij den maaltijd past.
Nu ga de wedstrijd aan, opdat mijn vreemde gast,
Bij zich teruggekeerd, zijn´ vrienden moog´ vermelden,
Hoe groot wij zijn in dans, in ´t worstelperk der helden,
In vluggen wedloop en volhardend vuistgevecht."
Hij sprak en gaat hen voor: men doet, gelijk hij zegt.
De lier des zangers blijft in ´t binnenst´ van de woning,
Terwijl Demódokus op voorschrift van den Koning
Geleid wordt langs den weg, dien heel de bloem van ´t land
Betreedt. Men rigt zich thans naar ´t aangewezen strand.
Ontelbaar is de schaar, die zaamvloeit op hun schreden.
Reeds
was de bloem der jeugd met geestdrift opgetreden.
Hier blaakt Euryalus, den Oorlogsgod gelijk;
Hier rijst Naubólides, de schoonste man van ´t Rijk
Na Prins Laödamas; hier komt Elàtreus pralen,
Amfíalus, gewoon den zegekrans te halen,
En andren meer, vooral de telgen van den Vorst,
Prins Klytonéus, breed van schouderblaân en borst
En held Laödamas en Halius, hun broeder. -
Dat drietal zonen van den wijzen Rijksbehoeder
Begint den wedloop nu. de voeten worden ligt.
Men vliegt. Een wolk van stof bedekt hen voor ´t gezigt;
Aan Klytonéus was de zegepraal beschoren:
Alleen de breedte van de nieuw bewerkte voren,
Door ´t muildier omgeploegd, snelt hij in ´t perk vooruit.
Men staakt den wedloop, nu men ´t worstelperk ontsluit:
Euryalus verwint al wie hem uit durft dagen.
De prijs in vluggen dans wordt hupplen weggedragen
Door held Amfíalus, die onnavolgbaar zwiert,
De schijf het krachtigst door Elàtreus hand bestierd,
En ´t vuistgevecht doet Prins Laödamas verwinnen.
Die
jongling uit zich thans met onbedachte zinnen,
Nu ´t kampen heel de schaar vermaakt had: "Vrienden! hoort:
Men vraag´ den vreemdling of een wedstrijd hem bekoort,
Of hij van ´t kampen weet: zijn ligchaam schijnt mij stevig,
Zijn been, zijn dij, zijn hand, geen zwakheid onderhevig;
Zijn nek is sterk en breed; zijn kracht is zeker groot.
Hij schijnt mij niet geheel van ´t vuur der jeugd ontbloot;
Maar is door leed geknakt: niets doet ons meer versterven,
Niets sloopt de krachten meer, dan lang op zee te zwerven."
Euryalus herneemt: "Uw taal komt regt van pas:
Daag gij hem moedig uit." - Zoodra Laödamas
Dit antwoord had gehoord, treedt hij Ulysses nader
En spreekt hem plegtig aan: "o Vreemdling, mijn vader!
Zoo gij den kampstrijd kent, beproef dan zelf uw kracht.
Die kennis voegt u ´t meest. Bij ´t menschelijk geslacht
Is niets zoo roemenswaard´ dan hand en voet te reppen.
Welaan; verban uw smart: kom troost uit de oefning scheppen:
Ge ontvangt die hulp weldra, waarop gij angstig beidt:
Uw vaartuig ligt gereed, uw scheepsliên zijn bereid."
"Laödamas! waarom verzoekt ge mij tot kampen?" -
Dus antwoordt hem de held - "Geschokt door zoo veel rampen,
Verzwakt door zoo veel zorg, gevoel ik niets dan smart;
Geen zucht tot strijden in mijn afgefolterd hart.
Ik zit hier om uw´ Vorst, om al uw volk te smeeken,
En bid slechts, dat geen hulp mij langer moge ontbreken."
Nu voert Euryalus hem vinnig te gemoet:
"Ook, vreemdling! schijnt ge niet bij kampstrijd opgevoed,
Of bij die kunsten, die ´t veredeld hart behagen.
Gij schijnt ons meer geschikt om u op zee te wagen,
Om koopmanschap te doen, om op gewigt te zien,
Om winst te deelen of geroofden buit misschien.
Een worstlaar schijnt gij niet." - Met grimmig fonklende oogen
Herneemt de held: "Uw rede is weinig ingetogen.
Baldadig is uw taal. - Zoo geeft de Hemel dan
Al wat behaaglijk is niet aan denzelfden man.
Welsprekendheid, verstand en schoon gaan weinig zamen.
Hij, die zich mooglijk om wanstaltigheid moet schamen,
Heeft keur van woorden, en hij toont zich welberaân;
Hij spreekt met waardigheid; men ziet hem gunstig aan;
Hij wordt, gelijk een God, van elk alom verheven.
Een´ ander wil misschien de Hemel schoonheid geven,
Maar sierlijkheid en klem zijn aan zijn taal ontzegd.
Zoo werd voor u de gaaf der schoonheid weggelegd;
Ja, fraaijer ligchaamsbouw waar´ moeilijk uit te denken;
Doch uw verstand is klein. Gij zocht mijne eer te krenken,
En hebt mijn spijt gewekt door onbedachten smaad.
Ik ben zoo vreemd niet in den kampstrijd, als gij praat.
In ´t bloeijendst´ van mijn´ tijd, in de eerste vaag
der krachten,
Hoorde ik de helden mij hunn´ mededinger achten;
Nu derf ik al dat vuur, gedoofd in eindloos wee,
In langgerekten krijg en worstlen met de zee;
Maar zóó nog voel ik mij ten kamp met u gedrongen:
Want bijtend was uw taal; gij zelf hebt mij gedwongen."
Hij
zegt en werpt niet eens den mantel van zijn lijf,
Maar grijpt een´ steenen klomp, een zware en groote schijf,
Niet minder wigtig, dan de werpschijf der Feàken,
En slingert haar omhoog en doet haar ´t oogpunt raken.
De steen valt dreunend neêr, terwijl zich ieder boog,
Toen de afgezonden klomp hun langs de hoofden vloog,
En verder was gesneld dan een der andre perken.
Minerva, die terstond den afstand was gaan merken,
Spreekt, in de houding van een´ burger, tot de schaar:
"´t Herkennen van de schijf viel zelfs geen´ blinden
zwaar.
Uw steen, o vreemde held! is wijd vooruitgevlogen.
Betrouw uw krachten meer; ga voort in ´t roemrijk pogen.
U wacht geen nederlaag; geen schijf vliegt de uwe vóór."
Dus spreekt ze. Ulysses leent een welgevallig oor,
Bemoedigd, nu zijn kunst hem voorspraak had verkregen,
En treedt op zachter wijs zijn medestrijders tegen:
"Gooit nu zoo ver als ik; gij zult mij straks misschien
Zoo groot of grooter schijf nog wijder werpen zien.
Al wie nu lust gevoelt zich tegen mij te wagen
In worstling, vuistgevecht of wedloop, koom´ het vragen:
Want ik ben fel getergd, en zonder niemand uit
Dan held Laödamas, des Konings wakkre spruit,
Daar hij mijn gastheer is: wie toch bestrijdt zijn vrinden?
Hij, die bij vreemden zich een´ kamp durft onderwinden
Met wie hem woning geeft, is laag van ziel en dom,
En werpt door onverstand zijne eigen welvaart om.
Wie, buiten ´s Konings zoon, wil kampen, ´k zal mijn krachten
Beproeven tegen elk, en hem in ´t strijdperk wachten.
Ik ben niet klein van hart, wanneer men strijden moet.
Ik span den boog met klem: mijn schicht zou ´t eerste bloed
Des vijands stroomen doen, al mogt een mist van pijlen,
Met mijnen op één´ tijd van ´t galmend boogkoord
ijlen.
Slechts Filoktétes was nog sterker met den boog,
Toen ´t moedig Griekenland naar Trojes muren toog.
Alle andren buiten hem, die nu op aard´ verkeeren,
Zijn ver beneden mij in boog en pijl hanteren;
Doch met ons voorgeslacht hadde ik geen´ kamp gewaagd:
Met Herkules, of die de Goôn heeft uitgedaagd,
Den Koning Eurytus, die ras daarna moest sneven,
Toen Febus gramschap aan zijn´ trots niet kon vergeven,
Dat hij, een stervling, met de Goôn te kampen zocht.
Mijn speer vliegt wijder voort, dan ooit een pijl vermogt.
Alleen in wedloop zou de jeugd hier vlugger wezen.
´k Verloor de veêrkracht van mijn voeten, die voordezen
Mij zoo veel roems verwierf, door spijsgebrek en wee."
Hij sprak. Men antwoordt niet en eindlijk wordt de vreê
Herroepen door den Vorst, die nu zijn´ wil doet hooren:
"Niet
onbehaaglijk klonk uw voordragt ons in de ooren,
o Vreemdling! daar ge in ´t hart beleedigd om den smaad,
U grievend aangedaan, den moed bemerken laat,
Die u alom verzelt, opdat met die bewijzen
Geen mensch, die oordeel heeft, uw krachten zou misprijzen.
Maar zoek geen kampgevecht en luister naar mijn taal;
Zoo moogt ge, in ´t vaderland gekeerd, bij ´t huislijk maal
Aan vriend en gade en kroost ook onze deugd vermelden,
En wat op onze kust de luister is der helden.
Wij zijn bij vuistgevecht noch worstling opgevoed,
Maar groot in wedloop en uitstekend op den vloed.
Gezang en citerspel en dans en kleur van kleêren,
verkwikkend bad en sponde en vrolijk banketteeren:
Ziedaar wat ons behaagt. - Welaan dan, jeugdig koor!
Verhevenste in uw kunst! dans nu den vreemdling voor;
Zoo moog´ hij, weêrgekeerd, ons de eerste in rang verklaren,
In wedloop, zang en dans, en ´t heerschen op de baren. -
Men breng Demódokus terstond de citer weêr,
Die in mijn woning bleef." - Zoo uit zich de Opperheer.
Nu
haalt een lijfheraut de lier: de negen regters
Der spelen rijzen op, als hooge kampbeslechters,
En vormen thans het koor en maken ´t plein weêr glad.
De lijfheraut keert weêr, de lier in d´ arm gevat.
Men plaatst Demódokus in ´t perk; hij stemt de snaren.
´t Bevallig koor, in ´t vuur der eerste jonglingsjaren,
Sluit aan en danst en zweeft met vleugels aan den voet.
Ulysses staat verbaasd van wat zijn oog ontmoet.
De zanger speelt terwijl en kweelt zijn minnezangen:
Hoe Mars en Venus door Vulkanus zijn gevangen,
Hoe dartle Venus met haar´ ega heeft gespot,
Hoe Mars de huwlijkskoets onteerde van dien God,
En hoe de Zon, die hen vereend zag in hun liefde,
Vulkanus door ´t berigt van zulk een schande griefde.
Die God, belust op wraak, toog naar zijn aanbeeld heen,
En smeedde in ´t eigenste uur een kluister voor hun leên,
Die onverbreeklijk was. Toen spreidde hij zijn lagen;
De boei werd, als een ring, van ondren om de schragen
Der koets geklonken, en van boven tot een net
Weêr opgetrokken, dat zich klemmen zou aan ´t bed,
Zoo ras men ´t raken zou, en fijn, als spinragdraden,
Door geen´ der Goôn bedacht, van niemand werd geraden.
Toen alles was bereid en hem de wraak gespaard,
Toog hij naar Lemnos heen, zijn´ liefsten burg op aard´.
De felle Mavors had Vulkanus zien vertrekken,
En voelde op nieuws zijn drift voor schoone Venus wekken:
Zij, van Jupijn gekeerd, verlangde ook weêr naar hem
Met klimmend ongeduld; hij kwam; met zoete stem
En fluistrend bad hij: "Kom; laat ons de liefde smaken.
Vulkaan is afgereisd; hij zal niet ras genaken,
En toeft op Lemnos bij den Sintischen barbaar."
Hij sprak. Zijn taal behaagt: zij denkt niet aan ´t gevaar,
Zij volgt hem op de koets, maar - ´t net was neêrgeschoten,
En onverbreeklijk om hun ligchaam vastgesloten.
Men kan geen enkel lid bewegen: alles knelt,
En nu bemerken zij ´t vernedrend kunstgeweld.
De
Zon had opgelet en om Vulkaan gezonden,
Die, halverweg gekeerd, zijne echtkoets zag geschonden.
Hij bleef in ´t voorhof staan; zijne onbedwingbre spijt
Brak uit in woest geschreeuw en overluid gekrijt.
Hij roept den hemel zaam: "Jupijn en gij, o Goden!
Komt, ziet de laagheid en ´t belachlijk doen van snooden;
Hoe Venus, Jovis spruit, mijn huwlijkskoets onteert,
Den landverderver Mars in plaats van mij begeert,
Dewijl ik kreupel ga, en hij met schoon mag pronken.
Slechts de oudren hebben schuld, dat zij haar ´t leven schonken.
Komt; ziet de omhelzing van die gruwbren op mijn bed,
En wat ik aan moet zien. Hoe zeer op min gezet,
Vermoed ik niet, dat zij ´t genot der liefde smaken,
Of sluimren op de koets; hun oog blijft treurig waken,
Terwijl mijn kunstig net hen op de sponde sluit,
Tot alles wat ik eens voor deze oneerbre spruit
Bij ´t bruilofthouden gaf, mij weêrkeert van haar´
vader:
Zijn dochter is wel schoon, maar wulpsch en wuft te gader."
Hij klaagt. De Godenschaar vereent zich op zijn´ wensch.
Hier treedt de Zeegod; hier de helper van den mensch,
De zoon van Maja; hier de blonde Apollo binnen;
Maar de eerbaarheid weerhoudt de nadring der Godinnen.
De Goden bleven staan in ´t voorhof; luid gelach
Barstte onophoudlijk uit, zoo ras men ´t schouwspel zag;
En een dier Goden sprak: "Het kwaad moet altijd falen;
Den vlugsten kan de traagste in ´t misdrijf achterhalen;
Zoo heeft Vulkanus, schoon hij traag is, door zijn list,
Den vlugsten van de Goôn, die nu zijn wenschen mist,
Beteugeld in zijn doel; en ´t misdrijf wordt gewroken."
Door Febus wordt Merkuur nu schertsend aangesproken:
"Wilt gij, o Majaas zoon! gij, schenker alles goeds!
Dus ook eens op uw beurt geklemd zijn aan de koets
Met blonde Venus?" - "o! Waar´ mij dat heil geschonken!"
-
Herneemt Merkuur - "ik zag mij gaarne vastgeklonken
Met driemaal sterker boei en zou ´t u aan doen zien,
Als ik aan Venus slechts één liefdeblijk mogt biên."
Hij zegt. Een nieuw gelach ontstaat bij al de Goden.
Neptuin, die met hen naar de slaapzaal was ontboden,
Maar die alleen niet lacht, vervoegt zich tot Vulkaan,
En smeekt hem ijvrig om den Oorlogsgod te ontslaan.
"Bevrijd hem" - zegt hij - "al wat gij ons wilt bepalen,
Zal ik, voor ´t oog der Goôn, u zonder list betalen."
"Neen," - spreekt Vulkanus weêr - "neen; waan mij
niet zoo goed.
Wat baat de borgtogt van een´ borg, die niet voldoet?
Hoe zoude ik bij de Goôn u tot betaling dwingen,
Wanneer ik eens, verblind, de boei had los doen springen,
En Mars het was ontgaan?" - "Vulkaan! wees niet beducht."
-
Hervat Neptuin - "Al was de Krijgsgod u ontvlugt,
Ik zou voor hem voldoen." - "Welaan dan; ´k zal het
wagen.
´t Ware onwelvoeglijk, zoo ge nog werdt afgeslagen."
Dus spreekt Vulkaan en scheurt de kluisters van elkaâr.
De boei valt klinkend neêr, en ´t nu bevrijde paar
Springt op. De Krijgsgod vliegt naar Thràcië in zijn´
tempel.
De blonde Venus wijkt naar Pafos heilgen drempel;
Waar in een geurig woud de wierook voor haar brandt
Op sierlijke outers; der Bevalligheden hand
Bereidt een keurig bad, en oliet haar de leden
Met balsems, die de Goôn met nieuwen glans omkleeden,
En biedt der Mingodin ´t bekoorlijkst feestgewaad. -
Zoo klinkt des zangers stem, nu hij de citer slaat,
En zoo verrukt hij volk en vreemdling door zijn toonen.
Alcinoüs
roept nu zijn twee doorluchte zonen,
Met wie geen ander kampt in kunst of wedspelkans,
Den held Laödamas en Halius, ten dans.
Een hunner werpt een´ bal, met purper overtogen,
Gewrocht door Polybus, kunstmatig naar den hoogen,
En de andre danst en springt en draait in ´t midden rond,
En vangt hem, eer zijn voet weêr neêrkomt op den grond.
Nu staken zij dat spel en gaan hunn´ dans beginnen.
Zij wisslen maat en pas, en ´t schouwspel streelt de zinnen
Der zaamgevloeide jeugd; geheel de jonglingschap
Beloont hen met gejuich en davrend handgeklap,
En schrandre Ulysses spreekt: "o Koning! nooit volprezen!
Gij hadt mij toegezegd, dat ik voldaan zou wezen;
Maar dit is zoo volmaakt, dat mij hun kunst verrukt."
De
Vorst, die nu de vrucht van al zijn poging plukt,
Spreekt vrolijk tot de schaar: "Hoort, Eedlen! hoort mij, helden!
Die vreemdling schijnt mij wijs: laat ons zijn´ lof vergelden.
Men geev´ hem een geschenk aan onze magt gelijk.
Den twaalf regeerders, die gesteld zijn over ´t Rijk,
Een dertiental met mij, is zulk eene eer beschoren.
Elk geve een kleed, dat nog zijn´ glans niet heeft verloren,
Een´ mantel, en een gansch talent van kostlijk goud.
Men breng´ hem dit bijeen, nog eer hij maaltijd houdt,
Opdat hij vrolijk tot den feestdisch moog´ genaken. -
En moge Euryalus, die hem van spijt deed blaken
Door bitse woorden, hem verzoenen door een gift."
Dus spreekt Alcinoüs. Men juicht hem toe met drift,
En elk doet zijn geschenk door een´ heraut ontbieden.
"´k Wil" - voegt Euryalus hem toe - "geen straf
ontvlieden,
Voortreflijk Opperheer! de vreemdling zij bedaard
En door mijn gift verzoend. Ik bied een prachtig zwaard
Met zilvren handvat en met nieuwe ivoren scheede,
Een gift van groot belang." - Bij ´t sluiten zijner rede
Biedt hij den vreemden held zijn kostbaar lemmer aan,
En voegt er dit nog bij: "Mijn vader! wees voldaan.
Indien ik roekloos sprak, de wind verdrijv´ mijn woorden.
U voer´ der Goden gunst naar vaderlandsche boorden
En bij uw gade weêr na zoo langdurig leed!"
"Mijn vriend!" - dit antwoord had Laërtes zoon gereed
-
"De goedheid van de Goôn schenke u een heilrijk leven;
En moog´ het wapen, dat ge als zoenprijs hebt gegeven,
U nooit meer noodig zijn!" - Hij sprak en gordt dat zwaard.
De
zon dook weg en al de giften zijn vergaârd;
Haar doet Alcinoüs vervoeren naar zijn woning,
En alle worden door de zonen van den Koning
Nabij Arétes stoel met eerbied neêrgelegd.
Alcinoüs treedt voor. Men wacht een nieuw geregt,
En plaatst zich weêr naar rang. De Vorst begint te spreken:
"Mijn gade! neem een kist, u als een pronk gebleken.
Leg daar een´ mantel in en schoon gewasschen kleed.
Maak straks een warmend bad voor onzen gast gereed,
Opdat hij, wel verkwikt, de giften der Feàken
Bezien moge, aan het feest zich met ons vrolijk maken,
En ´t lied bewondren van den zanger. Nog een schaal
Van goud bespaar ik hem, opdat hij, bij zijn maal
Gedachtig aan mijn trouw, mij daaglijks moog´ herdenken,
Wanneer hij voor de Goôn zijn´ offerwijn gaat schenken."
Hij
zegt. De Koningin geeft haar´ slavinnenstoet
Bevel tot warmen van het water, en met spoed
Wordt thans een groote kuip met water volgegoten,
En, op de vlam gesteld, in stapels hout omsloten.
´t Wordt langzaam heet. Terwijl bereidt de Koningin
Een ruime en fraaije kist, en legt er alles in,
Wat aan Ulysses door de Vorsten was geschonken:
De kostbre kleedren, die van glans en nieuwheid pronken,
En ´t schittrend goud. Zij voegt er zelv´ nog een kleedij,
Een prachtig onderkleed en rijken mantel, bij,
En spreekt den vreemdling aan: "Verzegel zelf uw schatten,
Opdat gij, als uw oog den zoeten slaap mogt vatten,
Geen nadeel lijden zoudt." - Ulysses sluit de kist
Met knoopen, wier geheim geen ander stervling wist,
En die hem Circé had geleerd zoo vast te snoeren.
Nu
komt de hofmeestres hem naar de badstoof voeren;
Hij ziet haar met vermaak, want sinds Kalypsoos grot
Was hij zoo dikwerf niet onthaald op dat genot.
Nu mag hij, als een God, zich hier verpleegd aanschouwen.
Hij wordt gewasschen en gebalsemd door de vrouwen,
En met een onderkleed en mantel uitgedost,
En treedt naar ´t hofbanket. Hier vindt hij, aan den post
Der hooge feestzaaldeur, de redster van zijn leven,
Nausikaä, met glans van hemelsch schoon omgeven.
Zij blijft verwonderd staan nu zij den held ontmoet,
En spreekt hem ijlings toe: "o Vreemdling! wees gegroet.
Wanneer ge in ´t vaderland gekeerd zijt bij uw vrinden,
Gedenk somtijds aan haar, die u behoud deed vinden."
"o Weêrgalooze telg van held Alcinoüs!" -
Herneemt Ulysses - "moog´ de Bliksemgod mij dus
Mijn land doen wederzien, mijn´ eigendom aanschouwen,
Als ik voor u, die mij het aanzijn hebt behouên,
Mijn leven lang geluk zal bidden van de Goôn!"
Hij zegt en plaatst zich naast den Koning, op zijn´ troon.
Men
deelt de spijs en vult de ruime feestbokalen.
Des Vorsten lijfheraut gaat nu den dichter halen,
Demódokus, vereerd bij ´t volk, en zet hem weêr
In ´t midden van de zaal nabij een´ pijler neêr.
De vette rug eens zwijns, doormest in al zijn leden,
Wordt door Ulysses voor den zanger afgesneden;
Hij roept den hofheraut en uit zijn wenschen dus:
"Ontvang dit vleesch, heraut! het zij Demódokus,
Uit naam van mij, ten blijk van achting, aangeboden:
Want dichters, boven elk begunstigd van de Goden,
Met reiner geest begaafd, zijn onderscheiding waard´,
En dwingen eerbied af aan al wat leeft op aard´."
Hij zegt. Demódokus, gestreeld door eerbewijzen,
Ontvangt de gift met vreugde, en doet den zender prijzen.
Men spijzigt ruim. Zoo ras de honger was voldaan,
Spreekt schrandre Ulysses weêr den wijzen dichter aan:
"Ik roem u bovenal, o dichter! om uw zangen;
Gij hebt ze van uw Muze en Febus zelv´ ontvangen.
Gij zingt voorbeeldig juist, hoe ´t Grieksche leger streed,
Hoe veel ´t bestond, hoe lang ´t moest worstlen met zijn
leed,
Als hadt ge ´t zelf aanschouwd, of van een´ Griek vernomen.
Ga voort en meld nu hoe men Troje heeft bekomen,
Hoe ´t houten paard door held Epéus werd gewrocht
Met Pallas hulp, en hoe ´t Ulysses vullen mogt
Met keur van krijgsliên, die in Trojes tempeldaken
En de uitgemoorde stad den laatsten brand ontstaken.
Wanneer ge ons dit bezingt, verklaar ik, onbevreesd,
Dat eenig weldoend God u aanvuurt met zijn´ geest."
Hij
sprak. De dichter had de hemelvonk ontvangen,
En stort zich weeldrig uit in nieuwe maatgezangen.
Hij zingt, hoe ´t Grieksche heir den brand in ´t leger stak,
En op zijn kielen week naar ´t helderspieglend vlak,
Terwijl de bloem des volks, in ´t houten paard gesloten,
Zich naast Ulysses drong om Troje neêr te stooten.
Hij zegt, hoe ´t kunstgewrocht door Trojes eigen magt
Met dartel vreugdgejuich ten burg werd ingebragt;
Hoe de eene ´t met een bijl tot spaanders wilde kloven;
Hoe de andre ´t log gevaart´ te slepen zocht naar boven,
Om ´t af te storten van de rotsen; hoe men ´t weêr
Bij andren, als een beeld, het Godendom ter eer,
Bewaren wilde, en hoe dat laatste werd verkoren;
Want nederlaag en dood was hun van ´t Lot beschoren,
Zoo ras men ´t houten paard, der burgerij ten val
Met heldenkeur bevracht, gesleept had naar den wal.
Hij meldt, hoe ´t oorlogsvolk den buik van ´t ros verlaten,
En om te moorden zich verspreid had langs de straten.
Hij maalt de plondring en den brand der groote stad,
En hoe Ulysses, die, als Mars, ten oorlog trad,
Met Menelaüs naar Déïfobus getogen,
Den langen krijg besloot en al ´t manhaftig pogen,
En door Minervaas gunst de zege had behaald.
Hij
zong. Terwijl zijn lied die heldendaden maalt,
Verbleekt Ulysses, en een traan bedauwt zijn wangen.
Gelijk een ega schreit, wanneer voor ´s lands belangen,
Voor kroost en volk en stad, haar gade in ´t strijden viel;
Gelijk ze aan ´t kermen slaat, wanneer de vlotte ziel
Hem is ontglipt, en zij het lijk aan ´t hart blijft klemmen,
In ´t oog der krijgsliên, die haar´ nek voor ´t
juk bestemmen,
Waar moeite en arbeid haar in ´t slavenkleed verbeidt,
Terwijl haar bleeke wang van leed is nat geschreid:
Zoo weent Ulysses bij ´t verhaal van beter dagen. -
Geen ander in den kring had op hem acht geslagen;
Alcinoüs alleen vernam zijn rouwmisbaar,
Zijn tranen, zijn gesnik, en wendt zich tot de schaar:
"Hoort, dappre Hoofden en Doorluchten der Feàken!
Moog´ nu Demódokus de citergalmen staken,
Dewijl zijn kunstig lied niet elk verblijden kon.
Van dat we spijzen en de heldenzang begon,
Liet onze vreemdeling niet af van bang te zuchten.
Zijn boezem is verscheurd door grievende ongenugten;
Zoo staak de zanger dan zijn lied, opdat men hier,
De gast niet min dan wij, dit feest met blijdschap vier´.
Want alles, onderstand en gift en banketteeren,
´t Werd slechts voor hem verrigt, dien wij als vreemdling eeren.
Aan al wie denken wil en meer verlangt dan schijn,
Moet een behoeftig gast een vriend, een broeder zijn. -
Welaan, o vreemdling! zij mijn vraag niet meer ontweken.
Verklaar mij wat ik wensch: ´t is goed, opregt te spreken,
Ontdek ons, welk een´ naam uw vader, uw geslacht,
Toen gij in ´t leven tradt, voor u heeft uitgedacht:
Geen mensch, of goed, of kwaad, is zonder naam op aarde,
Van d´ eersten morgen aan, dat hem zijn moeder baarde.
Ontdek ons zonder list uw volk, uw stad, uw land,
Opdat mijn kiel u moog´ geleiden naar dat strand;
Want stuurmanskunst is niet bekend bij onze volken.
Geen roer bestuurt ons langs de bodemlooze kolken,
Doch, waar men landen moet, is aan de kiel bewust;
Zij kent de ligging zelv´ van iedren wal en kust,
En klieft, met snelheid van de havens uitgevaren,
Met duisternis omkleed, de gladgekemde baren,
En lijdt geen schade, en kan niet stranden of vergaan.
´k Heb echter vroeger van Nausithoüs verstaan,
Dat ééns mijn volk de wraak des Zeegods heeft te duchten,
Omdat wij ieder aan zijn´ drietand doen ontvlugten.
Hij sprak: der Watren God zou eens, in ´t hart verwoed,
Een wederkeerend schip bedelven in den vloed,
En hooge rotsen voor de haven op doen rijzen.
Ik onderwerp mij: laat Neptuin genaê bewijzen
Of aan zijn wraak voldoen, gelijk hem zelv´ behaagt. -
Maar gij, verberg ons niets van wat u wordt gevraagd;
Zeg waar gij zwerven moest; verhaal ons van die stranden,
Waar gij hebt rondgedwaald; noem steden, volkren, landen;
vermeld ons, waar men woest in euveldaân verkeert,
En waar men gastvrij leeft en ´t hart de Goden eert.
Ontdek, waarom ik u in tranen los zie breken,
Wanneer ge van den Griek en Ilium hoort spreken.
´t Kwam alles van de Goôn; zij knakten al die magt.
Zij plengden al dat bloed, om ´t jongste nageslacht
In ´t kunstig heldenlied een groote les te geven.
Of hebt ge een´ bloedverwant voor Ilium zien sneven,
Of wel een´ schoonzoon, om zijn dapperheid vermaard,
Of ligt den vader van uw gade, uw´ eerbied waard´,
En ´t minlijkst na den stam, waaruit we zijn geboren?
Of hebt ge daar misschien een´ wijzen vriend verloren?
Daar toch een edel vriend, wiens trouw en kunde ons blijkt,
In de achting van ons hart naauw voor een´ broeder wijkt."
*
|