|
Homerus
Ilias A
(
... metrisch vertaald ... door W.E.J. Kuiper, hoogleraar aan de Universiteit
van Amsterdam; Haarlem 1949; N.V. Drukkerij de Spaarnestad )
( in de serie : Klassieke Bibliotheek )
Ilias
- Boek I
Pest
en wrok
Lied
van den wrok wil zingen, godin, des Peliden Achilles,
Dien verdoembaren wrok, die d' Achaeën bracht in een eindloos
Ach en wee, die heenzond ten Hades de krachtige zielen
Veler helden en maakte hun lijflijke zelf tot een prooi van
Honden en aasvogels al, vervullend wat Zeus had beraden -
Heel van dat eerste begin, toen twist kwam en d' eendracht verbraken
Atreus' zoon, der heerscharen vorst, en de stralend' Achilles.
Wie
dan der goden dreef hen door twist tot de vinnige tweespalt?
Zeus' en Leto's zoon! Die had, op den koning verbolgen,
Ziekte verwekt in het scheepskamp, een pest! en het krijgsvolk crepeerde
-
Daar zijnen priester Chryses met krenking en smaad had bejegend
Atreus' zoon. Want ziet: bij de schepen der Grieken verscheen hij,
Loskopen wou hij zijn dochter, onmeetlijken tol bracht hij mede,
Heffend den krans van Apollo, den schotvasten schutter, met beide
Handen omhoog, aan zijn guldenen staf, en hij smeekte d' Achaeën
All' en vooral de twee zonen van Atreus, de leiders van 't leger:
"Zoons van Atreus en alle gij stevig gescheenweerde Grieken,
U moog de gunst der goden in 't weids verblijf van Olympus
Schenken verdelging van Priamus' stad en behoudene thuiskomst,
Mij echter gunt, dat ge vrijgeeft mijn kind en aanvaardt dezen losprijs,
Om het ontzag voor den zoon van Zeus, den Schutter Apollo."
Toen riepen, rond Agamemnon, all' andere Grieken hun bijval:
Ere-doen zou men den priester, aanvaarden den schittrenden losprijs.
Maar dat wilde den groten Atrid' Agamemnon niet monden:
Toornig wees hij hem af en gebood met den dwang van zijn machtwoord:
"Laat mij u, oude, niet wéér bij de holle schepen ontwaren,
Nu niet en later niet, talmend of wedergekomen, want waarlijk,
Staf en krans van uw god, zij zullen u nimmermeer baten.
Haar geef ik u niet af! Voordien zal haar d' ouderdom vinden
Ginds in mijn burcht in Argos, wel vér van het land van haar vaadren,
Waar zij voor 't weefgetouw treedt en deelt het bed van haar meester.
Voort dan, en terg me niet langer, opdat ge nog levend naar huis komt."
Dat was zijn woord, en de grijsaard verschrok en hij liet zich gezeggen.
Stil ging hij heen langs het strand, in het ruisend gerucht van de
branding.
Maar toen hij ver was en eenzaam-alleen, hief hij biddend zijn oude
Handen en smeekte zijn heer, den zoon der schoonlokkige Leto:
"Hoor mij, god van den zilveren boog, die voor Chryse de wacht
houdt,
't Heilig Killa beschermt en op Tenedos heerst in uw sterkte,
Smintheus! Zo ik u ooit een kostelijk huis overkapt heb,
Zo ik u waarlijk ooit de schenkels van stieren en bokken,
Druipend van vet, heb verbrand, vervul mij den wens, dien ik uitspreek:
Laat door uw pijlen d' Argiven den tol mijner tranen betalen."
Zo sprak hij luid' en Phoebus Apollo verhoorde zijn bede.
't Hart verdonkerd van toorn streek hij neer van Olympus' steilten,
Droeg om de schouders zijn boog en den dubbelgedekselden koker -
't Rammlend gerucht der pijlen verkondde den toorn van hun meester,
Mee met zijn machtigen gang; als de duistere nacht was zijn naadring....
Toen zat hij ver van de schepen neer, en een pijl schoot hij derwaarts
-
Zielsbeklemmend gierde de toon van het zilveren wapen -
Muildieren nam hij het eerst onder schot en de roerige honden,
Daarna gold het hun meesters: een vlijmscherpe schicht en een schot,
dat
Trof - en altoos de brandende lijken op mutsaard aan mutsaard.
Negen
dagen bestookten Apollo's schichten het leger.
Toen, op den tienden dag, riep Achilles het krijgsvolk te zamen,
Want hém deed de godin blankarmige Hera deez' inspraak,
Daar zij met diepe bekommernis zag op de stervend' Argiven.
Toen dan het volk was samengestroomd en vereend ter vergaadring,
Rees voor hen op en sprak in hun kring de snelvoetig' Achilles:
"Zoon van Atreus, het wordt, wil me dunken, een aftocht! We stoten
Hier onzen kop en gaan huistoe.... (indien we den dood nog ontkomen),
Nu, tegelijk met den oorlog, een pest de Grieken gaat knauwen.
Dat mag niet zijn! Laat ons aanstonds een waarzegger vragen, een priester,
Ja, of een droomuitlegger (want komt ook de droom niet van Zeus her?),
Dat hij ons zeg, hóé Phoebus Apollo zózeer vergramd is,
Of hij misnoegd is om offerverzuim of verzuim van gelofte.
Mogelijk, dat tot den braadgeur van vlekloze rammen en bokken
Hij goedertieren zich buig' en genadig den dood van ons afweer'."
Dit was Achilles' slot. Hij zette zich. Oprees als spreker
Calchas, Thestors zoon, een vogelenwichlaar uit duizend,
Die over heden, verleden en toekomst gelijklijk bescheid wist
En door zijn zienerskunst, die gaav' uit de hand van Apollo,
Heel naar het land van Troja de vloot van de Grieken geleid had.
Hij, op hun aller bestwil bedacht, nam het woord op en zeide:
"Mij riep, Achilles, uw woord en Zeus heeft u lief, o Achilles.
't Heet mij, den wrok van mijn heer, den machtigen Schutter, t' onthullen.
Nu, zo zal ik dan spreken, doch gij, let wel en bezweer mij,
Dat g', op uw eer, mij met wapen en woord trouwhartig zult bijstaan.
Want, dit houd ik voor zeker: daar zal er een toornen, wiens hoogheid
Heerst over alle Argiven, wiens wil den Achaeën bevel is.
En, wordt een koning vergramd op z'n mindere, híj is de sterkste.
Want al verkropt hij zijn woede vandaag, de wrok blijft hem altoos,
Altoos morren diep in het hart, tot hij eindlijk hem uitviert.
Zie dus uw taak en bezin u: zal waarlijk uw hand mij behoeden?"
Toen, ten antwoord, voegde hem toe de snelvoetig' Achilles:
"Spreek gij in volle gerustheid uit, wat de godsspraak u ingeeft.
'k Zweer bij den dierbren zoon van Zeus, bij Apollo, tot wien gij,
Calchas, bidt - en wat ge hem afvraagt, onthult ge den Grieken:
Niemand, zolang ik leef en op aarde mijn ogen die rondgaan,
Zal bij de holle galeien met grove hand u beknellen,
Geen van alle d' Argiven tezaam, neen, zelfs zo ge hém noemt,
Die vol fierheid zich heet der Grieken grootst', Agamemnon."
Toen was zijn hart gerust, en hij sprak, de feilloze ziener:
"Wel dan, misnoegd is hij, níet om verzuim van geloft' of van
offer,
Maar om zijn priester, dat hém met krenking en smaad heeft bejegend
En hem zijn kind niet losgaf, z'n weergeld niet nam, Agamemnon.
Daarom deed en zal hij ons leed doen, de schotvaste Schutter.
't Kan niet zijn, dat hij éér den Zwarten Dood bij ons uitdrijft,
Eer men geeft aan den vader terug zijn oogblinkend meisje,
Zonder losgeld of koop, en een offer van honderd verzendt naar
Chryse. Wellicht dat hij dan in genad' onze smeekbeden aanhoort."
Dat was Calchas' slot en hij zette zich neder; maar oprees
Atreus' zoon, de held, wijdheersende vorst Agamemnon.
Pijn verwrong zijn gezicht, want drift overstelpte hem, hart en
Zinnen verduistrend; zijn ogen geleken op vonkende vuren.
Calchas trof met den bozen blik hij het eerst en de woorden:
"Ong'luksprofeet, nog nooit hebt ge mij, wat welluidt, gesproken!
Kwaad te voorspellen, altijd maar kwaad, is de lust van uw leven.
Goeds hebt ge nooit iets gezegd, geen woord, en gedáán nog minder.
Nu, alweer, tot der Grieken oren oraaklend, verkondt gij,
Dat, volgens u, Apollo hun hierom rampen en leed verschaft,
Omdat ík voor Chryses' dochter dien heerlijken losprijs
Niet van zins was t'aanvaarden - natuurlijk niet! 'k houd haar veel
liever
Zelf bij mij thuis. Ja boven mijn wettige vrouw Clytaemnestra
Stel ik haar zelfs, Chryseïs! Zij staat in niets bij haar achter,
Niet in gestalt' of in vormen, in geest niet en hart, of in handwerk.
Nochtans ben ik bereid, haar weer af te staan, zo dit het best' is.
't Gaat om mijn volk! Ik wens, dat het leeft, en niet, dat het wegsterft.
Gij echter, legt mij een prijsdeel toe, terstond, dat niet ík als
Enige Griek zonder prijsgift blijf. Want dát zou niet aangaan!
Niemand van u, die niet inziet, dat ík mijn eregift kwijtraak!"
Hierop antwoordde hem de snelvoetige stralend' Achilles:
"Luisterrijke Atride, op rijkdom belust boven allen,
Hoe moeten zij u dat geven, dat prijsdeel, de dappere Grieken?
Weten wij dan nog ergens een schat van gemeengoed te liggen?
Neen, wat de plundring der steden ons op heeft gebracht, is verdeeld
en
Dat onze mannen dit weder vergaadren, kan men niet eisen.
Voeg u dus thans naar Gods wil, geef haar ruiterlijk op, en wij Grieken,
Drie-, viervoudig vergoeden wij 't u, dien dag, waarop Zeus ons
Geeft, dat wij Troja's veste, de sterkommuurde, verdelgen."
Hierop voegde hem toe, ten antwoord, vorst Agamemnon:
"Och, geef u niet, bij uw dapperheid, godlijk' Achilles, nu ook
met
Sluwheid af, want ge glipt me niet langs en ge zult me niet paaien.
Wilt ge dan heus, om zélf uw prijsdeel te houden, dat ik met
Ledige handen hier zit, en moet ik haar dáárom afstaan?
Neen, hoor! Indien mij de dapper' Achaeën een eredeel geven,
Voegend hun zin naar mijn wens, aldus, dat mijn schade gedekt is,
Goed! Maar geven zij 't niet, dan ga ik zelf en ik neem het,
Uw of Ajax' deel - of Odusseus' eregift haal ik;
Dat wordt mijn blijvend bezit; en de toorn blijft aan hem, dien ik
opzoek.
Maar dat zullen we, naderhand, wel opnieuw overleggen.
Nu dringt een andere taak: dat we sleuren een donkre galei in
't Blinkend water, met keur van roeiers bemannen, met offer,
Honderd stuks sterk, haar bevrachten, en Chryses' schoonwangige dochter
Zelve brengen aan boord. Commando voer' één uit den krijgsraad,
Ajax, Idomeneus, of, om het even, de stralend' Odusseus,
Of gij, zoon van Peleus, vervaarlijkste krijgsman van allen,
Dat gíj ons den grootmachtigen god door uw offring vermurwe."
Dreigend' ogen opslaand sprak de snelvoetig' Achilles:
"Gij, met de bruutst' onbeschaamdheid geharrenast, monster van
hebzucht,
Hoe kan er één der Achaeën met vreugd' uw krijgsorders volgen,
't Zij om een sluiptocht te doen, of los te gaan slaan op den vijand?
Ik althans ben voorwaar niet uit haat tegen 't speervolk van Troja
Hierheen ten oorlog getogen. Ze hebben aan míj niets misdreven.
Nooit nog hebben ze stropend mijn rundren geroofd of mijn paarden,
Hebben nog nooit van Phthia's vetkluitige, moederlijk' aarde
't Rijpend gewas verwoest, want dat land ligt zo ver en door zó veel
Schaduwdonkere bergen gescheiden en zee, wijdruisend.
Neen, u volgden wij, u, gij bruut, en u ten pleziere,
Om voor uw broer Menelaos en, hondsvot, voor u van de Trojers
Boete te halen, maar daarom bekreunt en bekommert g' u gans niet.
En - nu - dreigt gíj míj, eigenhandig mijn prijsdeel te nemen,
Dat ik met bloed en zweet heb betaald en de Grieken mij gaven!
Toch krijg ik nimmer een deel, dat aan 't uwe gelijk is, zo vaak wij
Ergens een welbevestigde stad der Trojanen verovren.
Ja, breekt de krijgsstorm los, dan delen míjn handen de zwaarste
Slagen uit en de meeste, maar komt het ereis tot een deling,
Dan valt aan u het leeuwendeel toe, en ik, met mijn 'klein en
Welgemeende geschenk' tijg, moe van den strijd, naar m'n schepen.
Maar nu ga ik naar Phthia, en kies wat het schoonst is: te varen,
Weg met m'n kromboegde schepen, naar huis, daar ik niet van zins ben
Hier als verschoppeling u te doen baden in rijkdom en weelde."
Hem gaf ten antwoord daarop der heerscharen vorst Agamemnon:
"Vlucht maar gerust, als uw hart daar naar staat! Of meent ge,
dat ik u
Smeek te blijven om mij? Ik heb nog wel andere helpers,
Lui, die mijn eer respecteren en d' alwijze Zeus boven allen.
Hoe ik u haat en verfoei in de rij der verhevene vorsten!
Haantje de voorste zijn, dát is uw lust en maar oorlogen, vechten.
Sterk, o ja, dát zijt ge: een godsgeschenk, úw privilege;
Kom, vaar naar huis, met uw schepen en makkers, uw ras-Myrmidonen,
Dat ge hen thuis commandeert. Maar ík draai geen hand voor u om hier
En om uw gramschap bekreun ik me niet. Doch let op m'n woorden:
Mij wordt door Phoebus Apollo's wil Chryséïs ontnomen:
't Zij zo! Ik zal, op mijn eigen galei, met mijn eigene makkers
Háar laten gaan, maar halen voor mij - en zelf naar haar tent gaan
-
Briseus' blozende dochter, opdat gij verstaan zult, hoezeer in
Macht ik uw meerdere ben, en tot heiligen afschrik van elkeen,
Die er zich mijns gelijke zou wanen en mij wil braveren."
Dit was zijn slot, en het woord werd Achilles een foltering; tweestrijd
Woeld' in zijn ruigruwe borst en zijn hart was verdeeld in zichzelve:
Zou hij het scherpe zwaard van de zijde trekken, die andren
Jagen óp en uiteen en dien telg van Atreus vermoorden?
Of moest hij temmen den toorn en z'n woedende drift bedwingen?
't Ogenblik zelf, dat hem hierheen 't verstand stiet, daarheen de
hartstocht,
Toen hij dat machtig zwaard reeds half had ontbloot, streek Athena
Neer uit den hemel, vanwaar blankarmige Hera haar uitzond,
Daar zij hen beiden gelijklijk bemind' en om beiden bezorgd was.
Achter hem trad zij en greep hem in 't blonde haar, den Pelide,
Zichtbaar voor hém alleen; van d' andren ontwaarde haar niemand.
Ademloos van verbazen, Achilles zich wendd' en onmidlijk
Wist hij: Pallas Athena! Angstwekkend het licht harer ogen.
Toen verhief hij zijn stem en hij sprak de bevleugelde woorden:
"Kind van den aegisvoerenden Zeus, ge zijt tháns gekomen!
Moest ge den euvelmoed zien van Atreus' zoon Agamemnon?
Goed, ik verzeker het u, en even zeker geschiedt het:
D' eigene hovaardij zal hem spoedig het leven doen laten."
Antwoord sprak de godin met de klaarblauwe ogen, Athena:
"Laat u gezeggen; ik kwam, omdat ik uw toorn wilde sussen,
Neer uit den hemel, vanwaar de blankarmige Hera mij uitzond,
Daar zij u beiden gelijklijk bemint en om beiden bezorgd is.
Luister dus, staak uw getwist, laat af met die hand, die het zwaard
trekt,
Dan moogt ge verder met woorden hem schimpen, naar het u invalt.
Want ik verzeker u dit, en even zeker geschiedt het:
Eens, om deze verguizing, ontvangt ge aan schittrende giften
O, wel het drievoud. Betoom u alleen, laat door ons u gezeggen."
Toen, ten antwoord, voegde haar toe de snelvoetig' Achilles:
"'t Woord, door u beiden gesproken, godin, moet men naarstig
betrachten,
Hoe ook het hart van verbolgenheid opbruist. - Zo moet het wezen.
Wie aan de goden gehoorzaamt zelf, verhoren de goden."
Wel bleef zijn klemmende hand aan het zilvren gevest, maar hij stootte,
Trouw aan zijn woord, het geweldige slagzwaard terug in de schede,
Trouw aan Athena's bevel. Die trad reeds weer binnen den hogen
Burcht van den aegisvoerenden Zeus en de ronde der zaalgen.
Maar weer opnieuw met een wilden storm van grievende woorden
Ging nu Pelides Atrides te lijf en koelde zijn woede:
"Dronken Sileen, met het oog van een hond en het hart van een
hinde,
Saam met den troep u in 't harnas te steken, saam met der Grieken
Keur op een nachtlijken overval uit te gaan, dat heeft uw zieltje
Nooit ofte nimmer gewaagd. Als de dood zo bang zijt ge dáárvoor!
O, het is wel zo gerieflijk in 't brede scheepskamp der Grieken
Eregeschenken t' ontnemen aan elk, die er tegn u ingaat.
Volkuitbuitende koning! omdat gij een vorst zijt van pummels.
Anders, Atride! Het ware dítmaal uw laatste krenking.
Maar, ik verzeker het u; bij m'n ziel, ik durf het bezweren:
Hier, bij den scepter, die nimmer in lover en twijgen zal uitslaan,
Sinds hij in 't hoogland de rauwwonde stomp voorgoed heeft verlaten,
Nimmer opnieuw zal fleuren, omdat hem het koper rondom van
Blad en bast heeft ontbloot - nu nemen de zonen der Grieken
Dezen ter hand, als zij recht doen, bewarend de heilige wet, naar
Zeus hun betrouwde - zowaar als dit is, zo waarachtig bezweer ik:
Eens zal de nood om Achilles de zonen der Grieken bespringen,
Allen tezaam. En dán zult gíj, hoe fel het u pijnigt,
Niet kunnen helpen, als velen door Hectors moordende handen
Stervend terneder zinken, en zult u het hart in den boezem
Openrijten van spijt, dat den besten Griek gij onteerd hebt."
Zo sprak Peleus' zoon en ter aarde wierp hij den scepter,
Blinkend versierd met zijn gouden beslag, en zelf ging hij zitten.
Ginds bij d' Atride verhief zich de storm van de woede, maar óprees
Nestor uit Pylos, wiens stem als muziek was, wiens woorden een weldaad,
Daar hem de taal van de lippen te vloeien plag, zoeter dan honing.
Twee geslachten van sterflijke mensen, bij 't klimmen der jaren,
Had hij reeds henen zien gaan, die in 't heilige Pylos van eertijds
Waren getogen, geboren....; hij leefd' en regeerde het derde.
Hij dan, op aller bestwil bedacht, nam het woord op en zeide:
"Ai mij, een zee van leed stort aan op het land van Achaia.
Priamus! Hoe zou hij juichen, en juichen Priamos' zonen,
Hoe zou het volk van Troja tot diep in het harte verheugd zijn,
Zo zij dit alles vernamen van u, dat gíj met elkander
Krijg voert, der Grieken kloekst' in den raad, de stoutst' op het
slagveld!
Luistert naar rede. Ge zijt zoveel jonger, gij beiden, dan ik ben.
'k Heb in m'n lange leven - dat weet ge - met mannen verkeerd, die
Zelfs úw meerderen waren: zij hebben mij nimmer gekleinacht.
Want geen helden heb ooit ik aanschouwd, noch zal ik aanschouwen,
Groot als Peirithoös groot was en Dryas, de Herder der scharen,
Of Polyphemos, zo sterk als een god, Exadios, Kaineus.
Zij, in hun opgang, waren de stérksten der mensen op aarde,
Wáren de sterkst' en bestreden de sterksten in oorlog op oorlog,
't Bergbeestvolk der Centauren, en doodden z' in gruwbare slachting.
Zie, 't was met dézen, dat ík, uit Pylos gekomen, ten strijd toog,
Verre genoot uit den vreemde: zij hadden me zelve ontboden.
'k Vocht, wat ik kon, naar de maat mijner kracht, want met hén had
geen sterflijk
Schepsel op aard', als ze nu zijn, de mensen, zich ooit kunnen meten.
Ráád van míj had altijd hun oor, en zij volgden mijn woorden.
Wel dan, zo luistert ook gij: het is goed naar rede te luistren.
Over en weer: wil gij, in uw hoogheid, die vrouw hem niet nemen -
Eregift is zij der Grieken aan hém en ze blijve geschonken -
Gij, o Pelide, misbruik niet uw kracht en strijd met den kóning
Niet om den voorrang, want nooit droeg er één den scepter, wien zoveel
Ere ten deel viel, hoe groot ook de luister, dien Zeus hem verleende.
Groot is uw kracht - geen wonder, gij zoon ener godlijke moeder.
Echter, de machtigst' is hij - geen wonder, een vorst van miljoenen.
Eedle Atride, kalmeer uwe drift; ach zie mij toch, Nestor
Smeekt u, ontsla uit uw toornen Achilles, die als een machtig
Bolwerk alle de Grieken beschut in den schriklijken oorlog."
Hierop begon Agamemnon de heerser z'n weerwoord en zeide:
"Werkelijk, vader, dat hebt ge daar alles gezegd, naar 't gesteld
is.
Maar die kerel begeert nummer één te zijn zonder restrictie,
Allen z'n slaven te maken, dát wenst hij en elk te bebazen,
Elkeen commando te doen: maar ik weet, wie zich níét laat gelasten!
Hebben hem d' eeuwige goden gesteld tot een meester in 't vechten,
Schonken ze daarmee hem ook het brevet van meester in 't schelden?"
Daar onderbrak hem en sprak ten antwoord de stralend' Achilles:
"Wis en waaarachtig! Nietswaardig verdien ik te heten, een lafbek,
Als ik van zins ben, bij al wat ge zegt, ja en amen te spelen.
Spaar gij uw orders voor andren, want ík laat me niets meer gelasten.
Maar, 'k heb u iets te vertéllen, iets anders. Prent het u goed in.
Zie, om dat meisje het zwaard tegen u of een ander te trekken,
Dat is verre van mij, nu gijlui m' uw gave weer afneemt.
Maar van mijn verder bezit bij mijn ranke, donkere vaartuig,
Daarvan me tegen m'n wil ook maar één stuk te roven, mislukt u.
Ja, probeer het ereis, voor u zelf en voor hen-hier tot lering;
Aanstonds gutst dan uw donkere bloed om mijn speerschacht naar buiten."
Zo
ging die woordengeweldige strijd ten einde, en beiden
Stonden zij op en ontbonden de zitting bij 't scheepskamp der Grieken.
Peleus' zoon ging heen naar zijn tenten en zeevaste schepen,
Saam met Patróclus, Menoitios' zoon, en den drom zijner makkers,
Doch Agamemnon gaf order, een ijljacht in zee te slepen,
Twintig roeiers koos uit als bemanning, bracht voor Apollo
Offer van honderd aan boord, dan leidde met zorg ter kampanje
Chryses' schoonwangige dochter. Bevel nam de schrander' Odusseus.
Die dan gingen er scheep en te vaart op de wiegende wegen.
Doch aan 't volk zei d' Atride, zich gans van onreinheid te zuivren.
Zuivren deed zich het volk en stortte den onraad in zee uit.
Dan, aan Apollo, brachten ze vlekkelooz' offers van honderd
Stieren en bokken, alheen langs het strand, waar d' oneindige zee
zingt.
Krinklend omhoog met den rook steeg de walmende braadgeur ten hemel.
Dus dat drukke bedrijf in de legerplaats. Maar Agamemnon -
Stijf op z'n stuk - wat hij eenmaal Achilles gedreigd had, volbracht
hij.
Dit woord sprak hij Talthybios toe en Eurybates, beiden
Dienstbaar aan hem als herauten en beiden z'n wakkre vazallen:
"Gij gaat heen naar de tent des Peliden Achilles en grijpt daar
Vast bij de hand en ge brengt mij de blozende dochter van Briseus.
Basta! Geeft hij haar niet, dan haal ik haar zelf. Met mijn troepen
Kom ik in groter getale. En hem bekomt dat nog slechter."
Zo, met den dwang van zijn machtwoord als opdracht, deed hij hen heengaan.
Schoorvoets voortgaand tezaam, waar d' oneindige zee aan het strand
lag,
Naderden z' eindlijk almee 't Myrmidonenkwartier en z'n schepen.
Hier, bij zijn tent en zijn donkere vaartuig, vonden z' Achilles,
Die daar maar zát; en hoe luttel, toen hén hij ontwaarde, zijn vreugd
was.
Zij, bij hun oud ontzag, ook bevangen door angst voor den koning,
Staakten hun voortgang en spraken geen woord, geen vraag zelfs zij
waagden.
Maar hij begreep, wat er omging in hen, en roepend hun tegen,
Sprak: "Al goeds u, herauten, gij boden van Zeus en de mensen,
Komt toch nader, niet gíj hebt hier schuld, Agamemnon alleenlijk,
Die u, om Briseus' dochter te halen, hierheen heeft gezonden.
Ga, doorluchte Patróclus, en breng dat meisje naar buiten,
Lever haar uit aan die mannen om weg te voeren. Zij zelven
Blijven bij sterflijk en zalig, bij mens en bij god, mijn getuigen
En bij dien koning - barbaar van een vorst -, als 't eens weer zover
is,
Dat, om den nood van een smaadlijken dood van d' andren te keren,
Míj men behoeft. Want waarlijk, krankzinnig is hij in zijn furie,
Zonder het minste besef van de dingen van gistren en morgen,
Dat zijn Achaeën tot redding moest zijn in hun strijd bij de schepen."
Dit was zijn woord, en alree bracht Patróclus, zijn lastgeving volgend,
Buiten, en vóór haar geleiders, de blozende dochter van Briseus.
Díé togen wederom voort langs het scheepskamp der Grieken, en mét
hen
Zíj, tussen mannen een vrouw, vol tegenzin gaand', - en Achilles
Weende; en wég, al vrienden ontwijkend, wég langs het strand der
Glanslichte zee, zat hij neer en zag uit op haar tintlende waatren.
Toen, zijn handen gestrekt, riep hij luide biddend zijn moeder:
"Moeder, nu gíj mij baarde, en 'k nochtans kortstondig zal leven,
Moest dan toch Zeus, de Olympiër, heer van den hooggaanden donder,
Eér mij verlenen, voor 't minst. En wat gaf hij mij? Niets dan oneer!
Mij heeft Atreus' zoon, wijdheersende vorst Agamemnon,
Grievend beledigd: míjn eergeschenk heeft hij, roofde het zelve."
't Woord - dat z'n tranen deed vloeien - bereikte zijn godlijke moeder,
Waar, bij haar ouden vader, zij zat in de peilloze diepten.
Snel, aan den glanslichten spiegel verhief zij zich, ijl als een nevel,
Kwam en zette zich vóór hem, en ziende z'n ogen vol tranen
Sprak z' - en haar strelende hand kalmeerde hem - langzaam en duidlijk:
"Kind, waaróm moet je schreien, wat is 't, dat je hart bezeerde?
Sluit de smart niet in je. Spreek uit! dat wij sámen het weten!"
Antwoord sprak met een diepen zucht de snelvoetig' Achilles:
"Weten? Ge weet het.... en moet ik u dan dit álles verhalen?
Thebe trokken wij heen, Eëtions heilige veste.
Die werd verwoest, en al wat er ín was brachten we herwaarts.
Dat verdeelden de Grieken eendrachtig en eerlijk, bij voorrecht
Schenkend aan Argos' vorst de schoonwangige dochter van Chryses.
Maar die Chryses, een priester van Phoebus, den machtigen Schutter
-
Loskopen wou hij zijn kind en onmeetlijken tol bracht hij mede -
Kwam naar de snelle schepen der maliegepantserd' Achaeën,
Heffend den krans van den schotvasten Schutter Apollo met beide
Handen omhoog, aan zijn guldenen staf, en hij richtte zijn bede
En tot d' Atriden, de twee generaals, en tot alle de Grieken.
Toen riepen, rond Agamemnon, all' andren eenstemmig hun bijval:
Ere-doen zou men den priester, aanvaarden den schittrenden losprijs.
Maar dat wilde den groten Atrid' Agamemnon niet monden;
Toornig wees hij hem af, met den bindenden dwang van zijn machtwoord.
Zo dan, het hart vol wrok, droop d' oude weer af, en Apollo
Hoorde zijn smeekbeê wél, daar zijn priester hem lief was, en aanstonds
Suisd' over 't leger de schicht van den Zwarten Dood, en de mannen
Stierven, een heir van doden; en voort ging de storm van Gods pijlen,
Wijd en zijd over heel ons legerkamp. Toen zei de godsman,
Wél-onderricht in zijn kunst, ons d' inspraak aan van zijn Meester.
Daadlijk en 't eerst kwam ík met den eis, den god te verzoenen.
Dat was d' Atride - de duivel voer in hem - te machtig, en opstaand
Krijste hij mij zijn bedreigingen toe, die de daad reeds volvoerd
heeft.
Zíj, op een snelvarend jacht, onder 't wakend oog der Achaeën,
Vaart nu naar Chryse terug, met offergaaf voor Apollo,
Maar die van mij, die de Grieken mij schonken, Briseus' dochter,
Haalden daarstraks, uit m'n tent, zíjn knechts, en voerden haar met
zich.
Neem dan gíj, naar uw macht, uw eedlen zoon in bescherming,
Stijg ten Olympus, doe Zeus voor uw bede zwichten, zo waarlijk
Ooit door woord of daad ge den druk van dat hart verlicht hebt.
'k Heb het van u bij vader thuis toch zo dikwijls gehoord, dat
Trotse verhaal, hoe alléén tegen alle onsterflijken gij den
Vader der donkere buien van smaad en ondergang redde.
D' ander' Olympiërs waren al klaar hem te boeien, te kluistren,
Hera vooraan, en de sterke Poseidon, en Pallas Athena.
Maar toen kwam.... een godin (dat was gíj) en ontknoopte zijn boeien.
-
Gauw had ge Honderdarm boven gebracht, op den hogen Olympus,
Die bij de goden Briareos heet, maar de kindren der mensen
Zeggen Aegaeon. - Dat hielp: die is zelfs zijn vader te sterk af.
Hij nam plaats naast den groten Kroníon, trots en verheerlijkt.
Toen werden zelfs de zaalgen benauwd, en.... Zeus níét gekluisterd.
Breng hem dát in herinring, kniel néér en omvat hem de knieën;
Licht geeft hij dan den Trojanen goedgunstigen steun, en d' Achaeën
Dringt hij, ach hée, in massa terug naar het scheepsfront, naar 't
zeestrand.
Ja, voor een blóédbad, dat z' allen plezier van hun koning beleven
En deez' Atreuszoon, wijdheersende vorst Agamemnon,
Zelf z'n verdwazing besef': dat den besten Griek hij onteerd heeft."
Toen sprak Thetis haar antwoord, en tranen bedrupten haar wangen:
"Kind! ik, moeder van weedom, wat wíld' ik dan, dat ik u grootbracht?
Was dan dit hard vertoef bij de schepen ten minste nog vrij van
Tranen en leed, daar uw deel van het lang-strekkend leven zo kort
is!
Nu echter snelt het ten ende in uw jeugd, en die jeugd is ellende,
Meer dan voor iemand. Een Geest des onheils stond aan mijn kraambed!
-
Toch, uw woord zeg ik Zeus. Tot den bliksemlánsvoerder stijg ik
Zelf, op den sneeuwblank' Olympus, en smeek hem mijn beê te verhoren.
Gij, zit intussen werkeloos neer bij uw zeebouwend smaldeel,
Wrok uwen wrok om der Grieken verraad, laat den oorlog den oorlog.
Zeus is, weet ge, ten maaltijd gegaan bij de brave Aethiopen,
Gisteren, heel naar d' Okéanos heen, met zijn hofstoet van goden.
Doch wees gerust, op den twaalfden dag keert hij weer naar d' Olympus.
Dan zal ík, dien dag nog, zijn koperen drempel betredend,
Buigen ten voetval om hulp. Hij zal die verlenen, vertrouw ik."
Zij, na dit klinkende woord, ging heen en híj bleef daar achter,
Wrokkend in toorn om de slanke slavin, die de Grieken hem namen. (429)
(Gebruik
makend van de vermelde tijdsonderbreking, verhaalt nu de dichter,
hoe het Griekse schip, met Chryseïs en de offerande aan boord, te
Chryse aankomt en, na een indrukwekkende en uitgebreide plechtigheid,
waardoor Apollo's toorn wordt verzoend, naar Troja terugkeert. Dan
vervolgt hij :)
(493)
Toen dan nadíén van den twaalfden dag de morgenstond aanbrak,
Trokken de eeuwige goden meteen ten Olympus en Zeus ging
Voor in de rij; doch Thetis, haar zoons begeren indachtig,
Dook uit de golven omhoog en ze steeg met den mist van den morgen
Op naar den hogen hemel en hemelhogen Olympus.
Hier, ter spitse van 't wijdvertakte massief van den Godsberg,
Vond zij Kroníon, de Stemme des Donders, eenzaam gezeten.
Naderend knielde zij neer en haar linker omvatte zijn knieën,
Dan, met de rechter zijn hals aan de kinneronding beroerend,
Sprak ze haar bede - die vraag tot Kroníon-Zeus, den Beschermer:
"Vader Zeus, zo dan ooit ik, door woord of daad, als der goden
Eén'ge, tot hulp u geweest ben, vervul mij den wens, dien ik uitspreek:
Stel mij m'n zoon in zijn eer, nu zijn leven zo mateloos snel ten
Onder moet gaan en toch hem der heerscharen vorst Agamemnon
Grievend krenkte. Want díé heeft zijn eergeschenk, roofde het zelve!
Eer dan gíj hem ten minste, Olympiër, alwijze Vader.
Geef zó lang den Trojanen de overhand, totdat d' Achaeën
Thetis' zoon door hun eerbied en rijkste voldoening verheffen."
Dat was haar woord, en ze zweeg; - maar geen antwoord volgde, en spraakloos
Zat hij daar, langen tijd, de Herder der wolken, doch Thetis
Hield zijn knieën te vaster omklemd, en ten tweeden maal sprekend,
Drong zij: "Beloof het getrouwlijk en zeg mij het toe door uw
hoofdknik,
Of wijs het af! Gíj hebt immers níéts te vrezen! Dan weet ik
- En voorgoed - hoe weinig ik tel, de gesmade, de minste."
Grootlijks verstoord voer hij tegen haar uit, de Herder der wolken:
"Onheil is 't, dat gij oproept - omdat ge me noopt met Hera
Slaags te geraken, wanneer z' op haar smalenden toon mij gaat sarren.
Die doet tóch al niet anders, zo vaak maar de goden bijeen zijn,
Dan me betichten en zeggen van mij, dat ik meevecht voor Troja. -
Kome wat wil! Maar ga nu weer heen gij, dat Hera niets merke.
Mij blijft uw zielswens opperste zorg, tótdat hij vervuld is.
Zie, met een hoofdknik staaf ik u dit, tot uw rotsvast vertrouwen.
't Geldt, mits ík dien verlene, bij ons als de zekerste waarborg.
Want geen woord van mij is herroepbaar, geen is misleidend,
Niets blijft ten halve voltooid, dat ík door mijn hoofdknik gestaafd
heb."
Mét dat hij zweeg, ontspanden zich, neigden zich neder Kronions
Donkere brauwen en d' eeuwige schoonheid der lokken omgolfde
't Godlijke hoofd bij den knik, die den machtig' Olympus deed trillen.
't Eind van 't beraad was het eind van hun samenzijn. Zij, ogenbliklijk
Sprong van den hellen Olympus omlaag in d' onpeilbare diepten;
Zeus betrad zijn paleis; en den Vader ziende verrezen
Alle goden gelijk van hun zetels, geen zelfs die 't waagde
Staande zijn naadring te wachten, maar allen traden hem tegen.
Aldus gaand nam hij plaats op zijn troon, maar Hera - want zij had
Alles bespeurd - terdege begreep, dat de dochter van Nereus,
Zilverwitvoetige Thetis, een plan aan hem voorgelegd had.
Dadelijk liet ze haar hoon op Kroníon los en ze zeide:
"Welke god of godin is hier nú weer een plan wezen smeden,
Gluiperd, met u? Dat is toch maar altijd uw lust en uw leven,
Buiten mij om in 't geniep een beslissing te nemen! Ondenkbaar,
Dat g' u verwaardigt aan míj te vertellen, oprecht, wat ge voorhebt."
Hierop gaf haar de Vader van goden en mensen ten antwoord:
"Hera, ge moet niet verlangen om al mijn plannen te kennen,
Heus niet, dat geeft u maar last - al zijt ge mijn wettige huisvrouw.
Maar wat voor tedere oren geschikt is, dát zal geen ander
Eerder horen dan gij, geen god en geen mens ter wereld.
Doch wat ik buiten de andren om zo eens wens te bepeinzen,
Zorg, dat ge dát toch niet állemaal stuk voor stuk navraagt en naspeurt."
Hierop gaf de grootogige, machtige Hera ten antwoord:
"Monsterachtig onreedlijke Zeus, hoe kúnt ge dat zeggen?
Niets is 't, minder dan niets, wat ik anders u vraag - of naspeur.
Rustig en ongestoord kunt ge álwat ge wenst, overdenken.
Maar nu siddert mijn hart van vrees, dat de dochter van Nereus,
Zilverwitvoetige Thetis, vanmorgen u listig bepraat heeft,
Toen - in den mist! - ze daar knielde voor u en uw knieën omvatte.
'k Gis en ik raad, dat ge haar hebt beloofd en bezworen, Achilles
Ere te doen en d' Achaeën voor 't scheepskamp bij massa's te doden."
Toen gaf Zeus, de Herder der wolken, haar antwoord en zeide:
"Weergase vrouw, altijd maar gissen en raden, en altijd
Gluren naar mij, wat ik doe! Maar winnen zult ge daar niets mee,
't Brengt u maar meer uit m'n gunst en dat zal u nog slechter bekomen.
Dat wat ge gist - nu, áls dat zo is, dan begeer ik dat blijkbaar.
Zo, nu geen woord meer, en zitten! ja luister nu dítmaal naar míjn
raad;
Anders zal u de hele Olympische garde niet baten,
Als ik begín en u d' óngenádige handen laat voelen."
Daar werd zelfs de grootogige machtige Hera beducht van.
't Heftig hart betomende zat ze daar, roerloos en zwijgend.
Toch, door de zaal ging een wrevel gemor bij d' Olympiërs rond, maar
Nu was Hephaistos hun voor en die loflijke kunstenaar zeide -
Vriendlijke steun voor zijn dierbare moeder, blankarmige Hera -:
"Onheil moet er van komen en onverdraaglijk' ellende,
Als gij, waarlijk, om sterflijke mensen maar voortgaat te kijven,
Zo als ge doet, en een godenkrakeel stookt. Eeuwig bedorven
Is dan 't geneucht van het heerlijk maal, want het kwaad kraait victorie.
Neen, ik mag tegen moeder wel zeggen - ze weet het ook zelf wel -
Dat ze voor vader Zeus wat schikkelijk zijn moet, want anders
Breekt zijn gramstorigheid los en jaagt hij ons maal in het honderd.
Want, als hij wíl, de Olympische vorst, die den bliksem doet schichten,
Als hij ons uit onze zetels wou tuimlen doen.... hij is de sterkste,
Verreweg! Och, ik bid u, probeer het met vriendlijke woorden.
Dan, zul je zien, is d' Olympiër aanstonds weer goed en genadig."
Zo zei hij eerst, en sprong op, en een dubbelorigen beker
Nam hij en drong dien zijn moeder in handen, terwijl hij opnieuw sprak:
"Toe dan, moedertje lief, wees geduldig en flink, als het pijn
doet.
Moet ik het dan, zo lief ge mij zijt, met mijn ogen aanschouwen,
Dat hij u sláát! Ge weet toch, van mij is geen hulp te verwachten,
Hoe 't me ook smart; want kwaad het vergaat, wie met Zeus in het krijt
treedt.
'k Weet het van vroeger te goed, hoe hij mij, toen ik u zou beschermen,
Greep bij den voet, en mij slingerde wég van den hemelsen drempel.
Heel den dag vloog ik voort, en niet eer dan de zon was gedoken,
Sloeg ik op Lemnos neer.... met wat me van leven nog restte.
Sintiërs zagen mijn val; zij namen mij op ter verpleging."
Dat sprak hij; toen daagde haar lach en met stralenden glimlach
Nam de godin de bokaal ter hand, blankarmige Hera.
Hij, rechts ommegaand speelde den schenker voor alle de goden,
Kostlijken nectar scheppend en scheppend weerom uit het mengvat,
Dat er een onuitblusbaar gelach bij de zalige goden
Opsteeg, toen ze Hephaistos zo drok door de zaal zagen draven.
Heel den verderen dag, tot de zon ter kim was gedoken,
Feestten zij voort, en ze hadden niet nodig om eten te roepen,
Noch om muziek, want Apollo bespeelde de godlijke citer,
Schoon preluderend den zuiveren tegenzang van de Muzen.
Maar toen het stralende licht van de zon ter kim was gedoken,
Gingen de anderen héén, elkeen naar zijn huis, om te slapen,
Waar, voor eenieder persoonlijk, de wijdvermaarde Hephaistos
Vaardig ter hand en kundig van geest een woning gebouwd had.
Zeus echter bleef, de Olympische vorst, die den bliksem doet schichten,
Ging naar zijn bed, waar hij placht, wanneer hem de slaap overmande.
Daar trad hij heen, lag hij neer, en de vorstlijke Hera was naast
hem.
|