Homerus Odyssee a

[De Odysséa van Homerus,
naar het Grieksch, in Nederduitsche verzen gevolgd,
door Mr. Jan van 's Gravenweert.
Te Amsterdam, bij Johannes van der Hey en Zoon.
MDCCCXXIII.]

---------------------------

Eerste boek

Inhoud des eersten boeks.

Ulysses (Odysseus), na de inneming van Troje door Neptunus op de wateren vervolgd, dewijl hij den gewelddadigen Cykloop Polyfemus, deszelfs zoon, van het gezigt had beroofd, is eindelijk op het eiland van Kalypso geworpen, welke hem echter uit liefde in hare banden wederhoudt. - In het afwezen van Neptunus beklaagt hem zijne bijzondere Schutsgodin Minerva in den Raad der Goden; zij verwerft van Jupiter de vergunning, om Ulysses te doen verlossen en zelve in Ithaka neder te dalen, om Telemachus, den zoon van dien held, aan te sporen tot het bezoeken der Hoven van Nestor en Menelaüs op het vaste land, ten einde aldaar eenige berigten in te winnen omtrent zijnen, sedert twintig jaren afwezenden, vader. De Godin vindt het paleis van Ulysses opgevuld met een aantal Vorsten en jongelingen, welke, onder voorwendsel van naar Penelope's huwelijk te trachten, de schatten van den afwezenden Koning in overdaad verteren en zijne slaven mishandelen. Zij prikkelt Telemachus tot ontwikkeling van zijnen moed, en deze roept tegen den volgenden morgen de minnaars tot eene volksvergadering op.

----------

--------------------------

Spreek, Zangster! van den held, in krijg en list volleerd,
Die, toen hij Trojes wal tot puin had omgekeerd,
Moest zwerven; die op zee rampzalig heeft geleden,
Een aantal volkren zag en onbekende zeden,
Wanneer hij voor zich zelv' en 't leger redding zocht;
Maar, hoe trouwhartig ook, geen benden helpen mogt,
Die woest en onbedacht zich zelve in 't onheil bragten,
En 't rundervee der Zon ten gruwbren maaltijd slagtten, -
Der Zon, wier gramschap haar geen' dag van keeren gaf.
Spreek, Zangster! van hunn' togt, hun lijden en hun straf.

Al wat geen vijands staal voor Troje had doen vallen,
Aan krijg en zee ontsnapt, vond rust in Grieksche wallen.
Alleen Ulysses moest nog zuchten naar zijn land
En ega; hem weêrhield Kalypso in den band
En bleef in haar gebied zijn wedermin begeeren.
Maar toen het tijdstip, hem bestemd tot wederkeeren
Naar 't rotsig Ithaka, in 't eind' was aangespoed,
Ook toen, in 't midden van zijn vrienden onbehoed,
Vervolgde hem zijn ramp, schoon 't innig mededoogen
Van al de Goden hem beveiligde in zijn pogen,
En slechts de God der zee hem wrokkend tegenstond,
Zoo lang hij zich niet redde op vaderlandschen grond.

Neptunus was gereisd naar 't uiterste eind' der aarde
Bij 't Ethiópisch volk, waar trouw en deugd zich paarde;
Een volk, wiens eene helft aan 't westeravondstrand
Zijn woning had gezocht, terwijl het morgenland
Eene andre wederhelft mogt voeden aan zijn kimmen.
Hier zag hij d' offergeur van stier en lamren klimmen
En deelde in 't feestbanket, terwijl de kring der Goôn
Omhoog vergaderd was bij 's Bliksemkneders troon.
De Olympische Opperheer bepeinsde Egisthus leven,
Dien Agamemnons zoon, Orestes, had doen sneven,
En doet zich eindlijk dus van heel den rei verstaan:
"De mensch beschuldigt ons onbillijk in zijn' waan;
Hij wijt aan ons een ramp, hem niet door 't Lot beschoren,
Maar uit zijn onverstand en euveldaân geboren.
Zoo heeft Egisthus hier de wet van 't Lot verkracht,
Der Grieken Veldheer bij zijn weêrkomst omgebragt
En Agamemnons gade en koningsstaf bezeten,
Hoezeer hem Majaas telg ons voorschrift had doen weten,
Hem Agamemnons moord en Klytemnestraas echt
Zoo streng verboden had, en wraak had aangezegd
Van dien Orestes, die als man zou wederkeeren
En met zijn rijksgebied des moorders straf begeeren.
Dit spelde hem Merkuur; Egisthus oor bleef doof;
Nu boet hij reeds voor moord en overspel en roof."

"Ach! Vader Jupiter!" - dus laat zich Pallas hooren -
"Niet onverdiend ging deze in 't wanbedrijf verloren.
Moge elk, die gruwlen pleegt, zoo wel gestraft vergaan!
Maar om Ulysses blijft mijn boezem hevig slaan,
Om dien rampzaalgen, die, verwijderd van zijn vrinden,
Een onverduurbaar leed bij Atlas telg moest vinden,
Diens Atlas, wiens vernuft, zoo schrander aangewend,
De diepte van de zee en al de watren kent,
Wiens rug de pijlers schraagt, die aarde en hemel scheiden;
Zijn telg Kalypso blijft haar' tooverklank verspreiden,
Om hem, die eindloos treurt, te ontrukken aan zijn ga,
En 't beeld te wisschen van zijn dierbaar Ithaka.
Maar 't eiland noch de Nimf zal ooit zijn hart verkrijgen,
Hij wil voor 't minst den rook uit eigen dak zien stijgen
En dan getroost hij zich den dood; en dit zijn lot
Vindt nog geen heul bij u, almogend Oppergod!
Heeft dan Ulysses bij de vloot op Trojes stranden
Uwe outers niet versierd met dankbare offeranden?
Wat toont ge u tegen hem, mijn Vader! zoo verstoord?"

"Mijn dochter! welk een taal is uit uw' mond gehoord!" -
Herneemt Jupijn - ,"hoe zoude ik ooit een' held verstooten,
In schranderheid de bloem van zijn natuurgenooten,
Die, altijd deugdgezind, der Goden oppermagt
In ruimen overvloed zijne offers heeft gebragt?
Alleen de Zeegod blijft Ulysses streng vervolgen,
Om Polyfemus ramp in 't wrokkend hart verbolgen.
Die Polyfeem, een reus, die uit Thoósa sproot,
Wanneer ze in 't duister hol Neptunus weêrmin bood,
Is bij 't Cyklopenvolk de grootste in krachtvermogen.
't Gezigt door 't eenigst oog werd hem met list onttogen
Door held Ulysses kunst, en sinds, van strand tot strand
Geslingerd, en verdoold, wordt deze uit erf en land,
Door God Neptunus, die zijn' dood niet eischt, verdreven.
Maar thans zij hier beraamd hoe 't zekerst hulp te geven,
Opdat hij keeren moog'; dan smoor Neptuin zijn' haat;
Alleen vermag hij niets, zoo heel de Godenraad
Zich tegen hem vereent, om voor den held te waken."

"Wanneer de kring der Goôn Ulysses boei wil slaken,
o Vader Jupiter!" - spreekt nu Minerva weêr -
"Zend Majaas vluggen zoon dan uit den hemel neêr,
Om Atlas dochter in Ogygia te ontdekken,
Dat wij Ulysses uit haar eiland doen vertrekken.
Ik wend terwijl mijn schreên naar 't strand van Ithaka,
En drijf Telemachus, dien ik bezielen ga
Met onbepaalden moed, zijns vaders onderzaten
Bijeen te roepen, om die pesten zijner Staten,
Die gruwzaam naar de hand van zijne moeder staan,
Die zwelgers van zijn goed, opeens te keer te gaan.
Dan zal ik hen naar Sparte en Pylos oevers sporen,
Of iets hem 't nadren van Ulysses mogt' doen hooren,
Terwijl hij zelf zijn' roem vermeerdren zal op aard'."
Zij bindt, nu 't laatste woord haar van de lippen vaart,
Haar gouden schoeisel aan, dat, met den gang der wolken,
Haar over de aarde voert en Tethys waterkolken,
En grijpt die grove, sterke en welgepunte speer,
Die gansche legers velt, als haar beleedigde eer
In 't barnen van den strijd geleden' hoon wil wreken.

Zoo daalt ze, Olympus top een oogenblik ontweken,
Bij 't vorstlijk voorhof in Ulysses vaderland.
Zij houdt de scherpe lans in de onverwinbre hand,
En treedt als Mentes op, aan Tasus hoofd verheven.
De trotsche minnaars, door hunn' overmoed gedreven,
Vermaakten zich hier weêr in 't spelen met de koot.
De huid der rundren, met hunne eigen hand gedood,
Moest als een vloertapeet hun rustend ligchaam dragen.
Herauten snelden rond naar ieders welbehagen,
En mengden hun den wijn met water in de schaal.
Weêr andren droogden reeds den feestdisch voor hun maal
Met groote sponsen af, en deelden 't vleesch in stukken.
Telemachus, wiens geest de rampspoed neêr bleef drukken,
Zat met een treurend hart in 't midden van 't gewoel,
En overpeinsde weêr met kinderlijk gevoel,
Of dan Ulysses nooit in Ithaka zou keeren,
Die snoodaards straffen, en zijn eigen land regeren.
Zoo peinsde hij en ziet terwijl Minerva staan,
En haast zich aan de poort haar in 't gemoet te gaan; -
Want, dat een vreemdling aan zijn deur zou moeten beiden,
Gedoogt hij niet. - Hij vliegt, om hem in 't Hof te leiden,
Belast zich met zijn lans, en grijpt zijn regterhand
En spreekt hem ijlings aan: "Zijt welkom in dit land,
o Vreemdling! als een vriend, kunt ge op bescherming bouwen.
Verkwik u eerst door spijs, en wil mij dan ontvouwen,
Om wat belang gij kwaamt." Hij sprak; zij volgt hem thans.
Hij plaatst nabij een zuil de haar ontnomen lans
In 's Konings wapenzaal, waar nog een aantal speren
Van held Ulysses stond en spoedt zich om te keeren,
En spreidt een fraai tapeet, waarop hij zelf een' stoel
En voetbank neêrzet voor zijn' gast, om, van 't gewoel
Verwijderd, aan zijn' disch hem geen verdriet te geven
Door 't galmend druischen, bij de minnaars aangeheven.
Hij maakt zich nevens hem een' andren stoel gereed,
Om uit te vorschen, wat hij van Ulysses weet.
Een maagd, op zijn bevel ter feestzaal ingekomen,
Doet uit een gouden vaas het zuivringswater stroomen
In 't zilvren koelvat, en bereidt een' essen' disch.
De hofmeestres geeft brood en wat hem 't voedzaamst is
Uit al haar' voorraad, in een aantal kostbre schalen;
De spijsbereider vleesch in menigte, en bokalen,
Van louter goud bewerkt, die 's Princen lijfheraut
Gestadig vult met wijn. - De minnaars, altijd stout
En blind van hoogmoed, tot den maaltijd opgetreden,
Beslaan de zetels nu. De spijs wordt voorgesneden,
En 't brood in korfjes door slavinnen opgezet,
Terwijl het water uit een gouden hoflampet
Hun langs de handen vloeit, eer ze aan den maaltijd raken.

Zij haastten zich de vreugd van 't dischgenot te smaken,
En tintlend Bacchusvocht wordt door een' breeden stoet
Van jongren voorgediend. Naauw was die schaar doorvoed,
Of ieder wil zijn vreugd den vollen teugel vieren
In dans en maatgezang, die 't meest den maaltijd sieren.
Den zanger Fémius, alleen door overmagt
Weêrhouden in hunn' kring, wordt nu de lier gebragt;
Hij stemt de citer, om met zwier en kunst te zingen,
Terwijl Telemachus nog digter aan blijft dringen
Naast Pallas zetel, opdat niemand zou verstaan,
Wat hij behandlen ging. Hij vangt zijn voordragt aan:
"Zal, dierbre vreemdling! u mijn rede niet mishagen?
Gezang en citerspel is al wat deze vragen,
En 't valt hun ligt, dewijl hunne overdaad zich voedt
Met rijkdom van den held, wiens ligchaam in den vloed
Reeds lang een grafplaats vond, of wegrot op de stranden.
Indien hun oog hem ooit zag keeren in zijn landen,
Zij wenschten zich geen' schat van goud of kleedren meer,
Maar snelheid tot de vlugt; nu stierf hij zonder eer.
't Is alles hooploos; al deed iemand weêrkomst hopen,
De dag van keeren is reeds lang voor hem verloopen.
Doch spreek en wees oprecht: wie zijt ge? uit welk een land?
Wie zijn uwe oudren? hoe genaakte gij dit strand?
Waarom? met welk een schip? door welk een volk gezonden?
Gij hebt den weg tot ons toch niet te land gevonden.
Ontwikkel mij dit vrij, opdat mij stellig blijk'
Of gij voor de eerste maal u ophoudt in dit Rijk,
Dan of gij reeds voorheen de gast waart van mijn' vader,
Want hij werd vaak bezocht, en toonde zich te gader
Verpligtend en getrouw, en vond bij 't menschdom eer."

"Gij zult mij kennen." - zoo begint Minerva weêr. -
"De schrandre Anchialus, een Koning, schonk mij 't leven.
'k Heet Mentes en ik ben op Tafus troon verheven;
Mijn landaard bouwt den vloed. Nu breng ik langs de zee
Een lading ijzer heen naar 't bloeiend Temesé,
Om winst te doen. Ik liet mijn vaartuig, volk en slaven,
Verwijderd van uw stad, in Rethrums veilge haven.
Uw huis en 't mijne zijn reeds langen tijd verknocht
Door 't heilig gastenregt, en, zoo gij twijflen mogt,
Laërtes kan het u met zekerheid doen hooren.
Men zegt, die grijsaard heeft de rust van 't land verkoren
En schuwt het stadsgewoel; eene oude huisslavin
Verzorgt hem daar, en dient haar' meester, zacht van zin,
Het voedsel toe, wanneer zijn leden zich vermoeijen
In 't kruipen langs zijn erf, waar ooft en wijnstok groeijen.
Nu kwam ik om nog eens uw' vader weêr te zien.
Men sprak, hij mogt voorlang het zeegevaar ontvliên;
Maar 't zijn de Goôn, die ons zijn weêrkomst niet gedoogen.
Hij leeft, en blijft gewis aan uwen wensch onttogen
Bij wilde volkren, die, nog doof voor bede en klagt,
Op eenig eiland hem beteuglen door hun magt.
Ik, schoon in vogelvlugt noch wichlarij bedreven,
Ik spel u wat de Goôn me in 't hart te kennen geven,
En wat geschieden zal: uw vader blijft niet lang
Afwezend meer, al hield een boei hem in bedwang;
Vernuftig als hij is, zal nu de held reeds denken,
Hoe 't best te keeren, en zijn' vrienden hulp te schenken. -
Maar gij verklaar me opregt, zijt gij, zoo kloek en schoon,
Zoo schrander en begaafd, Ulysses eigen zoon?
Gij trekt zijn evenbeeld in edelheid van oogen
En aanschijn; eer hij naar den oorlog was getogen
Met Griekens Vorstenrij, heb ik hem vaak begroet;
Doch sinds dat oogenblik hem nimmer weêr ontmoet."

"Welaan," - verklaart zich nu Telemachus weêr nader -
"Verneem het vrij: hem noemt Penelopé mijn' vader,
Doch mij is 't onbewust; men kent den oorsprong niet
Van wien men 't leven heeft. o! Waar' het mij geschied
De zoon eens mans te zijn, dien op zijne eigen gronden
De nadrende ouderdom gelukkig had gevonden!
Nu sproot ik uit een' held, die 't ongelukkigst is
Van 't menschelijk geslacht." "o Vorst! gij zijt gewis" -
Hervat Minerva weêr - "uit geen geslacht geboren,
Waaraan geen luister of geen roem meer is beschoren,
Wanneer Penelopé zoo groot een' zoon bezit. -
Maar, jongling! zeg mij nu, wat feestbanket is dit?
Een bruiloft of waarom is hier die kring vergaderd?
Het schijnt geen maal, waar elk op eigen kosten nadert,
Zoo trotsch en onbesuisd zit hier die menigte aan;
En elk, die oordeel heeft, en 't feest mogt gadeslaan,
Zou verontwaardigd zijn bij 't zien dier schandlijkheden."

"Hoor, Vreemdling! daar gij 't vraagt, waarom zij 't huis betreden
Mijns vaders." - zoo begint de schrandre jongeling weêr -
"Zoo lang hij met ons was, beloofden we ons, dat eer
En rijkdom en gezag dit huis bestemd zou wezen;
Maar zij, wier vijandschap ons daaglijks meer doet vreezen,
De Goôn, beschikten ons geen heil, maar duurzaam leed,
Terwijl geen stervling iets van zijn verscheiden weet.
'k Zou om zijn' dood alleen zoo groot een' rouw niet drijven,
Wanneer het krijgszwaard hem vóór Troje had doen blijven,
Of als hij na den strijd voor 't sterflot had gezwicht
In 't vriendenleger, dan waar' hem een graf gesticht,
Door 't Grieksche volk vereerd, en mij, van hem geboren,
Mij ware uit zijn bedrijf een grooter glans beschoren.
Nu werd hij roemloos door Harpijen weggescheurd,
En sneuvelde ongemerkt, in 't duister, niet betreurd,
En liet mij grievend leed; doch niet alleen dat sneven
Beween ik, daar de Goôn nog zwaarder onheil geven;
Want al wat Samos kust, Zacynthus boschrijk strand,
Dulichium, of dit mijn rotsig vaderland
Als oppermagtig groet, komt hier mijn erf verteren,
En blijft Penélopé ten gruwbren echt begeeren.
Zij weigert zulk een trouw, maar kan zich niet ontslaan
Van 't lastig aanzoek, dat mijn welvaart doet vergaan,
Terwijl zij dag aan dag mijn' eigendom verbrassen,
En mij, weldra misschien, door 't moordend staal verrassen."

"Ja;" - spreekt de Godheid nu, bewogen tot zijn wraak -
"'t Is hoogstnoodzaaklijk, dat Ulysses hier genaak',
Om zelf de hand te slaan aan die verwaten minnaars;
Want kwam hij weder in de houding eens verwinnaars,
Met schild en krijgshelmet, de speren in de vuist,
Gelijk mijn vader hem voordezen heeft gehuisd,
Gelijk hij vrolijk aan den feestdisch banketteerde,
Toen hij uit Efyra van Koning Ilus keerde, -
Wanneer hij dezen was genaderd op zijn' togt,
En, eer de krijg begon, dat moordend gif verzocht,
Waarin men pijlen doopt, maar de eerbied voor de Goden
Aan dezen 't weigren van zijn beden had geboden,
En 't hem mijn vader schonk, hem welgeneigd van hart, -
Verscheen hij zoo, dees kring, die nu den hemel tart,
Zou, ras van 't licht beroofd, een bittre bruiloft vieren.
Maar 't is de magt der Goôn, die 't wijslijk zal bestieren,
Of ooit uw vader zich komt wreken van dien hoon,
Dan of hij nimmer keert; maar gij, zijn dappre zoon,
Bedenk gij zelf, hoe gij die minnaars weg zult drijven,
En, zoo gij luistren wilt naar wat ik voor ga schrijven,
Roep morgen vroeg uw volk en al de minnaars zaam.
Spreek tot geheel die schaar, spreek in der Goden naam;
Beveel den minnaars naar hun eigen land te keeren,
En aan uw moeder, als zij 't huwlijk mogt begeeren,
Dat zij dit Hof verlate en naar haar' vader wijk':
Daar vier' zij bruiloft, en ontvang' tot liefdeblijk
Een' rijker schat, dan ooit aan bruiden was beschoren.
En wat u zelv' betreft, zoo gij naar mij wilt hooren,
Rust dan uw beste kiel met twintig roeijers uit,
En ga vernemen wat Ulysses weêrkomst stuit,
Of een van 't Grieksche volk uw twijfling mogt verdrijven,
Of wat de faam u zegt, die niets geheim doet blijven.
Trek eerst naar Pylos, hoor wat Nestor u berigt,
Zoek dan op Spartes grond een meer verzekrend licht
Bij Atreus blonden zoon, die 't laatst is weêrgekomen.
Hebt ge eens het aanzijn van uw' vader zelv' vernomen,
Verdraag, hoezeer gekweld, uw ramp dan nog een jaar;
Berigt men u zijn' dood, keer weder met dees maar,
En bouw den held een graf en vier de plegtigheden,
Aan lijken toegezegd, en schenk met heilige eeden
Uw moeder aan een' man, haar zuivre liefde waard'.
Is dit naar eisch volbragt, bedenk u dan bedaard,
Hoe 't best die minnaars in uw eigen Hof te straffen:
Met zonder omweg u door 't krijgszwaard regt te schaffen,
Of door een list; want toch u voegt geen kinderwerk.
Gij zijt niet weerloos meer; ik zie u groot en sterk.
Of weet gij niet wat roem Orestes heeft verkregen,
Toen hij Egisthus, door zijne euveldaân gestegen
Op Agamemnons troon, zijns vaders moordnaar, trof?
Wees even kloek, mijn vriend! en win der menschen lof
Bij 't verste nageslacht. Welaan; betracht mijn woorden.
Gedraag u dus, en trek naar de aangewezene oorden.
'k Moet keeren naar mijn volk, dat me ongeduldig wacht."

Nu spreekt de jongling weêr: "Gij hebt me een' raad gebragt,
Zoo welgezind, als ooit een vader kan doen hooren
Aan zijn' geliefdsten zoon: die raad is niet verloren. -
Maar blijf hier nog een wijl, hoe zeer ge u haasten moet,
Opdat gij, eerst gebaad, vervrolijkt en doorvoed,
Een fraaije en kostbre gift, die in uw' schat kan pronken,
Gelijk ze aan gasten van hunn' gastheer wordt geschonken,
Zoudt voeren naar uw schip en mij indachtig zijn."

"Neen," - antwoordt Pallas nog - "ik weiger spijs en wijn.
Ik wensch te zeer mijn reis met spoed ten eind' te brengen.
Wat gij mij geven wilt, zult gij mij dan gehengen,
Wanneer ik wederkeer en u mijn' dank betoon.
Want zeker uw geschenk verdient een wederloon."

Dus spreekt ze, en wijkt van hem, gelijk zich in den hoogen
De vogel Anopé verwijdert uit onze oogen.
Zij geeft hem kracht en moed en 't hevigst ongeduld
Naar 't keeren van den Vorst, en, van haar taal vervuld,
Vermoedt de jongling, dat ze een hemelling kon wezen.
Hij mengt zich in den kring. - Nog was men niet gerezen,
Maar luistren zij naar 't lied, dat Fémius hun zong,
En hoe Minervaas last den Griek tot de afreis dwong
Na Trojes ondergang, en 't leed, zijn heir beschoren.
Nu klinkt dat hemelsch lied Penélopé in de ooren,
En, van een tweetal uit haar vrouwen vergezeld,
Was reeds de Koningin ten hoftrap afgesneld.
Genaderd tot de zaal, van waar de maatgezangen
Herklonken door 't paleis, omsluijert zij haar wangen,
En plaatst zich met dat paar, dat nevens haar blijft staan,
Nabij de poort, en spreekt den zanger weenende aan:
"Gij kunt, o Fémius! uw' dichtgeest wel bedwingen,
Om hier eene andre daad van held of Goôn te zingen.
Ik weet, uw kunst is groot. Verkies een ander lied;
Bij 't smaken van den wijn belet men u dat niet.
Men zal aandachtig zijn, maar staak dat lied van Troje,
Dat mij de ziel verscheurt. Ik strek vooral ter prooije
Van zulk een gruwzaam leed; ik zucht nog om een' held,
Wiens roem in Trojes krijg de strijdbre Griek vermeldt."

"Hoe kan," - dus laat zich nu Telemachus weêr hooren -
"o Moeder, mij zoo waard'! hoe kan het u verstoren,
Dat ons een dichter zingt, wat hem de geest beveelt?
De zanger heeft geen schuld, maar hij, die 't hem bedeelt,
Jupijn, die naar zijn' wil vernuft en hart kan leiden.
Dat Fémius hier zong wat ramp den Griek moest beiden
Na 't keeren uit den krijg, biedt geen verwijtingsstof;
Want toch het nieuwste lied verwerft den grootsten lof.
Uw hart gewenn' zich dus aan 't hooren van die zangen;
Niet slechts Ulysses viel om Griekenlands belangen
Voor Ilium; maar nog een aantal met dien held. -
Keer gij naar uw verblijf; zij daar uw werk besteld
Aan 't snorrend weefgetouw; spoor daar uw huisslavinnen
In 't vrouwentimmer om volijvrig voort te spinnen.
Het woord te voeren voegt den man, doch mij vooral,
Wien 't hoofdgezag behoort in deez' rampzaalgen wal."
Zij wijkt verbaasd, en blijft de taal haars zoons herdenken,
En in de vrouwenzaal haar' ega tranen schenken,
Tot haar Minervaas gunst de scheemrende oogen sluit.

De minnaars barsten nu tot galmend druischen uit,
Want elk verlangt nog haar in wedermin te ontsteken.
Telemachus begint die woestaards aan te spreken:
"Gij, trotsche minnaars van Penélopé! bedaart;
Geniet de ruimste vreugd, die wijn en feestdisch baart,
Doch luistert naar 't gezang: 't is goed een lied te hooren
Van zulk een' zanger, met zoo groot een kunst geboren,
Den Goôn in stem gelijk. Komt morgen bij elkaâr
Met al de burgers en wordt dan mijn' wensch gewaar,
Mijn' wil, dat gij vertrekt, en naar uw huis zult keeren,
En, feestenwisslend, bij u zelve banketteren.
Doch, zoo 't u beter schijnt om strafloos voort te gaan,
En steeds uw hand aan 't goed eens enklen mans te slaan,
Verbrast het vrij; maar ik beroep mij op de Goden,
Opdat ge, als mij van hen de weêrwraak wordt geboden,
Hier, van hunn' steun beroofd, vergaan zoudt door mijn staal."
Hij zwijgt: men staat verbaasd van zulk een schampre taal,
En bijt zich op de lip. Gezind dien hoon te wreken,
Begint Antinoüs, Eupíthes zoon, te spreken:
"Gewis; de Goden zelv' bedeelden u uit gunst
Met zulk een zeggenskracht en hooge reednaarskunst;
Verleen' der Goden Vorst u echter niet te gader
De kroon van Ithaka tot erfgoed van uw' vader!"

"Al wekt mijn taal uw spijt, ik nam den schepter aan" -
Zoo doet Telemachus zich weêr met kracht verslaan -
"Wanneer mij Jupiter Ulysses troon mogt schenken.
Zoudt gij de gift eens Rijks dan zoo verachtlijk denken?
't Is goed om Vorst te zijn, dewijl men in 't bewind
Den rijkdom voor zijn huis, voor zich vereering vindt.
Maar Ithaka telt nog een aantal andre heeren,
Zoo jeugdige als vergrijsd, die op zijn' grond regeren:
Dat een van hen, wanneer het Lot Ulysses trof,
Den Koningsstaf verkrijge! in dit mijn eigen Hof,
En van de slaven, als mijn' eigendom geboren,
Zal ik gebieder zijn." - Zoo laat de held zich hooren.
Nu gaat dEurymachus den jongen Vorst te keer:
"'t Hangt van de Goden af, door wien, als Opperheer,
De troon des vaderlands, o jongling! wordt beklommen.
Beheersch uw eigen huis, bestier uwe eigendommen,
En waag' het niemand aan uw goed de hand te slaan,
Zoo lang op deze kust één onzer mag bestaan. -
Maar zeg mij nu, wat heeft die vreemdling hier bedreven?
Welk is zijn vaderland? van wien ontving hij 't leven?
Van werwaarts reisde hij? bragt hij misschien berigt
Van 's Konings wederkomst uit Troje? of kwam hij ligt
Om 't hem verschuldigde van u terug te vragen?
Hoe snel verliet hij u! hij kan geen' blik verdragen
Van iemand onzer, en nogtans zijn fier gelaat
Duidt wel een' stervling aan van meer verheven' staat."
"Neen;" - spreekt de jongling weêr - "ik heb de hoop verloren
Van 's vaders komst; al deed een afgezant mij hooren,
Dat hij genaken zoude, al gaf eens wichlaars stem,
Hier door Penélopé verlangd, zijn tijding klem;
't Geloof ontzegde ik nog. Maar deze, aan mij verbonden
Door 't gastenregt, ontving het licht op Tafus gronden
Van held Anchíalus, en Mentes is zijn naam;
Dáár heerscht hij bij een volk, in zeemanskunst bekwaam."
Hij spreekt, en voelt zijn hart door Pallas geest gedreven.
De minnaars, die zich nu tot zang en dans begeven,
Gaan voort met dartlen tot bij 't nadren van den nacht.
Nu wendt zich elk naar huis, waar hem de slaapkoets wacht.
Telemachus, die aan 't gebeurde blijft herdenken,
Stijgt op naar 't prachtig oord, waar hij zich rust wil schenken,
Een fraaije zaal, hem op een hooge plaats gesticht.
De spruit van Opus treedt hem voor met fakkellicht;
Standvastige Euryklée, in 't bloeijendst van haar jaren
Voor twintig rundren bij Laërtes vrouwenscharen
En als slavin gekocht, doch als zijn ga vereerd,
Hoezeer hij nimmer hare omhelzing had begeerd,
Uit angst van door zijn min zijns gades wrok te ontsteken;
Die Eurykléa, die Telemachus mogt kweeken
Van de eerste kindschheid aan, en van den vrouwenstoet
Hem 't meest beminde, licht hem voor met fakkelgloed.
Hij opent zich de zaal en, naar zijn koets getreden,
Ontdoet hij zich van 't kleed, dat neêrplooide om zijn leden.
Zijn grijze voedster vouwt dat lijnwaad ijvrig op,
En hangt dat bij zijn koets aan d' ingeslagen' knop.
De jongling vlijt zich neêr; zij keert terstond naar buiten,
En spoedt zich met een' riem de klink der zaal te sluiten,
Terwijl Telemachus, bedekt met lamrenvacht,
Minervaas last herdenkt in 't kalme van den nacht.

________________