Homerus
Ilias E
Ilias
- Boek V
(De
Ilias van Homeros vertaald door Mr. C. Vosmaer.
Vierde druk. Leiden. - A. W. Sijthoff.)
VIJFDE
ZANG
Nu
schonk Pallas Athena aan Tudeus' zoon Diomedes
Vurige krachten en moed, dat hij boven de andre Argeiërs
Schitterend uit mocht steken en heerlijken roem zich verwerven.
't Schild en den helm omstraalde een onuitbluschbare vuurgloed,
5 't Blinkend gesternte gelijk dat den herfsttijd
opent en 't helderst
Glanst in het rond als het rijst uit het bad van Okeanos' waatren.
Zulk eenen gloed ontstak zij den held om het hoofd en de schouders,
Nu zij hem dreef naar het midden en 't dichtste gewoel van de strijders.
Onder de Trojers bevond zich een man van vermogen en aanzien,
10 Dares, Hefaistos' priester, een tweetal zonen
bezittend,
Iederen strijd wel kennend, de broeders Idaios en Fegeus.
Dezen nu vielen hem aan, voordringende buiten hun rijen,
Beiden te zaam op den wagen; te voet streed toen Diomedes.
Toen zij in stormenden drang elkaar nu waren genaderd
15 Slingerde Fegeus 't eerst zijne speer ver
strekkend van schaduw.
Links vloog over den schouder van Tudeus' zone de speerpunt,
Maar trof niet; doch thans zond ook Diomedes zijn werpspies.
Niet te vergeefs ontsnelde het wapen der hand van den werper,
Maar trof 't midden der borst, en hij tuimelde neer van de strijdkar.
20 Snel ontsnapte Idaios, den sierlijken wagen
verlatend,
Daar hem het hart ontbrak te beschutten het lijk van zijn broeder.
Geenszins ware hij zelf ontvlucht aan het donkere noodlot,
Maar toen rukte Hefaistos hem weg, hem in duister verborgen
Reddend, dat niet van de smart overstelpt mocht wezen de grijsaard.
25 Doch zijne strijdkar voerde de zoon van den
moedigen Tudeus
Weg en gelastte zijn makkers ze ginds bij de schepen te bergen.
...
|