ilias xxiv 349 - 600

priamos en achilles

(vertaling M.A.Schwartz)


 

Zo reden zij aan Ilos' graf voorbij
En hielden halt, opdat de paarden en
De ezels drinken konden uit de stroom.
Reeds viel de avondschemer over 't land,
Toen de heraut dichtbij zich Hermes zag.
Hij keerde zich naar Priamos en sprak :
"O zoon van Dardanos, geef raad ! Nu komt
Het aan op wijs beleid. Ik zie een man !
Ik vrees, hij laat van ons geen stuk meer heel.
Kom mee ! Wij vluchten op uw wagen, of
Wij vallen hem te voet en smeken om
Genade." Radeloos van angst was ook
De vorst. De haren rezen overeind
Op zijn gekromde leden. Sprakeloos
Stond hij. Maar Hermes zelf trad op hem toe
En greep de grijsaard bij de hand en vroeg :
"Waarheen toch, vader, met uw muildierspan
En paarden door de goddelijke nacht,
Wanneer de andere mensen slapen ? Vreest
Gij niet de strijdlust van de Grieken, die
Vijandig u bedreigen van nabij ?
Als een van hen u trekken zag met zo
Veel kostbaarheden door de zwarte nacht,
Hoe zou het u te moede zijn ? Gij zijt
Niet jong ; te oud is ook uw metgezel
Om af te weren wie een twist begint.
Van mij hebt gij geen kwaad te duchten. Ook
Een ander houd ik u van 't lijf ; want aan
Mijn eigen vader stel ik u gelijk."
Het antwoord van de oude koning was :
"Die dingen zijn, mijn zoon, zoals ge zegt.
Maar toch beschermt ook mij der goden hand,
Die zulk een man mij zonden op mijn weg,
Zo welgezind, zo schoon van lichaamsbouw,
Zo edel van gelaat, zo rijp van geest,
Een zoon van een gezegend ouderpaar."
De Argosdoder sprak opnieuw hem toe :
"Verstandig zijn de dingen, die gij zegt ;
Vertel mij onverbloemd de waarheid, heer :
Brengt gij al deze kostbaarheden naar
Een ander land in veiligheid ? Of dwingt
De vrees u allen 't heilige Troje te
Verlaten, nu de beste strijder viel,
De onversaagde held, uw eigen zoon ?"
Ten antwoord vroeg de oude koning hem :
"Wie zijt gij, vriend ? Van wie zijt gij een zoon,
Dat gij met zoveel edelmoedigheid
Gewaagt van 't lot van mijn rampzalig kind ?"
Hermes, de Argosdoder, sprak opnieuw :
"Gij stelt mij op de proef en vraagt mij, wat
Ik van de goddelijke Hektor weet.
Met eigen ogen zag ik dikwijls, hoe
Hij roem behaalde in de strijd, hoe hij
De Grieken opjoeg naar de schepen en
Hen doodde, maaiend met het scherpe zwaard.
Wij stonden vol verbazing toe te zien ;
Want deel te nemen aan de strijd verbood
Achilles, wrokkend tegen Atreus' zoon.
'k Ben een der Myrmidonen, lansknecht van
Achilles ; 't zelfde schip bracht ons hierheen.
Mijn vader is Polyktor ; rijk is hij,
Een oude man, zo oud misschien als gij.
Ik ben de jongste van zijn zeven zoons.
Ik wierp met hen het lot ; het wees mij aan
Om mij te voegen bij het leger hier.
'k Heb nu de vloot verlaten en kom naar
De vlakte ; want bij 't krieken van de dag
Ontbrandt de strijd der Grieken rond de stad.
Zij zijn het ledigzitten moe en vol
Verlangen naar de strijd. Geen koning van
De Grieken houdt hen langer in bedwang."
De oude koning Priamos hernam :
"Als gij dan van Achilles, Peleus' zoon,
Een lansknecht zijt, vertel - zo smeek ik u -
De volle waarheid. Is mijn zoon nog bij
De vloot of reet Achilles 't lijk vaneen
En wierp de stukken aan zijn honden voor ?"
De Argosdoder Hermes sprak tot hem :
"Mijn oude vriend, nog niet verslonden hem
De honden noch de vogels, maar hij ligt
Nog ongeschonden voor Achilles' tent
Bij 't schip. Reeds twaalf dagen ligt hij daar ;
Niet wordt verteerd het vlees, niet eten hem
De maden, die de mannen, in de strijd
Gedood, verslinden. Ach ! Achilles sleurt
Hem wel, zodra een nieuwe dageraad
Verrijst, genadeloos rondom het graf
Van zijn geliefde vriend, maar schendt hem niet.
Ja, met verbazing zoudt gij zien, hoe hij
Daar ligt, zo fris als dauw en zonder smet,
Van bloed gereinigd. Al de wonden zijn
Gesloten, die hem werden toegebracht ;
Want velen dreven in zijn lijf het brons.
Zo zorgen d'eeuwige goden voor uw zoon
Ook na zijn dood ; want hij is hun geliefd."
Met vreugde hoorde d'oude man het aan
En sprak : "Mijn jongen, zie, hoe goed het is,
Als men gepaste gaven offert aan
D'onsterflijken. Want nooit vergat mijn zoon
- Was hij dat werkelijk ooit ! - in zijn paleis
De hemelgoden. Daarom dachten zij
Aan hem, ook sinds het lot zijn dood voltrok.
Maar deze mooie beker, neem die van
Mij aan ; bescherm mij en geleid mij met
De hulp der goden naar Achilles' tent."
De Argosdoder Hermes sprak tot hem :
"Gij oude man, gij stelt een jongere op
De proef ! maar nimmer overreedt gij mij
Geschenken aan te nemen zonder dat
Achilles 't weet ; ik vrees hem en ik schroom
Hem te beroven ; later volgt de straf.
U zal ik trouw geleiden, waarheen gij
Maar wilt, te land, ter zee, al was het ook
Naar het vermaarde Griekse land. Geen, die
Uit minachting voor mij u krenken zal."
Fluks sprong hij op de wagen van de vorst,
Greep haastig zweep en leidsels ; frisse moed
Blies hij de paarden en de ezels in.
Zo bracht hij hen tot bij Achilles' hut.
Toen sprong hij van de wagen en hij sprak :
"Mijn vriend, ik ben tot u gekomen, ik,
Hermes, een god, onsterfelijk. Want Zeus,
Mijn vader, gaf me aan u tot metgezel.
Nu ga ik heen en niet verschijn ik voor
Achilles' ogen ; want het gaat niet aan,
Dat een onsterflijk god zo openlijk
Zijn gunsten aan een sterveling bewijst.
Ga gij naar binnen ; vat de knieën van
Achilles ; smeek hem bij zijn vader en
Zijn schoongelokte moeder en zijn kind.
Ontroer zijn trotse hart tot medelij."
Toen Hermes dit gezegd had, ging hij heen
En keerde naar de hoge Olympos weer.
Maar Priamos sprong van de wagen en
Idaios achterlatend om de wacht
Te houden bij de dieren, ging hij zelf,
De oude man, recht op de hut aan, waar
Achilles, gunsteling van Zeus, verbleef.
Hij vond hem bennen ; d'andren zaten ver
Terzijde ; Automedon en Alkimos
Alleen, twee dappere helden, waren bij
Hem bezig ; want hij was maar juist gereed
Met eten en met drinken en nog stond
De tafel vóór hem. Ongemerkt kwam hij,
De grote Priamos, daar binnen en
Nadertredend sloeg hij de armen om
De knieën van Achilles, kuste diens
Geduchte handen, mannenmoorders, die
Zo velen van zijn zoons hadden gedood.
Zoals wanneer een man, gegrepen door
Verblinding, in het eigen land een moord
Begaat en naar een ander volk ontvlucht
En binnentreedt in 't huis van een rijk man,
Zoals verbazing aangrijpt wie hem ziet -
Zo zag Achilles vol verbazing de
Verheven Priamos ; de anderen ook,
Verwonderd keken zij elkander aan.
Toen klonk van Priamos het smekend woord :
"Achilles, gij, die op een god gelijkt,
Denk aan uw eigen vader, even oud
Als ik en op de droeve drempel van
De ouderdom, rondom bedreigd nu door
Zijn buren ; daar is geen, die van hem weert
Verderf en ondergang. Wanneer hij hoort,
Dat gij nog leeft, verwarmt blijdschap zijn hart
En elke dag opnieuw hoopt hij zijn zoon
Te zullen zien, uit Troje weergekeerd.
Maar ik, rampzalige, van al mijn zoons,
De beste in 't Trojaanse land, van hen
Is geen meer over. Vijftig had ik er,
Toen hier de Grieken kwamen, negentien
Uit éner moeder schoot, de anderen
Geschonken mij door vrouwen in 't paleis.
De meesten stierven door het driest geweld
Van Ares ; hij, die enig en alleen
De stad beschermde, hem hebt gij onlangs
Gedood, een strijder voor zijn vaderland,
Hektor. Om hem nu kwam ik naar de vloot
Der Grieken, om hem vrij te kopen uit
Uw hand ; ik breng onmetelijke prijs.
Heb eerbied voor de goden en ontferm
U over mij, Achilles, denkend aan
Uw vader. Dieper te beklagen is
Mijn lot ; want ik bestond, wat nooit een mens
Op aarde deed : de hand te heffen naar
De mond van hem, die mijn zoon heeft gedood."
Dit woord riep wakker in Achilles' hart
Een droef verlangen naar zijn vader en
Hij stiet de oude man, hem vattend bij
De hand, zacht van zich. In herinnering
Verzonken weenden beiden, om Hektor
En om diens mannenmoordend zwaard de een,
Zich krommend voor Achilles' voeten, maar
Achilles weende om zijn vader, ook
Om Patroklos. Van weeklacht klonk het huis.
Achilles, eindelijk verzadigd van
Geween, stond haastig van zijn zetel op
En hielp de oude koning overeind,
Vervuld van deernis met zijn grijze hoofd
En grijze baard. Hij sprak : "Rampzalige !
Veel leed hebt gij geleden in uw hart.
Hoe dorst gij komen naar de Griekse vloot,
Alleen ? En voor de ogen van de man,
Van mij, die menig dappere zoon van u
Heb neergeveld. Van ijzer is uw hart !
Maar zet u nu op deze zetel neer.
Hoe bitter ook bedroefd, toch moeten wij
Ons leed nu slapen laten in ons hart.
Want kille jammerklachten baten niet.
Dit sponnen aan de arme mensen toch
De goden toe : te leven in verdriet.
Zelf zijn zij zonder zorg en zonder smart.
Twee urnen staan in het paleis van Zeus
Met gaven, zoals hij ze schenkt, de een
Gevuld met leed, de ander met geluk.
Voor wie de bliksemslingerende Zeus
Zijn gaven mengt, hij ondervindt soms leed,
Dan weer iets goeds. Voor wie hij uit de urn
Des onheils put, die wordt door elk gesmaad.
De pijnigende honger drijft hem voort
Over de goddelijke aarde en
Door god en mens verstoten doolt hij rond.
En Peleus ? Kostelijke gaven reeds
Bij zijn geboorte gaf de godheid hem.
Want boven alle mensen blonk hij uit
In rijkdom en geluk en koning was
Hij van de Myrmidonen. Een godin
Viel hem, een sterveling, ten deel als vrouw.
Maar ook aan hem gaf Zeus verdriet. Want niet
Teelde hij in zijn huis een talrijk kroost,
Maar slechts één zoon, voor vroege dood bestemd.
En niet verzorg ik nu zijn ouderdom ;
Want ver van huis hok ik in Troje, voor
Uzelf en voor uw kinderen tot verderf.
Ook van uw vroegere welvaart hebben wij
Gehoord. Men zegt, dat gij in rijkdom en
Bezit van zoons nergens uw weerga vondt,
Waar in het Zuiden Lesbos, Makar's rijk
Uw land afsluit, in't Oosten Phrygië,
In 't Noorden d'onbegrensde Hellespont.
Maar sinds de hemelgoden u dit leed
Toebrachten, woedde altijd om uw stad
Gevecht en doodslag. Draag het moedig en
Breek niet uw hart met eindeloos geween.
Uw droefheid om uw edele zoon zal u
Niet baten ; niet doet gij hem opstaan uit
De dood, die eerder gij te lijden krijgt."
Het antwoord van de oude koning was :
"Geef mij geen zetel, edele vorst, zolang
Mijn Hektor bij de tent ligt, onverzorgd.
Maar geef hem aanstonds mij terug, opdat
Met eigen ogen ik hem zie. En gij,
Aanvaard de grote losprijs, die ik breng.
Ik wens u toe, dat gij er van geniet
En veilig weerkeert naar uw vaderland,
Omdat ge mij gespaard hebt en gegund
Te leven en het licht der zon te zien."
Het voorhoofd fronsend sprak Achilles bars :
"Prikkel mij nu niet langer, oude. Zelf
Naar eigen wil geef ik u Hektor weer.
Die opdracht bracht mijn moeder mij van Zeus,
De dochter van de oude god der zee,
Die mij het leven schonk. En ook van u
Begrijp ik, Priamos, en het ontgaat
Mij niet, dat een der goden u in 't kamp
Der snelle Griekse schepen binnenbracht.
Geen sterveling, hoe jong en krachtig ook,
Zou ooit zich wagen in de legerplaats.
Ook was hij aan de wachters niet ontgaan,
Noch was het hem gelukt zo zonder meer
De grendel weg te schuiven van de poort.
Roep dus niet naast mijn smart mijn toorn ook op ;
Want anders, oude, kon het zijn, dat ik
Hier in mijn tent m'aan u, een smekeling,
Vergreep en Zeus' geboden overtrad."
De oude man werd bang en voegde zich
Naar 't woord van Peleus' zoon. En deze sprong,
Een leeuw gelijk, naar buiten uit de tent ;
Maar niet alleen ; twee makkers volgden hem,
De held Automedon en Alkimos,
Die hij, nu Patroklos gestorven was,
Van al zijn vrienden 't meest in ere hield.
Zij namen van de muilezels en van
De paarden 't juk af en zij brachten de
Heraut, de dienaar van de koning, in
De tent en wezen hem een zitplaats aan.
En uit de sterke wagen droegen zij
De vorstelijke prijs voor Hektor's lijk.
Twee mantels en een fijngesponnen hemd
Lieten zij daar, opdat, daarin gehuld,
De dode meegegeven werd naar huis.
Hij riep slavinnen en gaf last het lijk
Te wassen en te zalven, ver van daar,
Opdat niet Priamos zijn zoon zou zien
En bij de aanblik van zijn kind zijn toorn
Niet meester bleef in zijn gepijnigd hart.
Dan vreesde Achilles, dat zijn eigen drift
Ontvlammen zou en hij de oude man
Zou doden en zou schenden Zeus' gebod.
De maagden wiesen Hektor, zalfden hem
Met olie en nadat hij was gehuld
In schoongeweven hemd en mantel, nam
Achilles zelf hem op en legde hem
Neer op het bed en met zijn vrienden saam
Tilde op de blanke wagen hij de baar.
Toen brak in jammerklacht hij los en riep
Zijn meest geliefde vriend bij name aan :
"Wees, Patroklos, niet boos op mij, als gij
In 't verre huis van Hades hoort, dat ik
De edele Hektor aan zijn vader gaf,
Voor niet geringe losprijs vrijgekocht.
Het aandeel, dat u toekomt, geef ik u."
Zo sprak de vorstelijke Achilles en
Hij keerde in de tent terug, waar hij
Zich zette in de fraai bewerkte stoel,
Zo straks door hem verlaten, aan de wand,
Naar Priamos gekeerd. Hij sprak tot hem :
"Zo is dan, heer, uw zoon nu ingelost,
Zoals uw wens was. Hij ligt op de baar.
Zodra de dageraad verschijnt, zult gij
Hem zien en zelf hem brengen naar uw huis."

----------------------------------------------------------------------------------

Deze vertaling is ontleend aan :
Barnsteen. Een bundel verhalen uit de klassieke oudheid, vertaald (...) door M.A.Schwartz.
Elsevier, Amsterdam/Brussel, 1953.