Homerus Ilias G

(Metrische vertaling van Dr. Aegidius W. Timmerman.
Zevende druk. Paris - Manteau. Amsterdam - Brussel.
)
[De inleiding en titels zijn van Timmerman; Kox heeft af en toe een extra regel wit gelaten.]

Inleiding boek III

De voorbereiding tot een tweegevecht tussen Paris en Menelaus, om Helena en haar schatten.
Helena op de muren van Troje.
Haar gesprek met Priamus, waarin ons de voornaamste Griekse aanvoerders, die een rol in het drama spelen, worden geïntroduceerd.
Het tweegevecht zelf.
Het gesprek van Helena met Paris.

Personen zijn :

1. Paris - Alexander -, de ijdeltuit en pocher. Hij komt met een gans arsenaal bij zich: een boog, voor de Homerische heroen een niet volwaardig wapen, een zwaard, twee werpspietsen. Hij is gekleed in een pantervel. Hij nadert - zou het juist zijn om te zeggen : tandakkend - voor de troep en daagt iedereen uit tot een tweegevecht op leven en dood, maar nauwelijks ziet hij Menelaus aankomen of hij duikt weg achter zijn kameraden. Hij heeft trouwens niet eens een behoorlijk harnas, maar moet dat later van een zijner broeders lenen. 'Het paste hem', zegt Homerus honend. Eindelijk, na een geduchte uitbrander van zijn oudere broer Hektor, de opperbevelhebber, verklaart hij, met een hatelijkheid op Hektor's ijzeren mentaliteit en met een verheerlijking van zijn eigen schoonheid, zich bereid om met Menelaus te duelleren. Hij legt het treurig af! Door Afrodite gered, vinden wij hem ten slotte bezig bij Helena met het poetsen van zijn wapens en het voldoen van zijn lusten! Op haar verwijt: 'Was je maar doodgevallen enz.' antwoordde hij volkomen onverschillig voor wat er gebeurde, met een bravade: 'Wacht maar, een volgende maal is het mijn beurt!' De lelijkste en minderwaardigste der Grieken heeft nog de moed van zijn overtuiging; de schoonste Trojaan niets dan zijn ijdelheid en zijn wellust...

2. Menelaus, de altijd goedhartige, maakt hier een buitengewone indruk van voornaamheid. Hij denkt over Paris, zoals een leeuw over een kluif denkt en gaat, hoewel hij niet sterk is, onverschrokken af op de praalhans! Hij staat zóver boven Paris, dat hij hem bij de pluim van zijn helm, als een vod over de grond sleept.

3. Hektor, die op de hem eigen hooghartige, maar altijd edelaardige wijze van een echte aristocraat, Paris zijn lafhartig gedrag verwijt.

4. De Schone, maar ook niets méér dan de 'Schone' Helena. Overigens, zoals het zo vaak met dergelijke vrouwen gaat, een povere ziel! Alleen in het laatste boek, bij de dood van Hektor, weet zij enige sympathie te wekken, hoewel zij ook daar voornamelijk aan zich zelf denkt.
Zij maakt veel te veel ophef van haar eigen verdriet, zij scheldt veel te overdreven op zich zelf, zij klaagt veel te veel over het verlaten van haar huisgezin om ons te laten geloven dat zij niet oppervlakkig, egoïstisch en frivool is. Vooral haar optreden aan het einde van dit boek, waar zij brutaal Afrodite toevoegt: 'Wilt gij mij weer bedriegen met een andere man! Gij kunt hem zelf houden om mee te trouwen. Ik ga niet naar Paris! Ik weet waar het op uitloopt,' is minderwaardig. En ook wat zij tot Paris zegt, door wie zij zich dan toch maar heeft laten schaken. 'Zo, ben je daar. Was je maar dood gevallen. Daag nog eens Menelaus uit! Of neen, doe het maar liever niet. 't Kon je je leven wel eens kosten!' Vooral omdat zij onmiddellijk daarna de verliefde Paris - zoals de altijd kuise Homerus dat zo aardig zegt - in liefde gaat omhelzen, hoewel zij hem minacht! Zij is een waardige vriendin van Paris. Zij pocht even luid tegen Afrodite als hij het tegen anderen doet, en is even spoedig bevreesd, als Afrodite haar dreigt.

5. Priamus, de buitengemeen sympathieke oude man, met zijn goedhartigheid en vriendelijkheid, zijn hartelijke liefde voor zijn zoon en zijn vrouw, zijn oprecht verdriet, zijn beminnelijke eenvoud, zijn jeugdig en onverschrokken hart!

 

Boek III

De eden
De muurschouw
Tweegevecht tussen Menelaus en Paris

Toen nu de legers zich, met hunne leiders, daar hadden gerangschikt,
Beide, toen trokken met roep en gekrijs de Trojanen te velde,
Evenals vogels. En juist zoals immers het schreeuwen van kranen
Klinkt voor de hemel, wanneer zij de winter en d' eindloze buien
Vlieden. Al krijsende vliegen zij weg naar Oceanos' stromen,
Om de Pygmaeïsche mannetjes dood en noodlot te brengen;
Vroeg al vangen zij aan, wijl de gruwlijke Twist voor hen uitsnelt...!
Zwijgend, maar snuivend van moed, zie! trokken zij voorwaarts, de Grieken,
Diep in hun hart en vurig begerend elkander te steunen.
Zó als de Zuidenwind langs de toppen een nevel doet dalen...
Vijand van herders, maar dieven nog meer dan de nacht tot een voordeel,
- Zóver gaat maar het zicht, als iemand een rotsblok kan werpen -
Zó dan gingen van onder hun voeten, terwijl zij marcheerden,
Vlagen van stofwolken op, en zij vorderden snel door de vlakte.

Dicht bij elkander nu waren zij reeds bij hun opmars genaderd.
Daar kwam de prachtige Paris als voorvechter van de Trojanen,
Droeg om zijn schouders een boog, gekromd, en het vel van panter,
Ook nog een zwaard, en een dubbel stel lansen met koperen punten.
Deze dan drillende, daagde hij al de aanzienlijke Grieken
Uit, om op leven en dood zich met hem in een tweekamp te meten.
Toen hem dan nu Menelaus, bij Ares bemind, voor de troepen
Uit zag komen gestapt met geweldige passen, toen was hij
Blij als een hongrige leeuw, die stoot op een machtig cadaver,
't Zij van een hert met gewei, hetzij van een steenbok, een wilde.
Gulzig verslindt hij het kreng, ook al jagen hem óp vlugge honden
Samen met krachtige mannen. Nu, zó blij was toen Menelaus,
Nu hij met eigen ogen de godlijke Paris zag naadren!
Denkend al dat hij de zondaar zijn misdaden thans zou doen boeten,
29 Sprong hij terstond op de grond met schild en al van zijn wagen.
Maar toen hem Paris de Schone als voorvechter nader zag komen,
Stond hij verplet in zijn ziel en hij week, om de dood te vermijden,
Achterwaarts tussen de troep zijner makkers, precies zoals iemand,
Die bij het zien van een slang in een kloof, terug en opzij springt...
Onder hem trillen zijn benen en bleekte vermeestert zijn wangen,
Nu hij daar achterwaarts weder teruggaat... Zo deinsde ook Paris
Angstig weer achteruit in de troep zijner fiere Trojanen,
Paris, in schoonheid de Goden gelijk, Menelaus vrezend...

Maar toen Hektor hem zag, voer hij uit met schimpende woorden:
"Wan-Paris, prachtig als praalhans zijt ge, gij vrouwenverleider!
Vrouwengek! wáárt ge maar nimmer geboren of anders gestorven
Zonder te trouwen, dàt wild' ik nog liever en 't was ook veel beter,
Dan zulk een schandvlek te zijn en door ieder ander geminacht.
Oho! wat zullen die Grieken langharig toch schaterend lachen,
Zeggende wat voor een held die voorvechter zijn mag, omdat hij
Schitterend, ja, om te zien is; maar geestkracht of weerkracht, geen schaduw!
Hebt ge 't, zo'n held! waarachtig gewaagd met uw schepen te varen
Over het diep! Hebt ge daarvoor ook nog kameraads kunnen vinden!
Hebt ge inderdaad het gewaagd onder vreemde mensen te leven!
En ook een vrouw durven schaken, zo lieflijk van aanschijn, de zuster
Dier krijgshaftige strijders uit landen, zo verweg gelegen!
Voor uwe vader, de stad en de hele bevolking een jammer,
Voor uwe vijanden vreugde, maar zie! voor U zelf een beschaming,
Zoudt ge nu eindelijk niet Menelaus eens afwachten willen!
Hem die de vriendschap van Ares geniet, dan zoudt g' ondervinden,
Wat voor een man het wel is, wiens bloeiende vrouw gij als ga hebt;
Dan zou uw cither, noch Afrodite's gaven U helpen,
Neen! niet dat lange haar of die schoonheid, wanneer g' in het stof woelt!
Lafaards zijn de Trojanen! want anders had ge toch zeker
Lang al Uw sténen chiton aan 't lijf voor het kwaad dat ge stichtte."
Antwoordend sprak Alexander, een God in schoonheid gelijkend:
"Hektor, omdat gij terecht mij berispt en niet onbehoorlijk...
Fors en taai is Uw hart als een bijl, die dwars door een boomstam
Zwaait met kunstvaardige hand een man en waarmee hij die uithakt,
Zie, tot een balk voor een schip; de bijl doet zijn zwaaikracht verdubbelen -
Evenzo is ook bij U het gemoed in de borst niet te temmen...
Maar verwijt mij toch niet de verleidlijke gaven der gulden
Afrodite! der Goden geschenken zijn niet te verwerpen,
Al de heerlijke gaven, die zij uit zich zelf ons verlenen;
Niemand heeft zelf toch de macht ze te kiezen... Maar kom, laat nu alle
Grieken en alle andre Trojanen gaan zitten, indien gij
Wenst dat ik nu in de slag of in tweegevecht, man tegen man, strijd;
Laat mij dan hier in Uw ring Menelaus de krijgsman bekampen,
70 Strijdend om alle kleinoden en Helena; wie van ons beiden
Zegeviert en dus de sterkste zal blijken te zijn, laat hem nemen
Schatten en vrouw, en dat alles mee naar zijn woning vervoeren.
Slacht daarna offers als onderpand onzer vriendschapsverbonden:
Gíj blijft het grofkluitig Troje bewonen; zij mogen teruggaan
Weernaar het paardenland Argos en 't vrouwenschone Achaeïs!"
Zó was zijn woord. En Hektor verheugde zich, 't horend, van harte,
Vatte zijn lans in het midden en deed zijn armee retireren,
Zó, dat zij allen tot stilstand kwamen. Maar zie! de Achaeërs
Mikten met pijlen op hem en wilden hem werpen met stenen.

Toen verhief Agamemnon zijn stem, de leider der troepen:
"Opgehouden, Argeeërs! niet schieten, gij zonen der Grieken!
Hektor knikt met zijn helm, het schijnt dat hij ons iets wil zeggen!"
Toen hij dit zeide, toen lieten zij af van de strijd en zij kwamen
Spoedig tot zwijgen. Maar Hektor sprak luid tussen beide partijen:
"Hoort nu, Trojanen en Grieken met krachtig scheenweer, het woord van
Paris, om wie toch de strijd is begonnen. Hij vraagt aan de Grieken,
Ook aan de andre Trojanen, om allen hun blinkende wapens
Af- en neder te leggen op 't velen-voedende aardrijk.
Zelf toch wil hij alleen in ons midden hier met Menelaus,
Ares' vriend, om Helena en om de schatten gaan kampen.
Wie van hen beiden het wint en de sterkste zal blijken, hij voere
En alle schatten en tevens de vrouw met zich mee naar zijn woning.
Sluiten wij nu, door te offren, betrouwbare vriendschapsverbonden!"
Na deze woorden werd alles natuurlijk stil en zij zwegen:
Toen sprak ook Menelaus met luide stem onder allen:
"Hoort gij nu ook nog naar mij, want mijn ziel troffen bittere smarten!...
Nu zullen eindlijk, geloof ik, Trojanen en Grieken uiteengaan,
Nu gij, tot steun van mijn wraak en om Paris' beginnen te straffen,
Zoveel leed hebt geduld. Maar laat nu, voor wie van ons beiden
Dood door het lot is bepaald, dan maar sterven; - gij andren, verstrooit U!
Nu twee lammren gehaald, een wit en het andre een zwartje!
Eén voor de Aarde en één voor de Zon; voor Zeus zullen wij dan
Brengen een derde. En voert ook de machtige Priamus hierheen,
Dat hij de eedsoffers slachte, persoonlijk - zijn zonen zijn immers
Schaamteloos en onbetrouwbaar - dat niet in zijn overmoed iemand
Zeus' verdragen mocht schenden; van jongere mensen, gij weet het,
Fladdert voortdurend de geest; maar is in hun midden een grijsaard,
Dié ziet verleden en toekomst, hoe alles voor beiden gedije."

Zo was zijn woord, dat hen beiden, Trojanen en Grieken, verheugde,
Hopend ontslagen te worden van 't leed en de jammer des oorlogs.
Daarop werden de wagens teruggetrokken op rijen,
Stapten zij zelf er van af en ontgespten hun wapenrusting,
Die zij toen dicht bij elkaar - en er bleef nog maar zeer weinig ruimte
Links en rechts van de waapnen - daar neerlegden. Daarop zond Hektor
117 Twee herauten ter stad om snel de lammren te halen,
Priamus tevens te roepen. Van zijn kant zond Agamemnon
Om naar de holle schepen te gaan Talthybius, wie hij
Opdroeg het lam te gaan halen. Hij was Agamemnon gehoorzaam.

Helena op de muren van Troje

Iris begaf zich intussen als bode tot Helena, Blankarm;
Lijkend Laodice, schoonste verschijning van Priamus' dochters,
Welke de vorst van Helikaon, de zoon van Antenor, tot vrouw had.
Haar vond zij in het paleis aan een reusachtig weefgetouw bezig,
Waar zij op weefde, een dubbele purperen peplos, en vele
Veldslagen sprenkelt zij daar in het weefsel, van Grieken in 't koper
Tegen Trojanen op wagens strijdend. Daarin werd geleden
Harentwille en onder de vuisten van Ares. En tot haar
Naderde Iris de Snelvoet en zeide, dichtbij haar gekomen:
"Kom, lieve meid, met mij mee, om de wondere daden t' aanschouwen
Door de gekoperde Grieken verricht, en Trojanen op wagens.
Zij, die eerst in de vlakte de tranenverwekkende kampstrijd
Tegen elkander begonnen, verzot op verderflijke oorlog,
Zitten ten slotte nu zwijgende neer - en óp hield de oorlog -
Tegen hun schilden geleund, en stijf staan hun spichtige lansen
Naast hen. Maar Paris en vorst Menelaus, de lievling van Ares,
Zullen er kampen om U met hun lange speren; de strijder
Die overwint, van hèm zult gij heten de dierbare gade."
Door deze woorden verwekt de Godin een zoete begeerte
In haar gemoed, naar haar vroegere man en haar stad en haar ouders.
Daadlijk omhulde zij zich met een witte, zilvrige sluier,
Spoedde zich voort uit de zaal, een paarlende tranenvloed stortend,
Maar zij ging niet alleen; met haar mee gingen twee dienaressen,
Aethra, de dochter van Pittheus en Klymene, donker van ogen.
Daarop kwamen zij snel naar de muur bij de Scaeïsche poorten.

Daar zaten Priamus, Panthoüs, Klytius en Thymoëtes,
Naast Hiketaon, een pleegzoon van Ares, en Lampus, daar zaten
Ook nog Oukálegon, en ook Antenor, beide verstandig,
Allen de oudste beraders van 't volk, op de Scaeïsche poorten,
Wegens hun ouderdom rustende krijgers, maar edel als sprekers,
Krekels gelijkende, die op een struik in het hakhout gezeten,
Daar hunne leliën-stem laten horen. En evenzo waren
Ginds op het bolwerk de oude leiders van Troje gezeten.
Toen zij nu Helena aan zagen komen naar 't bolwerk, begonnen
Deze gevederde woorden zij zacht tot elkander te spreken:
"'t Zij geen verwijt dat gescheenweerde Grieken en ook de Trojanen
157 Wegens een vrouw zoals zij, zoveel jaren al, onheilen droegen!
Wonderlijk lijkt ze in gelaat op de eeuwge Godinnen. Maar laat zij
Schoon als zij is, toch maar liever te scheep naar haar land weer teruggaan,
Dan tot een onheil voor ons en voor onze kindren hier blijven!"
Zo dan spraken zij samen. Maar luide zei Priamus tot haar:
"Kom hierheen, lieve kind, en ga tegenover mij zitten
Om Uw vroegere man daar te zien en Uw lieve verwanten.
Neen, gij zijt mij niet schuldig; de Goden zijn oorzaak van alles,
Die over mij deze droevige krijg met de Grieken beschikten.
Zet U, en noem mij de naam van die reusachtige krijger!
Zeg wie die schone en grote Achaeïsche man wel mag wezen !
Zie nu, daar zijn er wel groter dan hij van de schouderen opwaarts,
Maar toch zo heerlijk als hij zag ik niemand nog ooit voor mijn ogen,
Noch ook zo statig en eerbiedwekkend. Hij lijkt op een koning!"
Helena zeide tot hem, de godlijke onder de vrouwen:
"Beste vader, mij boezemt gij diep ontzag in en eerbied.
Ach! had een droevige dood mij maar mogen behagen, toen ik
Hierheen Uw zoon ben gevolgd, mijn huis en verwanten verlatend,
Ja! ook mijn laatgeboren dochter, mijn lieve vriendinnen!
Ach, het heeft niét mogen zijn en dáárom versmelt ik in tranen...
Maar wat Uw vraag nu betreft; wat gij weten wilt zal ik U zeggen!
Atreus' zoon, Agamemnon, is dat, almachtige heerser,
Beide, voortreffelijk vorst en speerwerper, sterk en ervaren,
Eenmaal van mij, onbeschaamde, de zwager. Ach was hij het ooit wel!"
Zo sprak Helena toen. En de grijsaard, de koning bewondrend:
"O! hoe benijd ik U, Atreus' zoon! Door de Goden gezegend
Zijt ge, een gelukskind, en zalig. Hoe talloze zonen der Grieken
Zijn niet aan U onderworpen! In Frygië kwam ik al vroeger
't Wijnstokkenrijke; daar zag ik galopperende paarden,
Talloze Frygische mannen, de volken van Otreus en Mygdon,
Langs de Sangarius-oevers te dien tijd gelegerd, alwaar ik
Ook onder hen werd geteld als bondgenoot; 't was in die dagen
Toen de Amazonen aan 't oprukken waren, de mannen bevechtend -
Minder in aantal, dan heden de Grieken met sprekende ogen."-

Toen nu na deze de grijsaard Odysseus gewaar werd, toen vroeg hij:
"Kom, lieve kind, zeg me ook nog de naam van de man die daar ginds staat,
Minder hoog van gestalte dan Atreus' zoon Agamemnon,
Maar op het oog toch forser van borst en breder van schouders.
Zie, zijne wapenen heeft hij gelegd op de vruchtbare aarde,
Maar als een ram loopt hij zelf heen en weer door de rijen der mannen.
Ik voor mij vergelijk met een ram hem, van vacht dik en wollig,
Die door een grote drift patrouilleert van zilvrige schapen."
Daarop gaf Helena weder, de dochter van Zeus, hem dit antwoord:
"Dat is de zoon van Laertes, de vindingrijke Odysseus,
201 Hij, die in Ithaka opwies, hoe rotsachtig ook het mag wezen,
Hij, met zo velerlei listen bekend en solide gedachten."
Daarop zeide tot haar de schrandr' Antenor in antwoord:
"Ja! dat hebt ge, o vrouw! volkomen naar waarheid gesproken.
Immers de godlijk' Odysseus is ook al eens hierheen gekomen
In een gezantschap om U. Menelaus, krijgshaftig, kwam mede.
Deze onthaald' ik toen in mijn paleis in vrede en vriendschap.
Beider schrandre gedachten en ook hun uiterlijk leerd' ik
Kennen. Wanneer zij dan in de vergadering onder Trojanen
Waren gekomen, dan stak Menelaus, zolang als zij stonden,
Wel met zijn brede schouders nog boven hem uit, maar indien zij
Beiden waren gezeten, dan was weer Odysseus het statigst.
Maar als zij dan hun gedachten tot woorden begonnen te weven,
Zie! dan sprak Menelaus wel rad, maar toch weinig; zeer helder,
Woordenrijk was hij wel niet, maar al wat hij zeide was treffend,
Niet te verwonderen, daar hij de oudste was. Stond dan Odysseus
Op, de doortrapte, dan bleef deze roereloos stilstaan en kijken
Strak naar de grond, zijn schepter bewoog hij noch achter- noch vooruit;
Onbewegelijk hield hij hem stil! Een onnozele leek hij!
Nijdigaard zoudt ge hem noemen en nors en ronduit een domkop.
Maar als hij dan zijn geweldige stem uit zijn borst deed weerklinken
En op zijn hoorders als winter-buien zijn woorden deed sneeuwen,
Neen! dan kon met Odysseus geen andere stervling zich meten!
Dan was Odysseus voor ons ook niet meer zo'n vreemde verschijning!"

Ajax ontwarende, vroeg toen de grijsaard, ten derde male:
"Wie is daarginds nu die andere grote en edele Griek toch,
Die boven allen met hoofd en brede schouderen uitsteekt?"
Helena antwoordt, nauwsluitend van peplos, godin onder vrouwen:
"Dat is Ajax, de reus, de muur en de borstweer der Grieken,
Daar aan de andere kant staat Idomeneus, juist als een Godheid,
Onder Kretensers en om hem bijeen de Kretensische leiders.
Dikwijls onthaalde ook hèm Menelaus, de lievling van Ares,
In ons paleis, wanneer hij op reizen van Kreta bij ons kwam.
Maar nu ontwaar ik daar wel alle andre Achaeërs, die ik
Werkelijk zou kunnen herkennen, wier naam ik zou kunnen vertellen,
Doch ik vermag er twee leiders van troepen nog niet t' onderscheiden,
Kastor de paardebedwinger, en evenmin ook Polydeuces,
Rap met de vuist, mijn bloedeigen broeders van dezelfde moeder.
Of ze zijn niet uit het lieflijke Sparta te velde getrokken,
Of ze zijn toch wel gekomen, te scheep de diepte doorklievend,
Maar willen nu niet de strijd der mannen aanvaarden, uit vrees van
Al de smaad en verwijten te horen waar ìk nu aan bloot sta!..."
Zo dan sprak zij; maar ginds verborg hen al in Lacedaemon,
In hun dierbare land, de levenwekkende aarde.

Tweegevecht van Paris met Menelaus

245 Maar door de vesting heen droegen Herauten, als offers der Goden,
Offers van trouw en verbond, twee lammren en brachten ook wijn mee,
Vrolijkmakende vrucht van de akker, in geitenleedren
Wijnzak, ook bracht de heraut hun, Idaeus, met gouden bokalen
Tevens een flikkerend mengvat en naderde toen tot de grijsaard
Zeggende: "Kom nu, o zoon van Laomedon! Gij wordt geroepen
Door de Trojaanse vorsten en die van de Grieken in 't koper,
Om in de vlakte te dalen en offers van bondstrouw te slachten.
Want Menelaus, door Ares bemind, zal nu in een speerkamp
Om zijn gade met Alexander gaan strijden. Wie hunner
Overwinnaar zal blijven, mag vrouw en schatten behouden.
Wij nu, Trojanen, na 't sluiten van bonden van trouw en van vriendschap,
Blijven dan hier het vetkluitig Troje bewonen, de Grieken
Keren naar 't paardenland Argos, en 't vrouwenschone Achaea!"
Toen hij gesproken had, rilde de grijsaard en liet zijn gezellen
Paarden spannen in 't juk; snel hoorden zij naar zijn bevelen.
Toen stapte Priamus in en strekte de teugels naar achtren;
Naast hem besteeg ook Antenor de prachtige wagen en beide
Stuurden het rennende span door de Scaeïsche poort naar de vlakte.
Daar in het open terrein, tussen Grieks' en Trojaanse legioenen,
Stegen zij af uit de kar en, betredend d' alvoedende aarde,
Schreden zij voort tussen Griekse troepen en die der Trojanen.
Daarop verhief zich terstond Agamemnon, de leider der troepen.
Op stond Odysseus ook, de geslepene; maar de herauten
Brachten gewichtig de offerdieren bijeen voor de bondseed,
Mengden wijn in het mengvat en goten de Koningen water
Over de handen. En daarna trok Agamemnon zijn kortmes,
Dat altijd nevens de grote schee van zijn zwaard placht te hangen;
Sneed van de koppen der lammren de haren af, die de herauten
Ronddeelden onder de vorsten der Grieken en die der Trojanen.
Toen hief voor hen Agamemnon zijn armen omhoog en bad luide:
"Zeus, Gij almachtige vader, verheevne, die heerst van de Ida!
Helios, o, Gij, die alles aanschouwt en alles kunt horen!
Gij, rivieren en aarde! Gij beiden, die daar beneden,
Wie van de mensen een meineed zwoer, voor die misdaad laat boeten:
Weest gij allen getuigen, beschermt de eden der bondstrouw!
Wordt Menelaus door Paris gedood, o! laat dan, zo waarlijk!
Hem alle schatten behouden met Helena; wij daarentegen
Keren naar huis weer terug op de zeedoorklievende schepen!
Wordt echter door Menelaus de blonde Paris gedood, dan
Rust op Troje de plicht om Helena met alle schatten,
En bovendien een boete te kwijten aan ons de Argiven,
Met hunne schuld evenredig, die ook voor de komende mensheid
288 Steeds in zwang moge blijven. Wil Priamus niet, evenmin als
Priamus' zonen, - valt Alexander -, de boete betalen,
Dan blijf ik dáárna nog hier om voor satisfactie te strijden,
Tot ik ten slotte mijn doel en het eind van de strijd zal bereiken!"
Daarna sneed hij de lammren de keel af met harteloos koper,
Legde ze stuiptrekkend neer op de grond... en het leven verliet hen;
't Koper ontnam hun de kracht om te leven... En wijn uit het mengvat
Scheppend met bekers en biddend tot d' altijd levende Goden,
Plengden zij die. En aldus sprak één der Trojanen en Grieken:
"Zeus, almachtigste, grootste, Gij andre onsterflijke Goden!
Wie nu van beide partijen het eerst de eden mocht schenden:
Mogen hun hersens, zoals deze wijn, op de aarde vervloeien,
Die van hen en hun kindren; hun vrouw mog' een vreemdeling huwen!"
Alzo baden zij, ach! nog niet verhoord door Kronion!...
Toen sprak Priamus Dardanus' zoon te midden van dezen:
"Hoort mij, Trojanen en Grieken, beschermd door stevige scheenplaat!
Zie, nu ga ìk weer terug naar het windrige Troje; ik kan niet
Voor mijn ogen mijn zoon zien strijden met Menelaus...
Dat weet Zeus wel waarachtig en d' ander' onsterflijke Goden,
Wie van de beide strijders het lot van de dood is beschoren."
Na deze woorden nu legde de grijsaard, een God evenarend,
Eerst op de wagen de lammeren, steeg in en strekte de teugels;
Naast hem besteeg ook Antenor de overheerlijke wagen...
Zó dan keerden zij weder terug naar Troje, die beiden.

*

Na hun vertrek maten Hektor, Priamus' zoon, en Odysseus
Eerst het terrein af en wierpen daarna in een koperen stormkap
Loten en schudden die, wie of het eerst zou zijn speer mogen werpen.
Daarna hieven de volken hun handen ten hemel en baden;
Een van de Grieken en één der Trojanen bad vóór en zij zeiden:
"Vader Zeus, gij die heerst van de Ida, Almachtige, Hoogste!
Geef, dat de man die de krijg tussen beide volken verwekte,
Valt en het huis des Onzichtbaren ingaat; door ons dan ten slotte
Moge, gevest op de eedsoffers, vriendschap worden gesloten!"
Alzo sprak hij. En Helmflikker-Hektor, hij schudde de strijdkap,
Rugwaarts ziende, en snel sprong het lot van Paris te voorschijn!
Daarna zetten de troepen zich neder op rijen, waar ieders
Paarden stonden te stampen, hun wapenen lage te schittren.
Toen deed zijn prachtige wapenen aan de godlijke Paris...
Hij, de man der schoonlokkige Helena, gespte het eerst zijn
Schone scheenplaten rond om de schenen met zilveren gespen,
Harnaste daarna zijn borst in 't kuras van Lykaon, zijn broeder,
- 't Paste hem - wierp zich vervolgens het koperen zwaard om de schouders,
335 't Zwaard met in zilver geklonken gevest, en nam daarna het zware
Lederen schild en zette de zeehonden-lederen stormkap,
Stevig gebouwd, met een paardestaart-pluim, zich op 't hoofd, het sterke.
Schrikwekkend knikte de pluim van de kam naar beneden.
Daarna nam hij een krachtige lans, in zijn handpalm passend. -
Evenals hij dook nu ook Menelaus krijgshaftig in 't harnas.
Toen dan nu beiden in 't eigen leger zich hadden geharnast,
Stapten zij weder naar voren, in 't front van Trojanen en Grieken!
Angst-wekkend straalde hun blik, verbazing ontstelde de kijkers,
Grieken met stevige scheenweer en wagenstrijders Trojanen...
Naadrend tot dicht bij elkaar op d' uitgemetene kampplaats
Bleven zij staan, hunne lansen drillend, verwoed op elkander.
Eerst zond Paris zijn speer af, gevolgd door de schaduw,
Trof Menelaus op 't schild, rondom evenwichtig gebogen.
Niet reet koper het leer! De punt van de speer werd verbogen,
Krom op het krachtige schild. Toen verhief zich na hem Menelaus
Atreus' zoon met het koper en smeekte tot Zeus, de Vader:
"Zeus die regeert, vergun mij de wrake op hem, Alexander,
Hoog van geboorte, die aanving mij onheil te brengen! O! laat hij
Vallen door mijne hand, opdat bij het nageslacht ieder
Huivre zijn gastheer te schaden, die eenmaal hem vriendschap betoonde."
Hij had gesproken en drillend zijn speer met de spichtige schaduw
Wierp hij hem af en trof Paris in 't schild, evenredig-gebogen,
Dwars door het stralende schild kwam de zware speer en door 't harnas,
Kunstig bewerkt, drong hij heen en rechtevoort vlak langs zijn zijde,
Sneed de speer door de chiton. Maar 't zwarte doodslot ontwijkend,
Boog hij zich zijwaarts. Toen trok Menelaus zijn slagzwaard, de zilvren
Nagels omgrijpend, en richtte zich hoog op en uithalend trof hij
Paris' helm en dwars op de kam; maar in drieën en vieren
Brak hem, helaas, het zwaard, dat zijn hand kwam t' ontvallen! Toen klaagde
Atreus' zoon en zag óp naar de wijde hemel en zeide:
"Vader Zeus! geen God is minder betrouwbaar dan gij zijt.
Ach! ik beweerde nog wel dat ik Paris' verraad zou bestraffen!
Doch nu brak mij het zwaard in de hand, en vruchteloos vloog mij
Uit mijn vuist ook de speer, en ik mocht Alexander niet doden!"
Sprak, en sprong op, greep hem vast bij de staart van zijn helmkam,
Rukte 'm omver en beproefde hem mee naar de Grieken te sleuren...
Paris omknelde het weke der hals een keelriem met stiksels
Die van de helm als een stormband hem onder de kin was gespannen.
Zeker zou nú Menelaus hem meegesleept, zou hij onzegbre
Glorie hebben verworven, als toen niet scherp Afrodite
Opgelet had, die de koeleren riem - van een rund, gewelddadig
Doodgeslagen - deed springen en ledig de strijdhelm meegaan
Met Menelaus' stevige hand. En toen smeet hem de halfgod
Zwaaiend te midden der Grieken. Zijn makkers namen hem mede.
379 Wederom sprong hij op Paris af, verzot om te doden
Nu met zijn koperen speer; maar Paris ontrukt' Afrodite
Zeer gemakkelijk, zij een Godin, hem verbergend in dichte
Nevel en zette hem neer in zijn slaapkamer, geurig van wierook.

Zelf ging ze Helena roepen en vond haar hoog op de muren
- Om haar waren Trojaanse vrouwen verzameld -; zij zeide,
Grijpend haar Nektar-geurende kleed, met de hand er aan trekkend,
- Lijkend in voorkomen 't stokoude moedertje uit Lacedaemon,
Spinster, die, toen z' er nog woonde, haar prachtige schaapswol bewerkte,
Hartelijk bemind - op háár nu gelijkende sprak Afrodite:
"Ga met mij mee; Alexander verzoekt U huiswaarts te keren,
Hij zit daarginds in zijn kamer op 't rustbed, het kunstig-gedraaide,
Stralend door schoonheid en kleding... En zeker zou niemand beweren,
Dat hij zo waar uit een tweekamp gekomen was. Wel, naar een dans ging,
Of er, zo juist van de dansplaats gekomen, uit zat te rusten."
Zo dan nu sprak Afrodite. Zij maakte haar innerlijk kregel!
Maar toen zij, zie! de beeldschone hals der Godin mocht herkennen,
Ook haar begeerteverwekkende borsten, haar flikkrende ogen,
Toen stond zij eerst wel verstomd, maar zij zei toch, haar toesprekend, eindlijk:
"Onbegrijplijke, gij! Waarom hunkert ge mij met dit alles
Weer te bedriegen? Ge wilt mij natuurlijk nog verderweg voeren,
Naar een dier volkrijke steden, van Lyci' of 't lieflijke Lydië!
Hebt gij ook daar wellicht nog een vriend onder sterflijke mensen!
Daar Menelaus, na Paris nu werklijk te hebben verslagen,
Mij, verwenste, verlangt naar zijn huis met zich mede te nemen!
Dáárom komt ge nu zeker weer tot mij met listige streken!
Ga gij maar zelf bij hem zitten, wijk af van de paden der Goden,
Keer maar nimmer te voet weer terug naar de hoge Olympus,
Blijf maar sloven voor hèm en laat hem toch nooit uit uw ogen!
Tot hij u eindelijk maakt tot zijn vrouw of tot zijn slavin, hij!
Daarheen gaan doe ik níét - dat zou àl te verachtelijk wezen -
Om zijn leger te delen; dan zouden de vrouwen van troje
Later mij honen; 'k heb tòch al eindloze smarten te lijden!"
Toornig zeide tot haar de godlijke Afrodite:
"Terg mij, vermetele, niet, dat vergramd ik mijn hand van U aftrek,
Ik U zo vreselijk haat, als ik thans U hartstochtelijk liefheb!
Dat ik niet gruwlijke strijd tussen beiden, Trojanen en Grieken,
Stichte! dan zoudt gij vergaan en een droevige dood moeten sterven."
Alzo sprak zij en Helena vreesde, al was zij Zeus' dochter...
Zonder dat één der Trojaanse vrouwen het merkte, verdween zij,
Zwijgend, gehuld in haar zilverlicht kleed. De Godin gaf geleide.

Toen zij nu waren gekomen in Paris' heerlijke woning,
Wendden haar dienende meisjes zich snel tot hun dagelijks handwerk.
Afrodite nu zette voor haar, een Godin onder vrouwen,
Toen zij haar hoge kamer betrad, met een vriendlijke glimlach,
425 Recht over Paris, een bankje, dat z' eerst voor háár was gaan halen.
Daarop ging Helena zitten, de dochter van Zeus, die het Schild voert.
Toen, terwijl zij haar oog van hem afwendde, sprak zij berispend:
"Zo! zijt ge weer uit de oorlog terug! waart ge daar maar gevallen,
Nedergeveld door de krachtige held, die mijn vorige man was!
O! wat snoefde gij vroeger niet vaak, met uw vuisten en speerworp,
Door uw bijzondere kracht Menelaus te kunnen verwinnen!
Kom! ga maar weg en daag Menelaus, de gunstling van Ares,
Nog weer eens uit om te strijden op leven en dood! Of nog liever
Raad ik U aan er mee op te houden, met vechten, dat doe ik;
Onbekookt Menelaus, de blonde held, te bekampen!
Pas maar óp, dat ge niet misschien gauw door zijn lans wordt bedwongen!"
Paris antwoordde haar toen op deze woorden en zeide:
"Tref mij toch niet, o vrouw! in de ziel met uw bittre verwijten,
Nú overwon Menelaus mij wel met de hulp van Athene,
Maar een andermaal doe ik het hèm, want ook òns helpen Goden.
Kom! laat ons nu maar te bed ons te zamen in liefde verenen,
Want zoals nu, heeft nog nooit de begeerte mijn zinnen beneveld,
Zelfs niet, toen ik U pas uit het lieflijke Sparta geschaakt had,
Varende over de zee in de diepte-doorklievende schepen,
Toen wij elkander op Kranaë, 't eiland, in liefde omhelsden.
Zó ben ik op U verliefd en een zoet verlangen bevangt mij."
Na dit woord ging hij voor naar het bed en zijn gade ging mede.
Zo dan nu sliepen zij samen in 't bed met doorboorde zijwand.

*

Maar Menelaus liep rond, als een wilde leeuw, door de troepen,
Heen en weer of hij ergens de godlijke Paris gewaar werd;
Doch van al de Trojanen kon niemand, van al de vermaarde
Bondgenoten niet één, Alexander hem wijzen! Waarachtig!
Niemand had hèm, zo hij hem had gezien, uit vriendschap verborgen!
Want, als de zwarte dood was hij onder hen allen verafschuwd.
Toen sprak te midden van hen der mannen vorst Agamemnon:
"Hoort nu, Trojanen en Grieken en bondgenoten, mijn woorden!
Dat inderdaad Menelaus verwon is duidlijk gebleken!
Levert nu gij de Argivische Helena uit met haar schatten;
Wilt ook aan ons, met de schuld evenredige boete betalen,
Welke daarna in de toekomst voor alle mensen zal gelden!"
Zo sprak d' Atride. En d' andere Grieken, zij schonken hem bijval.