|
Homerus´
Odyssee
In
proza vertaald en met korte ophelderingen voorzien door
Dr. W.G. van der Weerd.
Amsterdam.
- S.L. van Looy. 1901.
Eerste
Zang.
vs.
1 - 10: Aanroeping der Muze en inhoudsopgave.
Muze!
verhaal mij van den man, den listigen, die zeer veel rondzwierf, nadat
hij de sterke veste van Troje had helpen verwoesten; van vele menschen
aanschouwde hij de steden en leerde hij den volksaard kennen, vele smarten
ook leed hij op zee in zijn gemoed, strevend naar eigen levensbehoud
en naar den terugkeer van zijne makkers. Maar toch redde hij zijne makkers
niet, hoezeer hij ´t ook vurig verlangde; want door hun eigen
onbezonnenheid kwamen zij om, de dwazen, die de runderen van Helios,
den Zonnegod, opaten; maar deze ontnam hun daarvoor den dag van den
terugkeer. Verhaal ons ook, godlijke dochter van Zeus, daarvan, aanheffend
waar ´t u behaagt.
vs.
11 - 21: Stand van zaken bij het begin van het gedicht en voorloopige
aanduiding van het lot van den held.
Toen
waren alle anderen, die ´t onvermijdelijk verderf waren ontvloden,
weêr te huis, ontkomen aan den krijg en aan de zee; hém
echter alleen, die verlangde naar den terugkeer en naar zijne vrouw,
hield de eerbiedwaardige Calypso, de heerlijke onder de Godinnen, bij
zich in haar gewelfde grot, daar zij vurig hem tot gade verlangde. Maar
toen, bij ´t wentlen der jaarkringen, het jaar was gekomen, waarin
de Goden hem hadden beschoren naar huis terug te keeren, naar Ithaca,
ook tóen was hij nog niet ontkomen aan moeiten en bezwaren, zelfs
te midden der zijnen. De Goden echter hadden allen medelijden met hem,
behalve Poseidon; deze toch was rusteloos vertoornd op den godengelijken
Odysseus, voordat hij zijn eigen land had bereikt.
vs.
22 - 95: Godenraad, waarin op Athene´s klacht het besluit wordt
genomen Hermes naar Calypso te zenden ter bespoediging van Odysseus´
terugkeer.
Poseidon echter
was thans naar de verweg wonende Aethiopiërs gegaan, naar de Aethiopiërs,
die in tweeën verdeeld zijn, de versten der menschen, deels waar
Hyperion ondergaat, deels waar hij opgaat, daar hij er deel wilde nemen
aan een offerande van stieren en rammen; dáár nu zat hij,
vol vreugde, aan het maal, maar de andere Goden waren intusschen bij
Zeus den Olympiër saam in diens woonzaal. Onder hen begon thans
de Vader van menschen en Goden (aldus) te spreken[ want hij dacht in
zijn hart aan den voortreflijken Aegisthus, wien Orestes, de wijdberoemde
zoon van Agamemnon, gedood had. Met gedachten aan dezen vervuld, sprak
hij te midden der onsterflijken de woorden]:
"Wonderlijk! hoe beschuldigen de stervelingen thans toch de Goden!
Immers uit ons is het kwade, zoo zeggen zij; maar ook zij zelf lijden,
ondanks de beschikkingen van het lot, door hun eigen onbezonnenheid
verdriet. Evenals ook thans Aegisthus, trots de beschikking van ´t
lot, de wettige gade van Atreus´ zoon heeft gehuwd en hem bij
zijn terugkomst vermoord heeft, hoewel hij zijn onvermijdelijk verderf
kende, daar wij toch door den bode Hermes, den scherpzienden Argusdooder,
hem vooraf waarschuwend hadden bevolen noch hém te dooden, noch
zijne gade tot vrouw te begeeren. Want - zóó luidde ons
woord - van Orestes zal de straf uitgaan over den moord van Atreus´
zoon, wanneer hij volwassen is en naar zijn vaderland erlangt. Zóó
sprak Hermes, maar geenszins overreedde hij ´t gemoed van Aegisthus,
hoe goed hij ´t ook meende; thans echter heeft hij alles op éénmaal
geboet."
Hem antwoordde daarop de vonkeloogige Godin Athene:
"Zoon van Cronos, Gij, ons aller Vader, hoogstverhevene van alle
heerschers, voorzeker is die Aegisthus in een verdiend verderf gestort;
zóó moge ook ieder ander omkomen, die zulke daden bedrijft.
Maar mij wordt om den wakkeren Odysseus het harte verscheurd, om dien
ongelukkige, die reeds langen tijd, ver van de zijnen, rampen lijdt
op het van alle zijden omstroomd eiland, waar ´t middenpunt van
de zee zich bevindt; ´t boschrijke eiland, waar de Godin woont,
de dochter van den steeds op verderf peinzenden Atlas, die de diepten
kent der geheele zee en die zelf alléén de zorg draagt
voor de lange zuilen, die aarde en hemel vanéén houden;
´t is diens dochter, die immer den jammrenden ongelukkige terughoudt.
Altijd zoekt zij hem met teedere en vleiende woorden te betooveren,
opdat hij zijn Ithaca vergete. Odysseus intusschen, er naar smachtend
om ook maar den stijgenden rook van zijn land te aanschouwen, verlangt
vurig naar den dood. En bekommert úw hart dan, Olympiër,
zich niet eens daarom? Bracht dan niet Odysseus steeds bij de schepen
der Argivers in het uitgestrekte land der Trojanen offers, u ten gevalle?
Waarom zijt ge dan, Zeus, thans zóó op hem verbitterd?"
Tot haar sprak daarop de wolkenverzamelaar Zeus ten antwoord:
"Mijn kind! welk een taal ontsnapte daar de rij uwer tanden? Hoe
zou ik dan den godlijken Odysseus kunnen vergeten? Hem, die in verstand
onder de stervelingen uitmunt en meer dan iemand offers heeft gebracht
aan de onsterflijken, die den uitgestrekten hemel bewonen. Maar de aardomvatter
Poseidon is steeds onverbiddelijk op hem vertoornd wegens den Cycloop,
dien hij van ´t licht zijner oogen beroofde, den godengelijken
Polyphemus, wiens kracht het grootst is onder alle Cyclopen. Hem baarde
de nimf Thoôsa, de dochter van Phorcys, den heerscher der onvruchtbare
zee, nadat zij in een welvende grot met Poseidon in minne zich had vereenigd.
Sedert dien tijd wil Poseidon, de Schudder van ´t aardrijk, wel
niet Odysseus dood, maar hij doet hem ronddolen ver van den grond zijner
vaad´ren. Welaan dan, laten wij allen, hier aanwezig, beraadslagen
hoe hij weder naar huis terug zal keeren. Poseidon zal zijn toorn dan
wel staken, want geenszins voorzeker is hij bij machte, den onsterflijken
Goden ten spijt, alléén met ons allen te strijden."
Hem antwoordde daarop de vonkeloogige Godin Athene:
"Zoon van Cronos, Gij, ons aller Vader, hoogstverhevene van alle
heerschers, als dan thans aldus dit den zaligen Goden behaagt, dat de
zeer verstandige Odysseus weêr naar zijn huis zal terugkeeren,
laten wij dan Hermes, den bode en Argusdooder zenden naar ´t eiland
Ogygia, om ten spoedigste aan de nimf met schoone haarvlechten ons vast
besluit mede te deelen, opdat de volhardende Odysseus weder naar huis
terugkeere. Ik zal intusschen naar Ithaca gaan om zijn´ zoon nog
meer aantesporen en hem den moed in ´t harte te storten om de
langlokkige Achaeërs ter vergadering te roepen en langer verblijf
te ontzeggen aan alle minnaars, die maar steeds door zijne dichtopeen
weidende schapen en kromhoornige runderen met slingrenden gang slachten.
Daarna zal ik hem zenden naar Sparta en naar ´t zandige Pylus
om navraag te doen naar den terugkeer van zijn´ geliefden vader
en te beproeven of hij soms iets daarvan hoort en tevens opdat hij onder
de menschen zich heerlijken roem daardoor verwerve."
vs. 96 - 143:
Athene op Ithaca; haar ontvangst en onthaal door Telemachus.
Na deze woorden
bond zij zich onder de voeten het sierlijke schoeisel, ´t onverganklijke,
goudene, dat haar, snel als de adem des winds, over de zee en over de
onmeetlijke aarde pleegt te dragen;[ vervolgens greep zij haar krachtige
speer, met scherpe koperen spits gepunt, de zware, groote en stevige,
waarmeê zij de rijen der helden bedwingt, als zij, de dochter
des sterken Vaders, op hen vertoornd is;] en snel daalde zij daarop
neêr van de toppen van den Olympus.
Weldra stond zij in het land van Ithaca, bij de voorhofpoort van Odysseus,
vóór aan den drempel des hofs; in haar hand hield zij
een koperen speer, in gestalte geleek zij een gastvriend, Mentes, den
aanvoerder der Taphiërs.
Thans ontwaarde zij daar de overmoedige minnaars; juist waren deze bezig
zich ´t hart te verheugen met spelsteenen, vóór
de huisdeur gezeten op huiden van runderen, geslacht door hun eigene
handen; ook waren bij hen herauten en bedrijvige dienaars; de eersten
mengden juist wijn en water in mengvaten, de anderen daarentegen wischten
met veelgatige sponzen de tafels af en zetten ze vóór,
en weêr anderen sneden een menigte vleesch vóór.
Verreweg ´t eerst zag toen haar de godengelijke Telemachus; hij
toch zat in den kring van de minnaars, ontevreden in zijn hart, in den
geest zich zijn wakkeren vader voorstellend met den wensch dat deze,
van waar ook teruggekomen, die minnaars in zijn huis zou uiteenjagen
en zelf zijn koninklijke waardigheid zou hernemen en weêr heerschen
over zijn eigen bezittingen. Met die gedachten vervuld te midden der
minnaars gezeten, zag hij Athene komen; dadelijk ging hij rechtstreeks
naar de deur van den voorhof, want ´t was hem een aanstoot in
zijn gemoed dat de vreemdeling lang aan de deur zou blijven staan; dicht
trad hij toen op hem toe, vatte zijn rechter en nam hem de koperen speer
uit de hand; daarop zijn stem verheffend sprak hij tot hem de gevleugelde
woorden:
"Welkom, vreemdling! gij zult bij ons gastvrij worden bejegend;
later, na het nuttigen van den maaltijd, verhaalt ge ons wel, wat uw
verlangen is."
Na deze woorden ging hij hem vóór en hem volgde Pallas
Athene. Toen zij nu de hooge mannenzaal waren binnengetreden, bracht
hij de speer eerst weg en zette deze tegen een rijzige zuil in de gladgepolijste
speerkast, waar nog vele andere speeren stonden, toebehoorende aan den
volhardenden Odysseus; daarop geleidde hij haar naar een armstoel en
deed haar daar zitten, na eerst een linnen weefsel, sierlijk en kunstig
gewerkt er op uit te hebben gespreid; voor de voeten was er van onder
een voetbankje. Daarnaast zette hij toen voor zich zelf een sierlijk
bewerkten leunstoel ver van de zetels der minnaars, opdat niet de vreemdling,
door hun getier gekweld, tegenzin zou krijgen in den maaltijd, als hij
te midden dier overmoedigen kwam en tevens opdat hij hem zou kunnen
vragen naar ´t lot van zijn afwezigen vader. Daarop bracht hun
een dienende vrouw in een schoone, goudene schenkkan water, goot dit
boven een zilveren bekken over hun handen, om die te wasschen en zette
toen vóór ieder van hen een gladgepolijste tafel;[ vervolgens
bracht de eerbiedwaardige huishoudster brood en zette ´t hun vóór,
na nog velerlei spijzen te hebben opgedragen, daar zij gaarne en gul
gaf van wat er voorhanden was;] eindelijk nam de voorsnijder houten
bordjes met allerlei vleesch en zette hun die vóór en
plaatste goudene bekers vóór hen. Telkens ging nu de heraut
af en aan om hun wijn in te schenken.
vs. 144 - 220:
Maaltijd der minnaars. Telemachus bejammert, met het oog op de handelwijze
der minnaars, den dood van zijn´ vader en vraagt den vreemdeling
naar zijne afkomst. Athene geeft zich uit voor den vorst der Taphiërs,
Mentes, den gastvriend van Odysseus en tracht bij Telemachus de hoop
op te wekken, dat zijn vader nog leeft.
Thans traden de
overmoedige minnaars binnen en zetten zich in rijen neêr op leunstoelen
en armstoelen; daarop goten herauten hun water over de handen en stapelden
dienstmaagden brood vóór hen op in korfjes[ en dienende
knapen vulden vervolgens de mengvaten tot den rand toe met wijn]; en
allen strekten de handen toen uit naar de gereed vóór
hen liggende verkwikkende spijzen.
Maar toen de minnaars hun begeerte naar drank en spijs hadden bevredigd,
haakte hun hart naar andere dingen, naar spel en dans, want dezen verschaffen
den luister aan ´t feestmaal. Dus gaf nu de heraut een prachtige
lier in handen van Phemius, die bij de minnaars gewoon was te zingen
uit nooddwang. Deze, de lier tokkelend, hief nu het voorspel aan voor
een heerlijk lied; maar Telemachus sprak tot de vonkeloogige Athene,
dicht met het hoofd aan haar zijde, opdat de anderen ´t niet zouden
hooren:
"Waarde gastvriend, zult ge mij ook euvel duiden, wat ik u zeggen
zal? Die daar scheppen behagen daarin, in citherspel en zang, zorgeloos
weg, daar zij ongestraft have en goed van een ander verteren, van een´
man, wiens witte gebeente misschien wel ergens op ´t land in den
regen ligt te verrotten of op zee door de golven heen en weêr
wordt gewenteld. Mochten ze hem maar eens teruggekeerd zien in Ithaca,
dan zouden zij allen wenschen óf sneller van voeten te zijn of
rijker in goud en gewaden. Maar hij is zeker zóó een ellendigen
dood gestorven en geen troost meer blijft er ons over, al beweert ook
iemand der op aarde levende menschen, dat hij terug zal keeren: verloren
is toch de dag van zijn tehuiskomst. Maar welaan, zeg mij (nu) dit en
verhaal het naar waarheid: wie en van welk volk zijt gij? waar is uw
vaderstad en waar wonen uw ouders? op welk soort van schip zijt gij
hier gekomen? En hoe bracht u het scheepsvolk naar Ithaca? Tot welk
volk beroemden zij zich te behooren? Geenszins toch voorzeker zijt ge,
vermoed ik, te voet hier gekomen. Zeg ook naar waarheid mij dít,
opdat ik zéker het wete, of gij pas voor het eerst hier komt
dan of ge reeds een gastvriend van mijn vader zijt, daar reeds vele
andere mannen ons huis hebben bezocht, want mijn vader had veel omgang
onder de menschen."
Tot hem sprak daarop weder de vonkeloogige godin Athene:
"Zeker zal ik u dit naar zuivere waarheid verhalen. Mentes, de
zoon van den schranderen Anchialus, beroem ik mij te zijn en ik heersch
over de scheepvaartlievende Taphiërs. Doch thans ben ik, zooals
ge mij hier voor u ziet, met mijn schip en mijn makkers de haven hier
binnengeloopen, op mijn vaart over de in donkere kleuren glinstrende
zee naar anderssprekende menschen, naar Temesa om koper te halen (in
ruil) voor ´t blinkende ijzer, dat ik als lading meêvoer.
Mijn schip staat hier op het land, ver van de stad, in de haven Rheithron
aan den voet van den boschrijken Neïon. Elkanders gastvrienden
roemen wij ons reeds uit den tijd onzer vaadren, van oudsher; ga slechts
naar den grijzen held Laërtes en vraag ´t hem, die thans,
naar men zegt, niet meer in de stad komt, maar ver op het land zijn
kommer blijft dulden saam met een dienstbare oude vrouw, die hem spijs
en drank voorzet, wanneer hem vermoeidheid de leden bevangt, als hij
moeizaam voortstrompelt over ´t golvende veld van zijn wijngaard.
Doch thans ben ik hier gekomen, want men zeide mij dat hij, uw vader,
reeds weêr in zijn land was; maar zeker belemmeren de Goden hem
op zijn reisweg. Want op het aardrijk stierf nog niet de godlijke Odysseus,
maar hij wordt nog bij zijn leven ergens op de uitgestrekte zee tegengehouden
op een van alle zijden omstroomd eiland, waar vijandige, woeste mannen
hem vasthouden, die hem zeker tegen zijn wil terughouden. Doch thans
zal ik u voorspellen, zooals mij de onsterflijken het in ´t harte
leggen en zooals ik meen dat het zal gaan in vervulling, hoewel ik geenszins
een ziener ben noch duidelijk verstand heb van vogelteekens: voorwaar
niet lang meer zal hij van den dierbaren grond zijner vaadren verwijderd
blijven, zelfs niet al weêrhouden hem ijzeren boeien; zeker zal
hij overleggen, hoe hij terug kan keeren, want hij is vindingrijk. Maar
welaan, zeg mij nu dit en verhaal het naar waarheid, of gij, zoo kloek
thans, werkelijk de eigen zoon van Odysseus zijt. Waarlijk, verbazend
gelijkt gij in hoofd en schoone oogen op hem, want zoo vaak gingen wij
met elkaâr om, vóór hij naar Troje zich inscheepte
waarheen ook andere voortreflijksten onder de Argivers op hun´
holle schepen vertrokken; maar sedert dien tijd heb ik Odysseus niet
weêr gezien, noch hij mij."
Tot haar sprak daarop weder de verstandige Telemachus:
"Zeker zal ik u dit, mijn gast, naar zuivere waarheid verhalen.
Mijn moeder zegt wel dat ik zijn zoon ben, maar zelf weet ik het niet;
geen mensch toch kent zelf zijne afkomst. Ach, dat ik veeleer ware de
zoon van een of ander rijk man, wien bij ´t rustig bezit zijner
goederen de ouderdom nadert. Maar nu ben ik, zoo zegt zij, de zoon van
hem, die wel de rampzaligste van alle stervelingen is - indien gij dan
wenscht het te weten."
vs. 221 - 318:
Op Athene´s vraag naar de minnaars, geeft Telemachus inlichtingen,
waarop zij hem aanraadt een volksvergadering bijeen te roepen en zelf
naar Pylus en Sparta te gaan, om over het lot van zijn´ vader
berichten in te winnen.
Tot hem sprak daarop
weder de vonkeloogige Godin Athene:
"Waarlijk, uw geslacht hebben de Goden niet in de toekomst roemloos
gemaakt, daar Penelope in u zulk een´ kloeken zoon het levenslicht
schonk. Maar welaan, zeg mij nu dit en verhaal het naar waarheid: wat
voor een maal toch, welk een gewoel is hier gaande? En wat hebt ge daarmeê
van noode? Is het een feestmaal of een bruiloftsviering? want een vriendenmaal
op onderlinge kosten is dàt daar niet. Als brooddronkene lieden
schijnt het mij toe, dat zij hier in huis overmoedig brassen; als een
verstandig man er bij kwam, zou hij zeker met ergernis die vele schandalen
aanschouwen."
Tot haar sprak daarop weder de verstandige Telemachus:
"Gastvriend, daar ge mij dan dit vraagt en er naar vorscht: eens
moet dit huis rijk en aanzienlijk geweest zijn, zoolang nog die man
in het land was. Doch nu wilden de rampen beramende Goden het anders,
daar zij hem meer dan iemand anders verscholen houden: want ik zou over
zijn dood niet zóózeer bedroefd zijn, als hij te midden
zijner makkers gestorven was in het land der Trojanen of in de armen
der zijnen, na onder veel moeiten en bezwaren den oorlog te hebben geëindigd.
Dan toch zouden alle Achaeërs een grafheuvel voor hem hebben opgericht
en ook voor zijn zoon zou hij dan in de toekomst grooten roem hebben
verworven; maar thans hebben de stormwinden hem roemloos meêgesleurd.
Weg is hij, onzichtbaar en spoorloos, en mij liet hij niets dan smarten
en weeklachten achter. Maar niet over hem alleen jammer en zucht ik
meer, daar de Goden mij thans nog andere verderfelijke rampen hebben
beschoren. Allen toch die als vorsten op de eilanden heerschen, op Dulichium
en Same en op ´t boschrijke Zacynthus en ook allen, die op het
rotsige Ithaca als vorsten gebieden, die dingen allen naar de hand mijner
moeder en verbrassen ons erfgoed. En zij kan evenmin er toe komen het
gehate huwelijk af te slaan als het te vervullen, en intusschen vernielen
zij, zwelgend, mijn gansche bezitting; weldra zullen zij nu ook mij
zelven verdelgen."
Misnoegd sprak daarop Pallas Athene tot hem:
"Wee, gij mist dan voorwaar wel zeer den afwezigen Odysseus, die
voorzeker zijn handen zou slaan aan de onbeschaamde minnaars. Mocht
hij thans komen en vóór aan de deur van zijn woning staan
met helm, schild en twee speeren, nog zóó krachtig, als
ik hem de eerste maal zag, in ons huis, van wijn en vreugde genietend,
toen hij uit Ephyra kwam van Ilus, den zoon van Mermerus - want ook
daarheen kwam Odysseus op zijn snel schip, daar hij er zocht naar een
mannenmoordend gif om er zijn koperpuntige pijlen meê te bestrijken;
Ilus echter gaf het hem niet uit ontzag en eerbied voor de eeuwige Goden,
maar mijn vader gaf het hem, want deze beminde hem hartelijk - o, mocht
Odysseus, zóó krachtig nog, de minnaars hier te lijf gaan!
dan zouden zij allen weldra den dood vinden en hun huwelijksplannen
hun ongeluk zijn. Doch voorzeker, dit alles bersut in den schoot van
de Goden of hij terug zal keeren en wraak nemen in zijne woning, of
niet; u echter vermaan ik te overleggen, hoe ge de minnaars uit uw huis
zult wegjagen. Welaan dan, leen mij het oor en sla wel acht op mijn
woorden. Roep morgen de heldhaftige Achaeërs ter vergadering bijeen,
richt dan tot allen het woord en roep de Goden tot getuigen: dring er
op aan dat de minnaars, een ieder zijns weegs, uiteengaan, doch laat
uw moeder, indien haar het hart weêr neigt tot een huwelijk, dan
naar de woonzaal terugkeeren van haar rijken en machtigen vader; daar
zullen de minnaars dan wel het huwelijk en de huwelijksgeschenken beschikken[
rijkelijk vele, zooveel als het past dat een dierbare dochter verzellen].
U zelven echter wil ik een verstandigen raad geven, dien ik hoop dat
gij opvolgt; voorzie het beste schip, dat gij hebt, met twintig roeiers
en ga daarmeê op inlichting uit omtrent uw´ lang afwezigen
vader, of misschien een der stervelingen u iets zegt, of wellicht een
onbestemd gerucht, bode van Zeus, u ter oore komt, dat het meest aan
de menschen een mare verkondigt. Ga dan het eerst naar Pylus en doe
navraag bij den godlijken Nestor, en vandaar naar Sparta naar den blondlokkigen
Menelaus; deze toch keerde het laatst terug van de in ´t koper
geharnaste Achaeërs. Zoo ge er soms iets hoort van uws vaders leven
en terugkomst, dan zoudt ge, hoezeer ook gekweld en geplaagd, ´t
een jaar nog wel kunnen uithouden; maar als ge hoort dat hij gestorven
en niet meer is, keer dan terug naar den dierbaren grond uwer vaad´ren,
richt daar een grafheuvel voor hem op en verbrand daarbij te zijner
eer wat hem het liefst was[ in rijkelijke menigte, zooveel als het past
en geef uwe moeder aan een man ten huwelijk]. Doch wanneer ge dit alles
beëindigd en volbracht hebt, overleg dan daarna in uw geest en
gemoed, hoe ge die minnaars in uw huis zult dooden, ´t zij met
list, ´t zij openlijk. Ook voegt het u niet meer als een kind
te handelen; die leeftijd toch zijt gij ontgroeid. Hebt ge niet gehoord
welk een roem de goddelijke Orestes zich bij alle menschen verwierf,
daar hij zijns vaders moordenaar doodde, den listen beramenden Aegisthus,
die zijn roemrijken vader vermoordde? Gij ook, mijn vriend - want ik
zie u als schoonen en rijzigen jongeling - wees dus krachtig, opdat
ook van de nakomelingen menigeen goed van u spreke. Doch nu keer ik
terug naar mijn snel schip en naar mijne makkers, die misschien reeds
zeer ongeduldig mij wachten. Zorg dus zelf voor alles en sla wel acht
op mijn woorden."
Tot haar sprak daarop weder de verstandige Telemachus:
"Gastvriend, waarlijk gij spreekt met een hart vol goede gezindheid,
zooals een vader het doet tot zijn´ zoon en nooit zal ik ´t
vergeten. Maar kom, toef nu nog een poos, hoezeer ge ook verlangt naar
de afreis, opdat ge, na u gebaad en het hart met spijs te hebben verkwikt,
verheugd in uw gemoed naar uw schip terugkeert met een kostbaar, zeer
schoon geschenk, dat u van mijn kant een kleinood zal zijn, zooals gastvrienden
elkander uit vriendschap plegen te geven."
Hem antwoordde daarop de vonkeloogige Godin Athene:
"Houd me thans niet langer terug, nu ik hunker naar de afreis.
En wat betreft het geschenk, dat uw hart u dringt mij te geven, geef
mij dat als ik terugkeer om het meê naar mijn woning te nemen
en kies er een recht schoon uit; u valt er van mij een ten deel, dat
de ruil wel waard is."
vs. 319 - 366:
Na Athene´s vertrek verschijnt Penelope in de mannenzaal, waar
Phemius de terugkomst der Achaeërs bezingt. De wijze waarop Telemachus
haar verzoek aan den zanger, het lied te eindigen, opneemt, toont aan
de verraste moeder de door Athene bewerkte ommekeer in den aard van
haar zoon.
Na zóó
gesproken te hebben, ging de vonkeloogige Athene heen; en evenals een
vogel vloog zij omhoog door de lucht. Hem echter had zij kracht en moed
in het harte gestort en meer nog dan vroeger deed zij hem denken aan
zijn vader; en hij, ´t in zijn geest gewaar wordende, verbaasde
zich in zijn gemoed, want hij vermoedde dat het een Godheid was. Aanstonds
ging nu de godengelijke man tot de minnaars.
In hun midden zong thans de hoogberoemde zanger en zwijgend zaten zij
allen te luisteren. Hij zong van den droeven terugkeer der Achaeërs
uit Troje, dien Pallas Athene hun had opgelegd. Uit het bovenvertrek
nu hoorde de dochter van Icarius, de zeer verstandige Penelope, zijn
bezielden zang; aanstonds daalde zij de hooge trap van haar woning af,
niet echter alléén: haar vergezelden bovendien twee dienende
vrouwen. Toen zij, de godlijke onder de vrouwen, nu bij de minnaars
gekomen was, bleef zij staan naast de deurpost der stevig getimmerde
mannenzaal, na eerst den glanzigen sluier vóór haar wangen
te hebben getrokken; en naast haar aan iedere zijde stond een´
zorgvolle dienende vrouw. Weenende sprak zij toen tot den godlijken
zanger:
"Phemius, zeker kent gij ook nog vele andere streelende zangen,
daden van menschen en Goden, zooals de zangers die verheerlijken. Zing,
in hun midden gezeten, één dáárvan en laten
zij zwijgend daarbij hun wijn drinken. Maar houd op met dit droevig
lied, dat steeds mij het hart in den boezem kwelt, daar míj het
meest onvergetelijk leed heeft getroffen; altijd toch verlang ik met
smart en gedenk ik den edelen man, wiens roem wijd is verbreid in Hellas
en in ´t binnenst van Argos."
Tot haar sprak daarop weder de verstandige Telemachus:
"Moeder, waarom toch misgunt gij den wakkeren zanger vreugde en
genoegen te wekken, gelijk hem de geest er toe dringt? niet de zangers
zijn schuld daaraan, maar naar ik meen, eerder Zeus, die aan ieder der
broodetende menschen onheil toedeelt gelijk hij het wil. Dezen dus is
het niet euvel te duiden dat hij het ongelukkig lot der Danaërs
bezingt. Zulk een lied toch juichen de menschen het meest toe, dat als
het nieuwste een ieder, die ´t hoort, in de ooren klinkt. Laat
daarom uw hart en gemoed moed vatten om toe te luisteren; want niet
Odysseus alleen moest derven den dag der terugkomst, ginds in Troje,
ook vele andere helden vonden er den dood.[ Doch, ga gij nu naar uw
vertrek en bezorg daar úw arbeid, ´t weefgetouw en het
spinrokken en beveel uwe dienstmaagden aan ´t werk te gaan; de
zorg voor het woord echter past aan de mannen, aan allen, maar het meest
aan mij: want mij behoort de opperste macht hier in huis.]
Van verbazing vervuld begaf zij zich ijlings weêr naar het vrouwenvertrek,
want het verstandige woord van haar zoon nam zij ter harte; dan, in
haar bovenvertrek met haar dienende vrouwen gekomen, liet zij haar tranen
den vrijen loop over Odysseus, haar´ dierbaren gade, totdat haar
de vonkeloogige Athene een zoeten slaap over de oogleden deed zinken.
De minnaars intusschen tierden luid door elkaâr in de schaduwrijke
mannenzaal en allen gaven luide hun vurigen wensch te kennen naast haar
op de sponde te rusten.
vs. 367 - 419:
Na Penelope´s vertrek kondigt Telemachus den minnaars zijn besluit
aan, eene volksvergadering bijeen te roepen; deze staan verbaasd over
zijn mannelijk optreden; Eurymachus vraagt inlichtingen omtrent den
vreemdeling.
Onder hen begon
thans de verstandige Telemachus aldus te spreken:
"Gij, die de hand van mijn moeder begeert, met vermetelen hoogmoed,
laten wij thans in den disch ons verheugen en laat er geen getier en
geschreeuw meer zijn, want dát is toch ook heerlijk te luisteren
naar zulk een´ zanger als dezen, den goden in stem evenarend.
Laten wij morgen vroeg te saam ons vereenigen, zittend ten raadskring,
opdat ik u ronduit, zonder omwegen mijn meening zeg[, dat ge dit huis
moet verlaten; bereidt gij u andere maaltijden, uw eigen bezittingen
verterend en wisselt bij beurten van kosthuis. Doch wanneer dit ul.
verkieslijker toeschijnt en voordeeliger, heel het vermogen van één
man zonder vergoeding te vernietigen, brast en verkwist dan maar voort!
maar ík zal de eeuwige Goden tot getuigen aanroepen, of mogelijk
Zeus de wedervergelding doe komen: ongewroken en zonder zoengeld zoudt
gij dan allen hier in dit huis den dood vinden]."
Aldus sprak hij en zij allen, van spijt op de lippen zich bijtend, verwonderden
zich over Telemachus, dewijl hij zoo koen had gesproken.
Tot hem sprak daarop weder Antinoüs, de zoon van Eupeithes:
"Waarlijk, Telemachus, zeker leerden de Goden zelven u een grootspreker
te zijn en zoo stoutmoedig te spreken. Moge u maar niet op het door
de zee omspoelde Ithaca Cronos´ zoon tot opperkoning maken, wat
toch eigenlijk door geboorte uw vaderlijk erfrecht is."
Tot hem sprak daarop weder de verstandige Telemachus:
"Antinoüs, al duidt ge mij ´t ook euvel, wat ik u zeggen
zal, zelfs dat voorrecht zou ik gaarne verwerven, als Zeus althans ´t
mij wilde schenken. Of meent ge dat dit wel ´t slechtste is onder
de menschen? waarlijk, ´t is geenszins een euvel koning te zijn;
eens konings huis wordt weldra rijk en hij zelf meer geëerd dan
een ander. Maar voorzeker, aanzienlijk zijn er ook vele anderen onder
de Achaeërs in het door de zee omspoelde Ithaca, jongen en ouden,
van wie wel de een of ander dit rijk in bezit zal nemen, daar de godlijke
Odysseus gestorven is; maar ík zal hier blijven als heer van
óns huis en van ónze dienaren, die de godlijke Odysseus
voor mij als buit verwierf."
Tot hem sprak daarop weder Eurymachus, de zoon van Polybus:
"Telemachus, dit alles voorzeker berust in den schoot van de Goden,
wie op het door de zee omspoelde Ithaca koning over de Achaeërs
zal zijn; uwe bezittingen kunt ge zelf behouden en heer zijn in uw eigen
huis. Laat die man zich wachten te komen, die, tegen uw wil, met geweld
u uw bezittingen ontrooft, zoolang nog Ithaca bloeit en bevolkt is!
Maar ik verlang nu, mijn beste, u te vragen omtrent uwen gastvriend,
van waar die man komt, uit welk land hij zich beroemt herkomstig te
zijn en waar zijn geslacht en het land zijner vaadren is. Bracht hij
soms de tijding, dat uw vader terugkeert? Of wel komt hij hierheen om
zijn eigen belangen te bevorderen? Hoe sprong hij op en was dadelijk
weg en bleef hij niet eens tot men hem kende! hij geleek anders van
aanzicht in ´t geheel niet iemand van minderen stand."
Tot hem sprak daarop weder de verstandige Telemachus:
"Eurymachus, zéker is het gedaan met mijns vaders terugkeer;
ik geloof dus niet meer aan tijding, voor ´t geval er een komen
mocht, noch ook bekreun ik mij meer om voorspellingen, als mijne moeder
in haar vertrek een uitlegger van teekenen roept en hem daarnaar vraagt.
Gene, die vreemdeling, is sedert den tijd onzer vaadren onze gastvriend
uit Taphos. Mentes, de zoon van den schranderen Anchialus, beroemt hij
zich te zijn en hij heerscht over de scheepvaartlievende Taphiërs."
vs. 420 - 444:
Zang en dans, totdat allen zich ter ruste begeven.
Zóó
sprak Telemachus, ofschoon hij in zijn geest de onsterflijke Godin had
herkend. Daarop wendden de minnaars zich weêr tot het genot van
dans en lieflijken zang en bleven daarbij tot de avondster opkwam. Eindelijk
kwam dan te midden hunner vermaken de het duister brengende avondster
op: toen gingen zij, ieder naar zijn eigene woning om zich ter ruste
te leggen. Telemachus echter ging, waar in den sierlijken voorhof zijn
hooggelegen slaapvertrek op een rondom zichtbaren plaats was gebouwd,
naar zijn legerstede, in den geest veel zaken bepeinzend. Hem begeleidde
met vlammende fakkels in de handen, steeds zorgzaam van aard, Euryclea,
de dochter van Ops, den zoon van Pisenor, welke Laërtes vroeger
uit eigen middelen gekocht had, toen zij nog in den eersten bloei der
jeugd was en twintig runderen had hij voor haar gegeven; even hoog eerde
hij haar in zijn huis als zijn eigen zorgzame gade, maar nooit had hij
met haar zich in minne vereenigd, want hij vermeed den toorn zijner
gade. Deze nu begeleidde hem met brandende fakkels in de handen, want
van alle dienende vrouwen hield zij het meest van hem, daar zij als
kind hem verpleegd had. Toen ontsloot hij de deur van het stevig getimmerde
slaapvertrek, zette zich neêr op zijn bed en ontdeed zich van
´t lenige onderkleed, dat hij legde in de handen der verstandige
oude. Daarop vouwde zij het onderkleed op, streek het glad en hing het
op aan een knop bij de met open werk versierde legerstede; toen verliet
zij het slaapvertrek, trok de deur dicht met den zilveren deurring en
schoof met den riem den grendel er voor. Daar bepeinsde hij den ganschen
nacht, in de wollige schapevacht gehuld, in zijn geest den tocht, dien
Athene hem had aangewezen.
__________________________
|